RIJEN, Antonius Theodorus van

Antonius Theodorus van Rijen

(roepnaam: Antoon), voorzitter van de Federatie van Diocesane R.K. Volks- en Werkliedenbonden en de Bossche Diocesane Werkliedenbond, is geboren te Tilburg op 11 oktober 1878 en aldaar overleden op 4 september 1946. Hij was de zoon van Johannes Paulus van Rijen, timmerman, en Rozalia Cornelia Gustenhoven. Op 8 augustus 1911 trad hij in het huwelijk met Johanna Everdina van Bers. Dit huwelijk bleef kinderloos.

Op 1 juli 1906 trad Van Rijen, die daarvóór werkzaam was als kantoorklerk, als 'Secretaris van den Arbeid' in dienst van de drie jaar eerder opgerichte Bossche Diocesane Werkliedenbond, de overkoepelende standsorganisatie van het bisdom 's-Hertogenbosch. Hij hield kantoor in een voorkamertje van zijn huis. Na enkele verhuizingen betrok de bond in 1932 een kantoor aan het St. Annaplein in Tilburg. De geestelijke mentoren van Van Rijen waren mgr. C.C. Prinsen, de Bossche aalmoezenier van de arbeid, en de Tilburgse fabrikantenzoon mgr. A.J.M. Mutsaers, vriend van H. Poels en adviseur van de R.K. Bond van Spoor- en Tramwegpersoneel 'St. Raphaël'. Net als zij was Van Rijen een tegenstander van het streven naar een interconfessionele arbeidersbeweging, dat zich behalve in Twente ook in het bisdom Den Bosch en vooral in Tilburg onder de textielarbeiders manifesteerde. Toen hij aantrad als secretaris van de arbeid telde de landelijke interconfessionele textielarbeidersbond Unitas meer katholieke leden in Brabant dan in Twente. De zogenaamde Zuidelijke Districtsbond had toen 1800 leden. De strijd van de Bossche geestelijkheid en de Bossche Diocesane Werkliedenbond onder aanvoering van Van Rijen richtte zich in naam van de diocesane autonomie behalve tegen het interconfessionalisme ook tegen het streven naar landelijke katholieke vakbonden en naar een katholieke vakcentrale. Als secretaris van de arbeid verkondigde Van Rijen de katholieke verenigingsgedachte onder de Bossche katholieke arbeiders en gaf hij organisatorische, wettelijke en juridische adviezen. In het begin vormde de propaganda de hoofdmoot van zijn werkzaamheden. Zijn belangrijkste thema was de katholieke solidariteit. Aan dit stokpaardje dankte hij zijn bijnaam 'Toontje Solidair'. Bij zijn overlijden roemde de Nieuwe Tilburgsche Courant hem als een 'weldenkende propagandist en een prachtig schrijver'. In menig Brabants dorp gaf Van Rijen de aanzet tot de oprichting van een katholieke werkliedenvereniging. Waar de aantrekkingskracht van de standsorganisatie niet groot genoeg was nam de Bossche Diocesane Werkliedenbond zijn toevlucht tot het aanmoedigen van de oprichting van plaatselijke vakverenigingen, die dan volgens het 'gildenbondsysteem-in-diocesaan-verband' gebundeld moesten worden tot algemene werkliedenverenigingen. Volgens Van Rijen zelf overtrof het 'aantal der door hem opgerichte vakvereenigingen ... verre dat der werkliedenvereenigingen'. Pas na het Bisschoppelijk Communiqué van 1916, waarin het episcopaat een uitspraak deed over de verhouding tussen de stands- en de vakorganisatie, werd in het bisdom Den Bosch afgestapt van het gildenbondmodel. W.G. Versluis roemde de 'ongelofelijke werkkracht' van Van Rijen, die 'onwankelbaar was geweest in zijn trouw en volgzaamheid aan het kerkelijk gezag'. Volgens Versluis was Van Rijen geen groot organisator en initiatief noch ideeënrijk: 'Gefundeerde eigen meningen zijn in zijn werk niet tot uitdrukking gekomen. Soms wist hij het wezenlijk waardevolle in andermans mening snel te onderscheiden en droeg deze dan zo uit, dat de argeloze toeschouwers konden wanen Van Rijens eigen overtuiging te beluisteren. Een ander maal ontging hem blijkbaar de wezenlijke betekenis van een gangbare mening, maar mat hij haar waarde af aan het momentele gezag van de persoon, die haar het eerst had voorgedragen.' Versluis vond desalniettemin dat Van Rijen het eerbetoon in de vorm van een bronzen plaquette in het bondskantoor op grond van zijn 'ongeveinsde liefde voor de arbeidersstand, zijn nietsontziende werkkracht en zijn onverdachte katholiciteit' verdiende.

De loopbaan van Van Rijen binnen de katholieke arbeidersbeweging speelde zich vooral af op diocesaan niveau. Op 24 juli 1912 werd hij als tweede secretaris toegevoegd aan het bestuur van de Bossche Diocesane Werkliedenbond, op 1 juni 1919 bevorderd tot eerste secretaris en op 7 juni 1920 gekozen tot voorzitter. Op 11 oktober 1938 nam Van Rijen ontslag als beambte en voorzitter en werd hij als blijk van dank benoemd tot erevoorzitter. Als verpersoonlijking van de Bossche Diocesane Bond was Van Rijen betrokken bij de oprichting van een aantal diocesane instellingen en organisaties, zoals het Centraal Ziekenfonds van de Bossche Diocesane Werkliedenbond, de Diocesane Ontwikkelingscentrale en het Diocesaan Comité der St. Radboudstichting (ten behoeve van de oprichting van een katholieke universiteit). Ook in Tilburg vervulde Van Rijen een aantal nevenfuncties, zoals het lidmaatschap van het plaatselijk comité van de Katholieke Sociale Actie en het voorzitterschap van het Tilburgs Kruisverbond (1903-1919). Daarnaast was hij onder meer betrokken bij de oprichting van de woningbouwvereniging St. Joseph en van de Tilburgse Volkshogeschool. Volgens de Nieuwe Tilburgsche Courant was de 'eerste liefde' van de principiële geheelonthouder Van Rijen echter de Tilburgsche R.K. Drankbestrijdersvereeniging, die hij in 1910 mee oprichtte en waarvan hij voorzitter en secretaris was. Landelijk speelde Van Rijen een rol als bestuurslid van de in 1906 opgerichte Federatie van Diocesane R.K. Volks- en Werkliedenbonden, een 'wel zeer los federatief verband' (C.J. Kuiper) van autonome diocesane overkoepelende standsorganisaties, dat nauwelijks in staat bleek initiatieven te ontplooien op landelijk niveau. Van Rijen was secretaris van 1915 tot 1918 en voorzitter van 1918 tot 1920. Toen de Federatie in 1925 met het R.K. Vakbureau samenging in het R.K. Werkliedenverbond in Nederland werd Van Rijen lid van het verbondsbestuur. Van 1935 tot 1939 maakte hij deel uit van het dagelijks bestuur. Als exponent van de standsorganisatie en het Bossche diocesane particularisme kwam Van Rijen meermalen in botsing met zijn plaatsgenoot J. van Rijzewijk, die voorzitter was van de landelijke R.K. Tabaksbewerkersbond en van het met veel moeite in 1909 tot stand gekomen Bureau voor de R.K. Vakorganisatie. In de eufemistische terminologie van de geschiedschrijver van de katholieke arbeidersbeweging Kuiper heette het dat 'de bedoelde persoonlijke rivaliteit [tussen de voormannen van de stands- en de vakorganisatie] wel met enige juistheid [is] uitgedrukt met te zeggen, dat tussen Jan van Rijzewijk en Piet van Haazevoet van de ene, en Hendrik Brouwer en Antoon van Rijen aan de andere kant, een niet altijd even goede collegiale verstandhouding bestond'. Terwijl Van Rijzewijk de grenzen zocht van de christelijke solidariteit (én van het kerkelijk gezag) bleek Van Rijen volgens het Nieuwsblad van het Zuiden 'bijzonder geschikt om het contact tussen de arbeiders en de andere standen te leggen'. Ook in de lokale politieke arena botsten beide arbeidersvoormannen. Aanvankelijk stonden zij schouder aan schouder tegenover de Tilburgse politike elite, die de werklieden het recht van spreken en kiezen in de R.K. Kiesvereeniging 'District Tilburg' ontzegden. In 1909 manifesteerde de tweespalt onder de Tilburgse arbeiders vanwege het interconfessionalisme zich in de strijd om een zetel in de gemeenteraad tussen Van Rijen en B. Hutten, Unitas-man en hoofdbestuurslid van het CNV. Volgens de Nieuwe Tilburgsche Courant hadden vooraanstaande Tilburgers zich teruggetrokken uit de verkiezingsstrijd ten faveure van Van Rijen: 'Aan hem kunnen werklieden en middenstanders hun vertrouwen schenken.' De krant ontraadde zijn lezers ten stelligste hun stem uit te brengen op Hutten, 'die als R.K. niet luisterend naar de stem van zijn Hoogwaardige Bisschop zich blijft verzetten tegen de katholieke organisatie'. Huttens aanhangers verdedigden hem in een advertentie, waarin hij een 'echt Tilburgs werkman' werd genoemd, een 'bezadigd spreker', die altijd bereid was tot overleg met de Tilburgse burgerij. Volgens de advertentietekst was Van Rijen niet eens een echte arbeider en zat er een luchtje aan zijn kandidaatstelling, want 'de voorzitter van de Gildenbond [Van Rijzewijk] moest om onverklaarbare redenen voor Van Rijen wijken'. Van Rijen werd gekozen tot gemeenteraadslid met 520 stemmen tegen 204 stemmen voor Hutten. Twee jaar later kwam ook Van Rijzewijk in de raad.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog probeerde Van Rijzewijk met de Gildenbond als uitvalsbasis de macht over te nemen in de kiesvereniging. Volgens Van Rijen was dit streven in strijd met zowel de christelijke solidariteit als met het verbod van de bisschoppen voor sociale organisaties om aan politiek te doen. In 1913 werd Van Rijen genoemd als kandidaat voor een zetel in de Tweede Kamer. Toen vijf jaar later onder de katholieken een felle standenstrijd losbarstte om de kandidaatstelling voor de eerste Tweede Kamerverkiezingen onder algemeen kiesrecht werd ook Van Rijen kandidaat gesteld. Volgens De Maasbode zag hij echter af van een kandidatuur 'om het verkeerde idee tegen te gaan, dat ieder, die in de vakvereeniging of sociale beweging in het algemeen nuttig werk verricht, nu ook vanzelf geschikt is als kamerlid'. Bovendien was Van Rijen volgens De Maasbode van mening dat er al teveel kandidaten uit arbeiderskring waren gesteld. Wel werd Van Rijen op 10 mei 1918 de eerste arbeider-wethouder van de gemeente Tilburg en in 1919 werd hij gekozen tot lid van de Provinciale Staten van Noord Brabant. In 1923 weigerde hij een hem aangeboden zetel in de Eerste Kamer, omdat hij vond dat zijn werk als wethouder eronder zou lijden. Van Rijen beheerde in het Tilburgse college de portefeuille van sociale aangelegenheden tot zijn benoeming tot lid van Gedeputeerde Staten op 30 juli 1929.

Publicaties: 

R.K. Arbeiders waakt op! Een woord van opwekking en aansporing tot deelname aan de Katholieke Vakbeweging (Den Bosch 1909); Het Secretariaat van den Arbeid in het Diocees 's-Bosch (Den Bosch 1909); Is daar Uw plaats? (z.pl. 1909); Gedenkboek ter gelegenheid van het 12½ jarig bestaan van den Bosschen Diocesanen Werkliedenbond op gericht 17 Mei 1903 (Helmond 1916); De Bossche Diocesane Werkliedenbond 1903-1928 (Tilburg 1928).

Literatuur: 

C.J. Kuiper, Uit het rijk van den arbeid (Utrecht 1924-1953); de Volkskrant, 5.9.1946; W.G. Versluis, Door eigen kracht. Vijftig jaren geschiedenis van de Bossche Diocesane Bond der K.A.B. 1903-1953 (Tilburg 1953); A.J.M. Wagemakers, Buitenstaanders in actie. Socialisten en neutraal-georganiseerden in confrontatie met de gesloten Tilburgse samenleving 1888-1919 (Tiburg 1990); J. van Meeuwen, Lijden aan eenheid. Katholieke arbeiders op zoek naar hun politiek recht (1897-1929) (Hilversum 1998).

Portret: 

A.Th. van Rijen, uit: W.G. Versluis, Door eigen kracht. Vijftig jaren geschiedenis van de Bossche Diocesane Bond der K.A.B. 1903-1953 (Tilburg 1953)

Auteur: 
Jos van Meeuwen
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 6 (1995), p. 192-195
Laatst gewijzigd: 

10-02-2003