RIJZEWIJK, Joannes van

Joannes van Rijzewijk

(roepnaam: Jan), voorzitter R.K. tabaksbewerkersbond en R.K. Vakbureau 1909-1925, is geboren te Tilburg op 18 juli 1880 en aldaar overleden op 22 oktober 1939. Hij was de zoon van Josephus van Rijzewijk, koetsier, en Helena van Oirschot. Op 30 april 1902 trad hij in het huwelijk met Maria Catharina Melis, fabrieksarbeidster, met wie hij twee dochters kreeg.

Op zijn veertiende - na de lagere school - werd Van Rijzewijk leerling-sigarenmaker. Al snel raakte hij betrokken bij de ontluikende katholieke arbeidersbeweging in Tilburg. Op achttienjarige leeftijd was hij mede-oprichter en eerste secretaris van de afdeling Tilburg van de Nederlandsche R.K. Tabaksbewerkersbond. Het was het begin van bijna dertig jaar actieve vakbondswerkzaamheid op lokaal - de plaatselijke Gildenbond - regionaal en landelijk niveau. In 1903 leidde hij zijn eerste grote staking in Eindhoven. Ook toen hij later voorzitter was van het Bureau voor de R.K. Vakorganisatie (1909-1925), werd zijn hulp nog menigmaal ingeroepen bij (dreigende) arbeidsconflicten, zoals in de jaren 1912 tot 1914 door de Nederlandsche R.K. Lederbewerkersbond, die in strijd gewikkeld was met Tilburgse schoenfabrikanten om de erkenning van het organisatierecht. Van Rijzewijk werd in 1905 gekozen tot tweede secretaris van de katholieke tabaksbewerkersbond. Twee jaar later werd hij gekozen tot de eerste bezoldigde bondsvoorzitter. Hij bleef dat tot 1912.

Intussen werkte Van Rijzewijk actief mee aan de voorbereiding voor de oprichting van een katholieke vakcentrale. Hij zat het ceremoniële oprichtingscongres voor en werd gekozen tot voorzitter van het Bureau voor de R.K. Vakorganisatie, kortweg R.K. Vakbureau. Als exponent van de vaak heftige controverse tussen de R.K. vak- en standsorganisatie werd Van Rijzewijk in 1925 gepasseerd als voorzitter van het R.K. Werkliedenverbond in Nederland, het fusie-orgaan van beide takken van de katholieke arbeidersbeweging, ten faveure van de relatief onbevlekte nieuwkomer A.C. de Bruijn. Van Rijzewijk werd wel bestuurslid van het nieuwe verbond, maar reeds enige maanden later, in mei 1926, werd hij door zijn medebestuurders gedwongen zijn bestuurszetel op te geven, omdat hij 'deelgenoot was geworden in de stichting van een sociëteit in Tilburg, die een schouwburg, annex bioscoop en dancing zou gaan exploiteren' aldus C.J. Kuiper. Zulk een moreel verwerpelijke activiteit werd onaanvaardbaar geacht voor een bestuurder van de katholieke arbeidersbeweging.

Inmiddels was Van Rijzewijk sedert 1918 lid van de Tweede Kamer. In zijn kandidatuur en die van zijn collega's C.J. Kuiper, P.J.J. Haazevoet, A.H.J. Engels en H. Hermans kwam de erkenning tot uitdrukking van het belang en de betekenis van de katholieke arbeidersbeweging. Op voordracht van minister van Arbeid P.J.M. Aalberse werd Van Rijzewijk in 1921 geridderd wegens zijn kloeke bijdrage aan het organiseren van het katholieke antwoord op 'Troelstra's vergissing' van 1918. Ook als lid van de gewapende burgerwacht in Tilburg had hij zijn steentje bijgedragen. In 1929 verloor Van Rijzewijk zijn Kamerzetel. Volgens Kuiper vanwege het failliet van bovengenoemde onbetamelijke stichting. Zijn verdwijnen uit de katholieke Kamerfractie paste hoe dan ook in het patroon van het terugdringen van het 'linkse' dan wel arbeiderselement in de fractie. Van Rijzewijk behoorde daar ontegenzeggelijk toe als 'laatste' van de tien katholieke tegenstemmers tegen de Vlootwet van 1923, die een eerste ernstige bres sloegen in de 'christelijke coalitie' van anti-revolutionairen, christelijk-historischen en katholieken. Van Rijzewijk bleef actief in de plaatselijke katholieke politiek. Vanaf 1914 was hij bestuurslid van de R.K. Kiesvereeniging in Tilburg. In 1931 werd hij daarvan voorzitter en tevens landelijk bestuurslid van de R.K. Staatspartij. Van 1911 tot 1931 was hij gemeenteraadslid, waarvan de laatste jaren fractievoorzitter. In 1931 werd hij wethouder van Sociale Zaken. Een langdurige, slepende ziekte (Kuiper: 'van zielkundige aard') maakte in 1935 een einde aan zijn wethouderschap en leidde tot zijn dood in 1939. Hij werd begraven onder massale belangstelling, overladen met bloemen en muziek.

Kuiper noemde het naar aanleiding van de 'sociëteitskwestie' de tragiek van Van Rijzewijk, dat 'hij structureel op het verkeerde paard wedde'. Hij voegde eraan toe: 'Zijn kracht lag meer in zijn vlug inzicht in praktische kwesties dan in dieper principieel inzicht'. Naarmate de katholieke arbeidersbeweging zich ontwikkelde van een tegen de verdrukking in groeiende beweging tot een erkende, gevestigde en gewaardeerde kracht binnen een verzuilde samenleving werd ideologische zuiverheid belangrijker geacht dan oratorisch en improvisatietalent.

Archief: 

Dossier J. van Rijzewijk in Gemeentearchief Tilburg.

Literatuur: 

C.J. Kuiper, Uit het rijk van den arbeid 3 delen (Utrecht 1924; 1927; 1953); J. Hemels, De emancipatie van een dagblad. Geschiedenis van de Volkskrant (Baarn 1981); J. van Meeuwen, Lijden aan eenheid. Katholieke arbeiders op zoek naar hun politiek recht (1897-1929) (Hilversum 1998).

Portret: 

J. van Rijzewijk, 1913, Gemeentearchief Tilburg

Auteur: 
Jos van Meeuwen
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 2 (1987), p. 136-137
Laatst gewijzigd: 

21-08-2002