ROESTENBERG, Cornelis

Cornelis Roestenberg

(roepnaam: Cees; bijnaam: Roes(t)je), bestuurder R.K. lederbewerkersbond en R.K. vakcentrale, is geboren te Kaatsheuvel op 12 september 1877 en aldaar overleden op 11 juli 1955. Hij was de zoon van Peter Roestenberg, schoenmaker, en Maria Proveniers. Op 17 februari 1903 trad hij in het huwelijk met Henrica Johanna Sins, met wie hij twee dochters en zeven zoons kreeg.

Roestenberg begon op elf-jarige leeftijd in het schoenmakersvak als hulpje van zijn vader, die thuiswerker was. De schoenindustrie in de Langstraat was in die tijd een achterlijke bedrijfstak met slechte arbeidsvoorwaarden en gedwongen winkelnering. Vanwege een oogziekte moest Roestenberg het vak na enkele jaren opgeven. Hij werkte enige tijd als magazijnknecht en winkelbediende en werd meesterknecht op de stoomschoenfabriek M. van Beurden te Waalwijk, waar hij toezicht hield op het zwikkerspersoneel, leesten modelleerde en monstercollecties klaarmaakte. Voor hij in 1910 vrijgesteld bestuurder van de katholieke vakbeweging werd, werkte hij nog bij de firma Vesters & Roestenberg, waar hij naar eigen zeggen veel tijd en vrijheid kreeg voor zijn vakbondswerk. Roestenberg werd in 1907 gekozen tot eerste voorzitter van de R.K. Lederbewerkersvakvereeniging, een afdeling van de R.K. Volksbond te Kaatsheuvel. De vereniging, die zich aansloot bij de in 1905 opgerichte Diocesane Lederbewerkers-Arbeidersbond St. Crispijn en Crispinianus in het bisdom van 's Hertogenbosch, sloeg aan bij de Kaatsheuvelse schoenmakers en ontwikkelde zich al snel tot de sterkste afdeling van de bond. In 1908 bond zij met ruim vijfhonderd leden met succes de strijd aan tegen de gedwongen winkelnering. Bij de fabrieken waar het personeel het best georganiseerd was, verdwenen de winkels en erkenden de patroons de vakorganisatie. Bij dit landelijk opzienbarend conflict was Roestenberg als plaatselijk vakbondsleider nauw betrokken. In januari 1909 werd hij voorzitter van de inmiddels in een landelijke Organisatie omgezette Nederlandsche R.K. Lederbewerkers-Arbeidersbond St. Crispinus en Crispinianus. Met L. van Heeswijk, kapelaan in Kaatsheuvel en later Tilburg, vormde Roestenberg het gezicht van de bond. Volgens de katholieke schoen- en lederfabrikanten waren Roestenberg en zijn medebestuurders 'zoo rood als de roodste socialisten'. Roestenberg zelf werd beschuldigd van 'bolsjewistisch' taalgebruik. De fabrikanten deden hun best hun werklieden tegen hem op te zetten en noemden zijn woning het 'dubbeltjeshuis', omdat het gebouwd zou zijn van de contributies van de vakbondsleden. Tegelijk stond Roestenberg bloot aan de kritiek van de moderne Nederlandsche Vereeniging van Fabrieksarbeiders, die slechts een geringe invloed in de Zuidelijke schoen- en lederindustrie had en zich laatdunkend uitliet over de door de katholieke lederbewerkersbond bereikte resultaten. Bij het koperen jubileum van Roestenberg als bondsvoorzitter schreef De Fabrieksarbeider: 'Niet tegenover maar naast de patroons heeft de heer Roestenberg de Brabantsche schoenmakers 12½ jaar hun plaats gewezen.

De lederbewerkers zijn jarenlang van daadwerkelijke strijd voor lotsverbetering afgehouden'. De Kaatsheuvelse schoenmakers en leerlooiers hadden echter vertrouwen in Roestenberg en steunden hem ook in zijn lokale politieke aspiraties. Op 19 juli 1909 werd hij gekozen tot lid van de gemeenteraad van Loon op Zand. Van 1919 tot 1923 was hij wethouder. Bij de verkiezingen in 1923 was Roestenberg met een eigen lijst uitgekomen, omdat de katholieke kiesvereniging waarvan hij voorzitter was hem op een onverkiesbare plaats had gezet. Roestenberg en de zijnen wonnen vier van de dertien zetels, maar zelf zag hij van zijn zetel af. In 1927 keerde hij terug in de raad en bleef raadslid tot de oorlog. Toen de katholieke lederbewerkersbond in 1924 met de katholieke fabrieksarbeidersbond fuseerde, werd Roestenberg tweede voorzitter en voorzitter van de Vakgroep Schoen- en Lederindustrie met als standplaats de Langstraat.

Als vertegenwoordiger van de Lederbewerkersbond was Roestenberg in de jaren 1908-1909 betrokken geweest bij de oprichting van het Bureau voor de R.K. Vakorganisatie. Hij werd gekozen tot lid van het bestuur en was van 1911 tot 1914 penningmeester. Als zodanig had hij een groot aandeel in de oprichting van het tuberculosefonds Herwonnen Levenskracht. Zijn landelijk penningmeesterschap liet zich echter moeilijk combineren met zijn betrokkenheid bij de vakbondsactie in de hoofdzakelijk in Noord-Brabant geconcentreerde schoen- en lederindustrie. Hij trad af als penningmeester maar bleef aan als gewoon bestuurslid. Ook toen de vak- en standsorganisaties in 1925 samengingen in het R.K. Werkliedenverbond in Nederland, bleef hij bestuurslid. Zijn mandaat werd steeds zonder discussie verlengd. Daarnaast was hij secretaris van het Internationaal Verbond van Christelijke Lederbewerkers, plaatsvervangend lid van de Commissie van Advies inzake de uitvoering van het Werkloosheidsbesluit 1917 en lid van de Raad van Overleg van R.K. Sociale Organisaties. In januari 1940 nam Roestenberg afscheid van de katholieke arbeidersbeweging en ging met pensioen. Volgens C.J. Kuiper was hij een 'bezadigd element', iemand die niet erg op de voorgrond trad maar 'veel en vruchtbaar werk verrichtte in de Langstraat'.

Literatuur: 

De Katholieke Lederbewerker, 5.11.1910; C.J. Kuiper, Uit het rijk van de arbeid (Utrecht 1927, 19532); J. van Meeuwen, Zo rood als de roodste socialisten. Katholieke vakbondsstrijd in de schoen- en lederindustrie (Amsterdam 1981).

Portret: 

C. Roestenberg, uit: C.J. Kuiper, Uit het rijk van den arbeid. Deel 1 (Utrecht 1926)

Auteur: 
Jos van Meeuwen
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 4 (1990), p. 174-176
Laatst gewijzigd: 

00-00-1990