ROODE, Justus Johannes de

Justus Johannes (Jan) de Roode

(roepnaam: Jan, Jantje), hoofdredacteur van Het Volk en staflid van de Internationale Arbeids Organisatie, is geboren te Hoogkarspel op 3 februari 1866 en overleden te Amsterdam op 14 januari 1945. Hij was de zoon van Pieter Johannes de Roode, predikant, en Johanna Hofstede. Op 23 augustus 1899 trad hij in het huwelijk met Catherine Mariam Heijermans. Dit huwelijk bleef kinderloos.
Pseudoniemen: Ganzepen, Marius, Georgine Maetsuycker.

Bij De Roode thuis hadden ze het niet breed. Vader De Roode had 'een klein traktement en een groot gezin'. De Roode ging in Enkhuizen naar de middelbare school. Het was de bedoeling dat hij in de voetsporen van zijn vader zou treden. Groot was de teleurstelling toen De Roode besloot zijn studie theologie in Leiden af te breken en een andere richting aan zijn leven te geven: de journalistiek. Omdat hij van zijn familie geen financiële steun meer kreeg zocht De Roode werk, dat hij in 1890 in Arnhem vond bij het weekblad Gelria. In zijn Gelderse jaren deed hij zich als overtuigd vrijzinnig-democraat gelden onder invloed van J.W.C. Tellegen, toen directeur Publieke Werken in Arnhem, later burgemeester van Amsterdam. Ook de jurist Pennink noemde hij als een van zijn leermeesters. In 1894 ging De Roode werken bij het dagblad De Amsterdammer, de krant van de radicale journalist J. de Koo. In oktober van dat jaar vertrok De Koo bij De Amsterdammer om met de rest van de redactie Het Dagblad uit te geven. Toen Het Dagblad na drie maanden ophield te verschijnen moest De Roode opnieuw naar ander werk uitkijken. Naar hij later verklaarde heeft hij ondanks de korte samenwerking veel van dat jaar bij De Koo geleerd. Hij beschouwde zich als een van zijn leerlingen. In het café van Mast, bijgenaamd Mille Colonnes, aan het Rembrandtplein moet De Roode zijn eerste contacten hebben gelegd met de hoofdstedelijke arbeidersbeweging. In de 'rode hoek' maakte hij kennis met mensen als Jos Loopuit, A.S. de Levita en Henri Polak. Het duurde niet lang of hij was daar een van de vaste bezoekers.

Na op verschillende manieren in zijn levensonderhoud te hebben voorzien begon De Roode begin 1898 als redacteur bij Het Volksdagblad. In haar kolommen maakte hij een begin met wat later zijn specialisme werd: parlementaire verslaggeving. Van Het Volksdagblad stapte hij tien maanden later over naar de De Sociaaldemokraat. Dit Rotterdamse partijblad van de SDAP verscheen vanaf oktober 1898 drie maal per week en had versterking nodig. Toen De Sociaaldemokraat ophield te verschijnen werd hij in april 1900 aangesteld als redacteur van Het Volk. Zijn verblijf in Rotterdam, hoe kort ook, was voor zijn persoonlijke leven van grote betekenis: hij leerde er zijn vrouw Marie Heijermans (1859-1937) kennen. Deze schilderes was door De Roode, toen hij nog bij Het Volksdagblad werkte, verdedigd. Zij had namelijk tijdens de wereldtentoonstelling in 1897 in Brussel geweigerd een schilderij van haar hand, 'Victime de la misère', voor een ander in te ruilen. Men was bang dat het schilderij, waarop een prostituée werd afgebeeld, aanstoot zou kunnen geven bij het bezoek van de Belgische koning Leopold II aan de Hollandse afdeling. Het schilderij werd verwijderd, het proces dat Marie Heijermans begon verloor ze. Waarschijnlijk via haar broer Herman, de schrijver, leerde Marie, teleurgesteld naar haar ouderlijk huis in Rotterdam teruggekeerd, Jan de Roode kennen. In augustus 1899 traden ze in het huwelijk. In Amsterdam vestigde het echtpaar zich in het kiesdistrict III, op korte afstand van het stamcafé van de journalisten van Het Volk, de IJsbreker. De Roode werd actief in de SDAP en de arbeiderskiesvereniging van het district. Daar kwam hij Polak, Loopuit en zijn collega's van de krant J.F. Ankersmit en P.L. Tak weer tegen. De Roode had spoedig een vooraanstaande plaats in de hoofdstedelijke sociaal-democratie. Zijn parlementaire verslaggeving maakte hem tot een man van gezag. Ook was De Roode een hartstochtelijk debater. Met S.R. de Miranda, S. de Wolff en in het bijzonder met D.J. Wijnkoop kruiste hij de degens. Wijnkoop en De Roode waren woordvoerders van de twee richtingen die zich in de afdeling aftekenden voorafgaand aan de splitsing van 1909. De Roode stond achter P.J. Troelstra en koos de zijde van de diamantarbeiders in zijn district. In 1906 trad De Roode toe tot het afdelingsbestuur, hij volgde J.C. Ceton op als secretaris, die na een conflict zijn partijfuncties had neergelegd. De Roode trok zich een jaar later terug, toen Ceton weer bereid was terug te keren. Drukke werkzaamheden bij Het Volk dwongen hem in 1908 zijn activiteiten in de afdeling verder te beperken, maar de vergaderingen bleef hij bezoeken. Bij een van die gelegenheden herhaalde hij het dreigement van W.H. Vliegen aan het adres van de linkervleugel van de partij rond De Tribune: 'Het liefst met u, maar desnoods zonder u.' In een van zijn laatste debatten met Wijnkoop sprak De Roode zich begin 1909 uit voor een bijzonder partijcongres. Op dit congres in Deventer eiste De Roode namens zijn district de opheffing van De Tribune. Na het congres volgde nog één keer een zware aanvaring met Wijnkoop. De Roode verweet de Tribunisten in het bijzonder dat ze de vrijheid van meningsuiting in de afdeling hadden onderdrukt. Samen met Ankersmit vormde De Roode de eerste twintig jaar de vaste kern van de redactie van Het Volk. De Roode verzorgde het parlementair nieuws en deed samen met Ankersmit verslag van culturele bijeenkomsten. Wat de laatste activiteit betreft was de stimulerende invloed van zijn schoonfamilie merkbaar. Als toneelliefhebber stond De Roode zelf regelmatig op de planken. Voor de parlementaire verslaggeving reisde hij met grote regelmaat naar Den Haag. In de trein las hij dan de parlementaire stukken, waarmee hij een aanzienlijk deel van de coupé in beslag nam. Door het werk in Den Haag had De Roode nauw contact met de sociaal-democratische Kamerfractie. Zijn ervaring maakte hem tot vertrouwensman van menig SDAP-Kamerlid. Hij gold als een specialist op het gebied van het arbeidsrecht en in het bijzonder de sociale verzekeringswetgeving. Troelstra consulteerde hem regelmatig, ook over partijkwesties. De artikelen van De Roode in Het Volk waren duidelijk herkenbaar aan hun stijl, die zich kenmerkte door een droge humor. Typerend voor de verslagen van De Roode was dat ze begonnen met een korte inleiding om de sfeer te schetsen en het onderwerp in te leiden. Een collega van het Algemeen Handelsblad merkte op dat de verslagen waren 'geschreven door iemand die het behandelde en de sfeer van de vergadering geheel beheerste'. De SDAP gaf een aantal beschouwingen van De Roode uit. Zo verschenen van zijn hand de brochures De Duurte! (Amsterdam 1910), Wilt gij Staatspensioneering? (Amsterdam 1914) en Plaats voor den arbeid! De Moderne Arbeidersbeweging en de Nieuwe Tijd (Amsterdam 1918). In 1906 vertrok P.L. Tak bij Het Volk, van hem had De Roode de kneepjes van het vak geleerd. De Roode was een voorstander van 'een republikeinsch ingerichte redactie' en er werd inderdaad geen nieuwe hoofdredacteur benoemd. De belangrijkste functie was nu die van politiek redacteur, in welke hoedanigheid De Roode in 1914 Vliegen opvolgde. In mei 1919 werd De Roode benoemd tot hoofdredacteur, waarmee deze functie in ere hersteld was. Troelstra was het niet eens met deze gang van zaken en trachtte De Roode in november 1919 te bewegen om samen met hem de hoofdredactie te voeren. De overweging van Troelstra was dat hij in politiek opzicht zijn stempel moest kunnen drukken op het blad. Naar zijn oordeel was er van Het Volk sedert 1914 geen duidelijke leiding voor de arbeidersklasse uitgegaan. Troelstra deed een beroep op hun 25-jarige vriendschap, die 'nooit door enig incident' was geschokt. Zo'n incident ontstond nu wel. De Roode motiveerde zijn beslissing niet, maar de aanstelling van Troelstra per 2 januari 1920 als politiek hoofdredacteur en het getouwtrek rond zijn eigen benoeming in 1919, waarbij Vliegen, Troelstra en ook Polak in de markt waren voor het hoofdredacteurschap, moeten hem het gevoel hebben gegeven dat hij te weinig vertrouwen genoot. Daarbij kwam dat in de krant, op gezag van Troelstra, de nationale ontwapening werd verdedigd, iets waarvoor De Roode geen verantwoordelijkheid wilde dragen.

In maart 1920 ging De Roode in op een aanbod om bij de Volkenbond te komen werken. Op 12 april 1920 verliet het echtpaar De Roode Nederland om zich in Genève te vestigen. Daarmee werd voorlopig een punt gezet achter zijn activiteiten in de Nederlandse arbeidersbeweging. Die hadden zich overigens vanaf 1916 uitgestrekt tot de Provinciale Staten van Noord-Holland, waarin hij door het Amsterdamse district II was afgevaardigd. Ook was De Roode van 1901 tot l9l2 secretaris van de Amsterdamse arbeiderscoöperatie De Dageraad. Als onderdeel van de Volkenbond werd in 1919 de Internationale Arbeids Organisatie (IAO) opgericht. Aan het hoofd kwam Albert Thomas te staan, die De Roode voor het secretariaat aantrok om de contacten met de na de oorlog hopeloos verdeelde arbeidersbeweging te onderhouden en tevens om op het gebied van de sociale wetgeving initiatieven te ontwikkelen. De Roode werd toegevoegd aan de staf van de IAO en kreeg in Genève de functie van 'chef de service'. De eerste jaren van zijn verblijf in Genève besteedde hij veel tijd aan de contacten met arbeidersorganisaties in de verschillende landen. De Roode ontpopte zich als diplomaat met grote reislust. Zijn vele ontmoetingen gaven zijn vrouw de gelegenheid vooraanstaande figuren uit de internationale arbeidersbeweging in een schets vast te leggen. Later vond De Roode meer gelegenheid zich bezig te houden met de sociale wetgeving. In 1926 besloot De Roode uit Genève te vertrekken, zeer tegen de zin van Albert Thomas. Hij was zestig en kon van de IAO-pensioenregeling gebruikmaken. Op 4 maart 1926 vertrok het echtpaar uit Genève. In Nederland wijdde De Roode zijn krachten weer aan Het Volk. Bij de krant werd hij chef van de redactie buitenland. Hij werd plaatsvervangend hoofdredacteur in een tijd dat bij Het Volk grote veranderingen werden doorgevoerd en het als onderdeel van de Arbeiderspers uitgroeide tot een veel gelezen opinieblad. In 1931 werd deze reorganisatie afgerond met het betrekken van het gebouw aan het Hekelveld. In datzelfde jaar werd het boekje Jan de Roode 65 jaar. Een keur uit zijn journalistieke werk (Amsterdam 1931) uitgegeven, met een voorwoord van Ankersmit en een nawoord van Piet Bakker. In deze bundel stonden ook artikelen die blijk gaven van hernieuwde politieke activiteiten na zijn terugkeer uit Genève. Met even grote felheid ging hij ook nu de discussie aan met partijleden die dreigden de partij te verlaten. Tot 1930 had De Roode zitting in het bestuur van de Federatie Amsterdam van de SDAP. Bijna verwierf hij een Kamerzetel.

Ook na zijn pensionering in 1934 bleef De Roode voor de bladen van de Arbeiderspers het 'Buitenlandsch overzicht' verzorgen. Op 1 januari 1940 vierde hij zijn gouden jubileum als journalist. Tijdens de Duitse bezetting ontnam men De Roode zijn pensioen, waardoor hij bij vrienden om ondersteuning moest vragen. In een tamelijk groot isolement sleet hij zijn laatste levensdagen. Hij verrichtte nog studies naar onder meer Karl Kautsky en Woodrow Wilson en schreef voor het illegale Paraat, waarvan hij een trouw medewerker en, ondanks zijn hoge leeftijd, ook bezorger was, Dwalende herders (Amsterdam 1945), dat postuum (maar nog tijdens de bezetting) en met een voorwoord van W. Drees als brochure verscheen. Daarin haalde hij fel uit naar het personalistisch socialisme. De voormalige student theologie wees de ideeën van W. Banning van de hand, juist omdat daarin zoveel kritiek besloten lag op de ideeën die De Roode bijna vijftig jaar lang in woord en geschrift had verdedigd. 'De "vroegere SDAP" is een politieke partij, geen zedelijkheidsgenootschap', aldus De Roode, die begraven werd op de begraafplaats Zorgvlied te Amsterdam.

Archief: 

Archief J.J. de Roode en C.M. de Roode-Heijermans in IISG (Amsterdam; vgl. Campfens2, 322).

Publicaties: 

De interpellaties over de spoorwegstaking (Amsterdam 1903); De heillooze geest. Een woord aan de geloovige arbeiders (Amsterdam 1910); Oud en wijs genoeg. Een woord aan de geloovige arbeiders (Amsterdam 1911); De portefeuille-kwestie (Amsterdam 1913); Sociale verzekering en de christelijke regeering (Amsterdam 1913); De geschonden beloften (Amsterdam 1918); 'Inleiding' in: E. Wertheimer, De Britsche Arbeiderspartij (Amsterdam 1930) 5-6; 'De nationale en internationale gedachte' in: Strijdenskracht door wetensmacht. Opstellen aangeboden aan S. de Wolff ter gelegenheid van zijn 60e verjaardag (Amsterdam 1938) 287-297; 'Oude herinnering' in: Opvoeding en moraal, 1938, april (aan A.H. Gerhard gewijd extra-nummer) 40-41. Naast zijn bijdragen aan Het Volk publiceerde De Roode tussen 1916 en 1937 regelmatig in De Socialistische Gids. Een aantal van deze artikelen verscheen in overdruk, zoals 'De krisis van het Internationaal Verbond van Vakverenigingen', 'De Lijdensweg van de Achturenkonventie (beide uit 1927) en 'Rusland lid van de Volkenbond' (1934).

Literatuur: 

J. Rot, 'Jan de Roode ' in: Paraat, 20.1.1945; A.C.J. de Vrankrijker, Het wervende woord (Amsterdam 1950); S. de Wolff, Voor het land van belofte (Nijmegen 1978); H.J. Scheffer, Het Volksdagblad (Den Haag 1981); Voor buurt en beweging (Amsterdam 1984); H. Buiting, Richtingen- en partijstrijd in de SDAP (Amsterdam 1989).

Portret: 

J. de Roode, IISG

Auteur: 
Luuk Brug
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 6 (1995), p. 181-185
Laatst gewijzigd: 

10-02-2003