ROT, Thomas de

Thomas de Rot

mede-oprichter van het Algemeen Nederlandsch Werklieden-Verbond en voorman van de 'gematigde' vakbeweging, is geboren te Rotterdam op 30 december 1840 en aldaar overleden op 11 februari 1915. Hij was de zoon van Arij de Rot, koetsier, en Maria Alida van Leenhoff. Op 20 mei 1863 trad hij in het huwelijk met Johanna Antonia Strang, met wie hij drie zoons kreeg. Na haar overlijden (op 13 juni 1905) hertrouwde hij op 14 december 1910 met Hendrika Bijlaart.

De Rot ging op dertienjarige leeftijd als leerling-zetter werken bij de Rotterdamse drukkersfirma Wed. P. van Waesberge en Zoon. Aan dit bedrijf zou hij ruim zestig jaar verbonden blijven, uiteindelijk als eerste meesterknecht. Hij was lid, en van 1871 tot 1876 tweede voorzitter, van Door Coster's Fakkel Voorgelicht, Is Deze Vriendenkring Gesticht. Deze typografenvereniging was in 1849 opgericht met als doelstelling het versterken van de onderlinge band en het verlenen van steun in geval van ziekte en bij overlijden. Anders dan Coster's Fakkel was de in 1866 gestichte Algemeene Nederlandsche Typografenbond (ANTB) een vakvereniging. Deze kreeg in 1869 in Rotterdam een afdeling, waarbij De Rot zich aansloot. Op voorstel van deze afdeling werd in 1870 de Rotterdamsche Bestuurdersbond in het leven geroepen. Als bondsvoorzitter was De Rot nauw betrokken bij de oprichting in 1871 van het Algemeen Nederlandsch Werklieden-Verbond (ANWV). In deze eerste landelijke vakcentrale vervulde hij diverse bestuurlijke functies en trad hij geregeld op als spreker op vergaderingen en congressen van het verbond. De Rot en de zijnen waren handwerkslieden. Zij voelden zich verbonden met de christelijke tradities en iedere gedachte aan klassenstrijd en socialisme was hen vreemd. Lotsverbetering diende tot stand te worden gebracht door onderlinge samenwerking en in overleg met de patroons. Streefden zij aanvankelijk vooral naar loonsverbetering en kortere werktijden, later plaatsten zij ook beteugeling van kinder- en vrouwenarbeid, algemeen kiesrecht en uitbreiding van het openbaar onderwijs op hun verlanglijst. Zij waren tegen stakingen en eerder al tegen aansluiting bij de sectie van de Internationale, het Nederlandsch Werklieden-Verbond. Hun inzichten liepen voor een groot deel parallel aan die van de verlichte burgerij, de progressief-liberalen, met wie zij contact onderhielden, onder meer in het in 1870 gestichte Comité ter bespreking der Sociale Quaestie. Ook De Rot was lid van dit comité, evenals van het in 1879 ontstane Comité voor Algemeen Stemrecht.

Al in 1874 probeerde De Rot steun van het Rotterdamse gemeentebestuur te verkrijgen voor het bouwen van goede en goedkope woningen. Zijn pogingen liepen echter op niets uit. Voor de ANTB was hij aanvankelijk zeer actief. Hij trad op als propagandist en bepleitte in 1879 de vorming van een pensioenfonds en in 1881 van een ziekenfonds. Op zijn voorstel trad de ANTB in 1887 uit het ANWV, naar mag worden aangenomen omdat de verschillen van inzicht van beide organisaties onoverbrugbaar waren geworden. Enige tijd later besloot hij de ANTB te verlaten. Het heette dat hij zich geheel aan het ANWV wilde wijden. Zijn bemoeiingen voor het verbond sorteerden evenwel weinig effect. Het in 1877 gestichte vakverbond Patrimonium zoog de christelijke leden weg en de socialisten zochten hun heil bij de Sociaal-Democratische Vereeniging en daarna bij de Sociaal-Democratische Bond en de daarmee verbonden organisaties. De Rot bleef tegenstander van stakingen. In 1889 probeerde hij in Rotterdam stakende bootwerkers weer aan het werk te krijgen. Om de Rotterdamse afdeling van de Londense Dock, Wharf, Riverside and General Labourers' Union, die op de hand van de stakers was, de wind uit de zeilen te nemen nam hij het initiatief tot de oprichting van de anti-socialistische Bootwerkers-Vereeniging 'De Nederlandsche Vlag'. De Rot was voorstander van gezinsbeperking en werd bestuurslid van de in 1881 gestichte Nieuw-Malthusiaansche Bond. In 1895 aanvaardde hij een benoeming tot voorzitter van het Comité voor Kiesrechtuitbreiding. In die jaren was De Rot ook actief in de Radicale Bond. In 1892 was hij betrokken geweest bij de oprichting van die bond en tot 1896 maakt hij deel uit van het bestuur. In 1894 verklaarde hij zich ter gelegenheid van de verkiezingen voor de Tweede Kamer tegen een nauwere samenwerking met de Liberale Unie. Bij de pogingen in 1899 van M.W.F. Treub om de linkervleugel van de Liberale Unie en de radicalen te verenigen en daarmee een vrijzinnig-democratische partij te vormen schijnt hij zich, ofschoon hij voor het overleg was uitgenodigd, afzijdig te hebben gehouden. Volgens W.H. Vliegen koos De Rot in 1901, toen de Vrijzinnig-Democratische Bond werd opgericht, de kant van de Liberale Unie. Gelet op De Rots afwijzing in 1894 van de Liberale Unie en zijn medewerking in 1897 aan Radicale Hervorming, het blad van de Radicale Bond, moet aan de juistheid van die mededeling worden getwijfeld.

De Rot schreef incidenteel in De Werkman, die verscheen van 1868 tot 1876 en eerst gelieerd was aan de ANTB. Hij was jarenlang medewerker van De Werkmansbode, het orgaan van het ANWV sinds 1877. Het Rotterdamsch Nieuwsblad, dat in 1878 begon te verschijnen en zich neutraal noemde, nam gesigneerde stukken van hem op in de rubriek Ingezonden Brieven. Nadat hij in 1891 vast medewerker was geworden, werden zijn bijdragen - voornamelijk berichten over de gematigde vakbeweging - meestentijds ongesigneerd geplaatst, maar voorzien van de aanduiding 'ingezonden' of op de advertentiepagina. C. Sijthoff, eigenaar en directeur-hoofdredacteur van de krant, wilde daarmee te kennen geven dat niet de redactie maar een buitenstaander aan het woord was. In 1891 lanceerde Sijthoff Het Laatste Nieuws, een blad dat voor één cent op straat werd verkocht. Hiermee probeerde hij de Kleine Courant van Rotterdam te bestrijden, niet alleen omdat dit blad een concurrent was, maar ook omdat de Kleine Courant zich positief tegenover de socialistische beweging opstelde. In tegenstelling tot het Rotterdamsch Nieuwsblad viel Het Laatste Nieuws de socialistische leiders en Recht voor Allen openlijk aan en deze artikelen werden, zo blijkt uit de correspondentie van Sijthoff, geschreven door De Rot. Het blad was geen succes en de uitgave werd al na vijf weken gestaakt. De Rot werkte ook mee aan Het Goedkoope Nieuwsblad, voornamelijk als leverancier van berichten. Deze krant, met de ondertitel Dagblad voor den Werkmansstand, verscheen in 1896 en was bedoeld als tegenwicht tegen het Rotterdamsch Dagblad, waaraan de SDAP-er H. Spiekman als corrector verbonden was. Spiekman leverde zo nu en dan ook bijdragen en daarin keerde hij zich onder meer tegen het Rotterdamsch Nieuwsblad en zijn eigenaar. Op de vergaderingen van de SDAP werden de aanwezigen gemaand in plaats van het Rotterdamsch Nieuwsblad het Rotterdamsch Dagblad of Het Volksdagblad, dat kort daarvoor in Amsterdam was gesticht, te lezen. Bij alle verbale en schriftelijke schermutselingen bleef De Rot ongenoemd, althans wat zijn medewerking aan de bladen van Sijthoff betreft. Dat duidt erop dat die medewerking bij de buitenwacht onbekend was.

Literatuur: 

Verhoor van Thomas de Rot, oud 50 jaar, typograaf, te Rotterdam' in: Enquete gehouden door de Staatscommissie benoemd krachtens de wet van 19 januari 1890. (Eerste Afdeeling) De maatschappelijke toestanden der arbeiders, in verband met Zieken-, Begrafenis en andere Verzekerings- en onderstandsfondsen, niet aan eenige onderneming of inrichting van nijverheid verbonden Deel II, 548-553; Bymholt, Geschiedenis; B.H. Heldt, Algemeen Nederlandsch Werklieden-Verbond, 1871-1896 (Leeuwarden 1896); P.J.J. Aarse, Gedenkboek ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van de typografische vereeniging Door Coster's Fakkel Voorgelicht, Is Deze Vriendenkring Gesticht (Rotterdam 1899); H. Smits, De Nederlandsche arbeiders beweging in de 19e eeuw (Rotterdam 1902); D. Hudig, De vakbeweging in Nederland, 1866-1878 (Amsterdam 1904); F. van der Wal, De oudste vakbond van ons land, 1866-1916. Ontstaan en vijftigjarige werkzaamheid van den Algemeenen Nederlandschen Typografenbond (Amsterdam 1916); Vliegen, Dageraad II en Kracht II; W.C. Mees, Man van de daad. Mr. Marten Mees en de opkomst van Rotterdam (Rotterdam 1946); A.J.T. Stakenburg, Stand van zaken. Gedenkboek van de Scheepvaartvereeniging Zuid (Rotterdam 1957); J.J. Giele, 'Het ontstaan van de typografen-vakorganisatie in Nederland (1837-1869)' in: Mededelingenblad, nr. 42, november 1972, 2-55; J.J. Giele, 'De opkomst van de socialistische vakorganisatie' in: Jaarboek arbeidersbeweging, 1978, 36-43; G. Nabrink, Seksuele hervorming in Nederland. Achtergronden en geschiedenis van de Nieuw-Malthusiaansche Bond (NMB) en de Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming (NVSH), 1881-1971 (Nijmegen 1978); G. Taal, Liberalen en Radicalen in Nederland, 1872-1901 (Den Haag 1980); H.J. Scheffer, In vorm gegoten. Het Rotterdamsch Nieuwsblad in de negentiende eeuw (Den Haag 19812); Ph. van Praag, 'Het politieke debat over armoede en geboortenbeperking in het Algemeen Nederlandsch Werklieden-Verbond (1879-1882)' in: M. Campfens, M. Schrevel, F. Tichelman (red.), Op een beteren weg (Amsterdam 1985) 60-74.

Portret: 

T. de Rot, uit: F. van der Wal, De oudste vakbond van ons land 1866-1916 (Amsterdam 1916) 53

Auteur: 
H.J. Scheffer
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 4 (1990), p. 178-181
Laatst gewijzigd: 

12-08-2002