RUIJS VAN BEERENBROEK, jonkheer Charles Joseph Maria

Charles Joseph Maria Ruijs van Beerenbroek

secretaris van de Maastrichtse R.K. Volksbond en adviseur R.K. vakorganisaties, is geboren te Roermond op 1 december 1873 en overleden te Utrecht op 17 april 1936. Hij was de zoon van jonkheer Gustave Lodewijk Marie Hubert Ruijs van Beerenbroek, minister van Justitie en gouverneur van Limburg, en jonkvrouw Marie Isabelle Louise Ruys de Beerenbrouck. Op 14 april 1902 trad hij in het huwelijk met Maria Josephina Ernestina Alexandrina Baronesse van der Heijden, met wie hij twee dochters en een zoon kreeg. Familienaam bij vonnis arrondissementsrechtbank te Roermond van 21 maart 1895 gewijzigd in Ruijs de Beerenbrouck.

Het openbare leven van Ruijs de Beerenbrouck was nauw verweven met de ontwikkeling van het rijke roomse sociale organisatieleven en de opgang van de R.K. Staatspartij (RKSP). Als student in Leiden richtte hij met zijn latere tegenstrever P.J.M. Aalberse in 1893 de katholieke studentenvereniging Sanctus Augustinus op. Na zijn rechtenstudie vestigde hij zich in 1896 als advocaat in Maastricht. Zijn katholiek-sociale vorming kreeg hij daar allereerst in de Sint Vincentiusvereniging. J.P. Gribling, de biograaf van Aalberse en de historicus van de R.K. Staatspartij, beschreef Ruijs als de 'aristocraat en geboren regent, die de sociale actie zeer lang zou blijven zien als een vorm van charitas'. De Maastrichtse arbeider R. Nafzger, die met hem te maken kreeg in de R.K. Volksbond en in de politiek, noemde hem een 'vriend en helper van de hogere geestelijkheid'.

Al kort na zijn verhuizing naar Maastricht raakte Ruijs als juridisch adviseur van de plaatselijke vakverenigingen God en ons Recht (aardewerkers) en Recht en Orde (glasblazers) betrokken bij de katholieke arbeidersbeweging. Zo werd hij geconfronteerd met de 'sociale quaestie', die zich in Maastricht openbaarde in de helse levens- en werkomstandigheden van de arbeidersklasse en de onstuimige opkomst van het socialisme. Ruijs werd in 1901 lid van de Klarenbeeksche Club, een informeel discussieforum over kerk en moderne samenleving van merendeels jonge, vooruitstrevende priesters en leken, onder wie A. Ariëns, Gisbert Brom, H.A. Poels, M.A.P.C. Poelhekke, Aalberse en J.F. Vlekke. Ruijs drong zich op basis van zijn positie in Limburg en zijn samenwerking met Poels al snel op de voorgrond van het betrekkelijk kleine groepje 'sociaal-katholieken'. In 1899 werd de R.K. Volksbond in Maastricht zodanig gereorganiseerd, dat de leiding in handen kwam van kerk en burgerij. Ruijs werd secretaris. Later was hij ook bestuurslid van de diocesane Limburgsche R.K. Werkliedenbond. Hij raakte betrokken bij de conflicten over de gewenste organisatievorm van de katholieke arbeidersbeweging, die werden uitgevochten over de hoofden van de katholieke arbeiders heen. Ruijs vertegenwoordigde met Henri Hermans en dr. Henri Poels de zogeheten Limburgse School. De kerngedachte daarvan gaf Ruijs weer in een nota, die hij in 1908 schreef op verzoek van de Limburgse bisschop J.H. Drehmanns. De standsorganisatie, waar de arbeiders gevormd werden onder leiding van de geestelijkheid en de hogere standen, moest de grondslag vormen voor de katholieke arbeidersbeweging. De vakorganisatie, die enge, materiële vakbelangen nastreefde, diende ondergeschikt te zijn. Met het oog op de concurrentieverhouding tot de socialistische vakbeweging was het wel zaak om de vakorganisatie van gelovigen te versterken. Deze kon interconfessioneel (dat wil zeggen christelijk) dan wel zuiver katholiek zijn naar gelang de situatie in een bedrijfstak. De Leidse School- Aalberse en J.D.J. Aengenent - vond de standsorganisatie overbodig. De opvoeding van de katholieke arbeiders in de katholiek-sociale beginselen kon plaats vinden in een strikt katholieke vakbeweging, die via het geestelijk adviseurschap direct onder geestelijke leiding stond. Na felle strijd, die openlijk uitgevochten werd in de katholieke pers en heimelijk achter de kerkelijke schermen tot in het Vaticaan toe, spraken de bisschoppen zich in 1916 in principe uit voor katholieke arbeidersverenigingen. Tegelijk kwamen zij door de bepaling dat R.K. vakbondsleden verplicht lid waren van de standsorganisatie - andersom bestond die verplichting niet - een heel eind tegemoet aan de opvattingen van de Limburgse School. Uitzonderingen waren mogelijk. De bisschop van Roermond liet zich door Ruijs en Nolens daartoe overhalen, waar het ging om de mijnwerkers. Met Poels en Nolens werd Ruijs lid van de raad van adviseurs van de Algemeene Bond van Christelijke Mijnwerkers.

De controverse tussen de Limburgse en Leidse School paste in het patroon van onderlinge tegenstellingen en persoonlijke conflicten, dat de sociaal-katholieken verdeelde. Volgens Gribling lagen hier niet alleen meningsverschillen, maar ook platvloerse motieven als naijver - wie speelt de eerste viool? -en regionaal dan wel diocesaan particularisme aan ten grondslag. Ook standsverschillen speelden een rol. De Klarenbeeksche Club ging tenonder aan onenigheid over de Katholieke Sociale Actie (KSA), waarbij initiatiefnemer Aalberse te maken kreeg met de tegenwerking van de jonkheren Ruijs -voorzitter van de KSA van 1908 tot 1911 - O. van Nispen tot Sevenaer en A.I.M.J. baron van Wijnbergen. Poels, die in dit geval nog aan de kant van Aalberse stond, zei naar aanleiding van het optreden van Ruijs, dat 'op den duur en in 't algemeen de natuur (stand) boven de leer (democratie) gaat' en hij waarschuwde Aalberse, dat de bisschoppen de jonkheren nooit zouden laten vallen. De adellijke Ruijs voelde zich ver verheven boven de middenstandszoon Aalberse en hij beschouwde zichzelf als een natuurlijk leider. Gribling schrijft, dat Ruijs zijn driftig karakter nog redelijk wist in te tornen. Nafzger noemde hem echter 'een energieke drijver, die alles en iedereen die hem niet zinde, in de hoek duwde'. Nolens typeerde hem later als een 'heerszuchtige intrigant'. Toen had Ruijs inmiddels carrière gemaakt in de (katholieke) politiek. Hij werd gemeenteraadslid van Maastricht in 1899 en in 1905 werd hij door het kiesdistrict Gulpen afgevaardigd naar de Tweede Kamer, waar hij de 'democratische' gelederen van de Katholieke Kamerclub kwam versterken. In mei 1918 leek er een einde te komen aan zijn politieke loopbaan vanwege zijn benoeming tot gouverneur van Limburg, als opvolger van zijn vader. Vier maanden later was hij al weer terug in de landelijke politieke arena als de eerste katholieke minister-president van een door Nolens gevormde christelijke coalitieregering. Zijn regering wist het hoofd te bieden aan de naoorlogse revolutionaire woelingen met behulp van een op de katholieke sociale organisaties steunende 'contrarevolutie' en een program van sociale hervormingen - met als voornaamste punt de invoering van de achturige werkdag -dat uitgevoerd werd door Aalberse, die minister van Arbeid was geworden. Na de verkiezingen van 1922, de economie verkeerde inmiddels in een diepe crisis, keerde Ruijs terug met een verdeeld bezuinigingskabinet, dat de sociale verworvenheden van 1918 weer aantastte. In 1925 liet de katholieke fractievoorzitter Nolens weten niet gesteld te zijn op een derde ambtstermijn van Ruijs. In plaats daarvan werd hij gekozen tot voorzitter van de Tweede Kamer. In die hoedanigheid, hij was inmiddels echter ook voorzitter van de RKSP, scheepte hij Nolens een jaar later op met een ongewenst kabinet-D.J. de Geer, door deze attent te maken op de katholieke burgemeester van Heerlen, M.A.M. Waszink, als kandidaat-minister. De slechte verhouding tussen Nolens en zijn 'schildknaap' van 1918 liep uit op een breuk, toen Ruijs in 1929 een formatie-opdracht aanvaardde zonder Nolens te raadplegen en vervolgens in grote haast en zonder enig overleg met de katholieke Kamerfractie een regering formeerde. Bij de presentatie in de Tweede Kamer van het derde kabinet-Ruijs de Beerenbrouck, met naast hem drie katholieke ministers en De Geer op Financiën, verklaarde Nolens, dat de katholieken zich op geen enkele manier aan het extra-parlementaire kabinet gebonden achtten. De economische crisis brak uit. Het derde kabinet Ruijs de Beerenbrouck reageerde met bezuinigingen en loonsverlagingen van overheidspersoneel. Vanuit de arbeidersbeweging klonk het spottend: 'Wie maakt onze centen zoek, dat is Ruijs de Beerenbrouck'.

De eens bevlogen sociaal-katholiek Ruijs was met zijn oude vijand Aalberse terechtgekomen in het kamp van de katholieke conservatieven. Dat was al gebleken in de jaren twintig, toen Ruijs als partijvoorzitter een dam opwierp tegen de door de linkervleugel voorgestane democratisering van de R.K. Staatspartij. Tijdens de politieke crisis van 1935 - Aalberse was sinds 1931 fractie-voorzitter - weigerde de intussen opnieuw tot Kamervoorzitter gekozen Ruijs toe te treden tot een kabinet van RKSP en SDAP, waardoor de formatiepoging van Aalberse mislukte (zie hiertoe ook de BWSA-biografie van Aalberse). Temidden van het intern-katholieke politieke tumult rond de terugkeer van het derde kabinet-H. Colijn en de rol van de katholieke ministers daarin, stierf Ruijs van Beerenbroek in april 1936.

Archief: 

Archief Ch.J.M. Ruijs de Beerenbrouck in het Nationaal Rijksarchief in Den Haag

Literatuur: 

J.A.H. Verhagen, De totstandkoming van het eerste ministerie-Ruys de Beerenbrouck ('s Hertogenbosch 1952); J.P. Gribling, P.J.M. Aalberse 1871-1948 (Utrecht 1961); H.J.H. Schurgers, Charles Ruys (Valkenburg 1973); G. Puchinger in: BWN I, 515-517; J. Perry, Roomsche kinine tegen roode koorts (Amsterdam 1983); H. Wijfjes, Radio onder restrictie (Amsterdam 1988); P.J. Knegtmans, Socialisme en democratie. De SDAP tussen klasse en natie (1929-1939) (Amsterdam 1989); J. Bosmans, Romme. Biografie 1896-1946 (Utrecht 1991); H. Bolk, Ruijs in Maastricht 1896-1905. Het beeld van een sociaal politicus (Utrecht 1992); J. Perry, De voorman. Een biografie van Willem Hubert Vliegen (Amsterdam 1994); J. van Meeuwen, Lijden aan eenheid. Katholieke arbeiders op zoek naar hun politiek recht (1897-1929) (Hilversum 1998); R. Lubbers, Geloof in de samenleving. Christen-democratie in drie generaties: Ruijs, Klompe, Lubbers (Nijmegen 1998);R. Lubbers, Geloof in de samenleving. Christen-democratie in drie generaties: Ruijs, Klompe, Lubbers (Nijmegen 1998); M.J.L.A. Stassen, Charles Ruys de Beerenbrouck. Edelman-staatsman, 1873-1936 (Maastricht 2000); J.P. Stoop, 'Om het volvoeren van een christelijke staatkunde'. De Anti-Revolutionaire Partij in het interbellum (Hilversum 2001); H. te Velde, Stijlen van leiderschap (Amsterdam 2002).

Portret: 

C.J.M. Ruijs van Beerenbroek, uit: G. Puchinger, Colijn en het einde van de coalitie (Kampen 1969) t.o. 160

Handtekening: 

Huwelijksakte van Ruijs de Beerenbroek/Van der Heijden dd 14 april 1902. Arch 50, reg 2575 akte 2; akteplaats Warnsveld. Als bruidegom.

Auteur: 
Jos van Meeuwen
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 2 (1987), p. 132-136
Laatst gewijzigd: 

22-07-2017 (naam en titel echtgenote gecorrigeerd)