RUPPERT Jr., Johan Stephaan

Johan Stephaan Ruppert Jr.

christelijk arbeidersleider, is geboren te Amsterdam op 13 mei 1877 en overleden te Utrecht op 15 oktober 1934. Hij was de zoon van Johan Stephaan Ruppert, timmerman, en Dorothea Spoor. Op 30 maart 1905 trad hij in het huwelijk met Euphemia Margaretha Stam, met wie hij een dochter kreeg. Na haar overlijden op 10 juni 1906 hertrouwde hij op 27 augustus 1908 met Maria Catherina Nijland, met wie hij twee dochters en twee zonen kreeg.

Ruppert groeide op in de Jordaan in Amsterdam, waar een éénkamerwoning aan de Anjeliersstraat zijn geboortehuis was. In kerkelijk opzicht volgde Ruppert zijn moeder, die behoorde tot de rechtzinnige Hersteld Evangelisch Lutherse Kerk. Maatschappelijk trad hij in de voetsporen van zijn vader, die Nederlands-Hervormd was. Na de lagere school werd ook hij timmermansknecht.

De jonge Ruppert raakte bij het lokale vakbondswerk betrokken via de vaktekenschool van Concordia Inter Nos, de neutrale Amsterdamse timmerliedenvereniging die in 1892 opging in de Algemeene Nederlandsche Timmerliedenbond (ANTB). De ANTB sloot zich op zijn beurt aan bij het Nationaal Arbeids-Secretariaat (NAS). Na de grote Amsterdamse timmerliedenstaking van 1898 stelde de bond Ruppert aan als bezoldigd 'looncontroleur'. Hij moest nagaan of de ondernemers de loonafspraken nakwamen. Dit bezorgde hem een plaats op de 'zwarte lijst' in de patroonssociëteit en resulteerde in langdurige werkloosheid toen hij zijn timmermanshamer weer wilde opnemen. Het lidmaatschap van de neutrale timmerliedenbond kon hem uiteindelijk niet bevredigen. De politisering in sociaal-democratische geest stond hem niet aan. Naar eigen zeggen groeide het besef dat hij als christen niet in een socialistische bond thuis hoorde. Ruppert, die behalve zondagsschoolonderwijzer ook voorzitter van de plaatselijke lutherse jongelingsvereniging was, ergerde zich vooral aan het gevloek van medeleden en de hilariteit die zijn kritiek daarop tijdens vergaderingen oogstte. Korte tijd zocht hij daarop zijn toevlucht bij de vakafdeling van timmerlieden van het overwegend gereformeerde Nederlandsch Werkliedenverbond Patrimonium. Maar ook dat beviel hem allerminst. 'Dat was wanhopig,' verklaarde hij later. 'Men zong psalmen op langzame wijze, maar deed verder niets.' Beter voelde hij zich thuis in de kleine vakafdeling van de Christelijke Werkliedenvereeniging 'Maarten Luther' met twintig leden in 1904. Deze lutherse pendant van Patrimonium en de hervormde Christelijk-Nationale Werkmansbond (CNWB) had hij in 1897 - 'toen ik nog rood georganiseerd was' - helpen oprichten. In de jaren 1906 tot 1910 was Ruppert weinig actief op sociaal-organisatorisch gebied. De oorzaak daarvan mag worden gezocht in zijn privéleven. In 1906 werd hij niet alleen getroffen door de dood in het kraambed van zijn eerste vrouw - een hervormde koopmansdochter - maar ook door het overlijden ruim vijf maanden later van hun enig kind, een dochtertje dat hij naar zijn gestorven echtgenote genoemd had. Zijn tweede huwelijk -met een gereformeerde schoenmakersdochter - hergaf hem het nodige evenwicht om zich weer op maatschappelijk terrein te begeven. In 1910 werd Ruppert redacteur van De Bode van de Protestantsch Christelijke Timmerlieden-Vereeniging (PCTV). Deze Amsterdamse vereniging was in 1909 gevormd als reactie op het interconfessionele en centralistische karakter van de Nederlandsche Christelijke Bouwarbeidersbond (NCB) van het CNV. Ruppert werd de spil van de PCTV. Na de nederlaag van het interconfessionalisme in 1912 en het afnemen, ook bij Ruppert zelf, van de weerstanden tegen landelijke organisatie ging de PCTV in 1914 in de NCB op. Ruppert, die zich in de PCTV en als bezoldigd secretaris van de Amsterdamsche Christelijke Besturenbond (sedert 1913) al een bekwaam bestuurder had getoond, maakte bij opeenvolgende bestuurswisselingen in de NCB snel promotie: penningmeester in 1915, secretaris in 1916 en, in hetzelfde jaar nog, voorzitter.

Lang duurde dit voorzitterschap niet. In april 1919 aanvaardde Ruppert de benoeming tot penningmeester van het CNV. In hetzelfde jaar verhuisde hij naar Rotterdam, waar het CNV destijds zetelde. Samen met voorzitter Klaas Kruithof en secretaris Herman Amelink vormde de wat stroeve maar weinig controversiële en nuchter overkomende Ruppert het driemanschap de 'KAR' - dat tot het midden van de jaren dertig de koers van het CNV in belangrijke mate bepaalde. Als verbondspenningmeester leverde Ruppert een belangrijke bijdrage aan de moeizame oprichting in 1927 van de centrale stakingskas. Daarnaast was hij verantwoordelijk voor de vorming van het CNV-vakantiefonds. Zijn hart verpandde hij echter aan het door hem in 1919 opgezette tuberculosefonds Draagt Elkanders Lasten (DEL) en aan Nieuwe Wegen, de stichting voor tbc nazorg. Ook werd hij de eerstverantwoordelijke bestuurder van Edecea, de eigen drukkerij van het CNV. Qualitate qua was hij lid van diverse officiële organen, waaronder de Hooge Raad van Arbeid. Als de deskundige van het CNV op het gebied van sociale verzekeringen maakte hij deel uit van het College van Toezicht op de Rijksverzekeringsbank. Door zijn bestuursfuncties in zowel het CNV als het Nederlandsch Luthersch Werkliedenverbond (NLWV) en ook door zijn gemengde huwelijk was Ruppert een ideale brug tussen het CNV enerzijds en het NLWV, Patrimonium en de CNWB anderzijds. Vooral de laatste twee hadden aanvankelijk grote moeite met de groeiende invloed en het 'imperialisme' van het vakverbond. De totstandkoming in 1921 van de Commissie van Samenwerking van de vier reformatorische werkliedenverenigingen was niet in de laatste plaats Rupperts werk. Met de omvorming van 'zijn' NLWV tot een zuivere bezinningsorganisatie - de nieuwe naam werd Lutherse Bond voor Christelijk-Sociale Actie - gaf hij bovendien een door de CNV leiding gewenst voorbeeld aan Patrimonium en de CNWB. Voor de Commissie van Samenwerking organiseerde Ruppert periodiek christelijk-sociale studieconferenties. In 1914 had hij dit al eens samen met de door hem hooggeachte predikant en oud-minister A.S. Talma gedaan. Voor de meningsvorming in de protestantse arbeidersbeweging waren deze conferenties van groot belang. Met enkele publikaties, onder meer over het stakingsrecht (1920) en tegen de bezuinigingsplannen van de staatscommissie-Welter (1932), droeg hij bij tot de opinievorming in eigen kring. Daarnaast was hij actief in de Protestants-Christelijke Arbeidersinternationale (PCAI), waarvoor hij in 1927 samen met collega Amelink de basis had gelegd.

Aan zijn werkzaamheden in de Sociale beweging en de politiek op latere leeftijd had hij, nadat de Christelijk Historische Unie tevergeefs een beroep op hem had gedaan, voor de Anti-Revolutionaire Partij zitting genomen in de Utrechtse gemeenteraad en de Provinciale Staten van Utrecht kwam een einde toen zich in de loop van 1933 verschijnselen van een ongeneeslijke ziekte openbaarden. De aanvaarding daarvan en het afscheid nemen van de beweging vielen hem zwaar. Tijdens de christelijk-sociale conferentie van september 1933 in Putten, die hij zoals altijd had mee-georganiseerd, trof een collega de anders zo onverstoorbare Ruppert in eenzaamheid wenend op de hei aan. Hij vreesde dat het zijn laatste conferentie was. Dit was inderdaad het geval. Bij de begrafenis, ruim een jaar later, hield minister van Sociale Zaken J.R. Slotemaker de Bruïne de kinderen het voorbeeld van hun actieve vader voor. Dertien jaar later aanvaardde Rupperts jongste zoon Marinus het voorzitterschap van het CNV. In 1961 vernoemde Amsterdam een straat in Osdorp naar Ruppert.

Publicaties: 

Werkstaking, directe actie, verbreking dienst betrekking bij werkstaking en inachtneming van opzegtermijn (Rotterdam 1920); Is Centraal Overleg inzake loonacties gewenscht om daardoor tot meer uniformiteit in te stellen looneischen te komen? (Hoorn 1920); Maatschappijnood en christelijke roeping. Klemmende vraagstukken (Hoorn 1932); Het CNV en het Rapport-Welter (Hoorn 1932).

Literatuur: 

De Standaard, 15.10.1934; H. Amelink, Met ontplooide banieren (Hoorn 1950); 1910-1950. Veertig jaren Luthers Mannenwerk. Ontstaan, ontwikkeling en arbeid van de Nederlandse Bond 'Maarten Luther' (Hoorn 1950); G. Fafié, Friedrich Julius Stahl. Invloeden van zijn leven en werken in Nederland 1847-1880 (Rotterdam 1975) 195-196; J. de Bruijn, P.E. Werkman, Van tuindersknecht tot onderkoning. Biografie van Marinus Ruppert. Deel I: de jaren 1911-1947 (Hilversum 2001).

Portret: 

J.S. Ruppert Jr. uit: 16de Verslag CNV 1 januari 1933 tot 31 december 1934, 1

Auteur: 
Paul E. Werkman
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 3 (1988), p. 182-185
Laatst gewijzigd: 

05-07-2002