SCHAEPMAN, Herman Johan Aloysius Maria

Herman Johan Aloysius Maria Schaepman

(bijnamen: De Doctor, De Rijsenburgse Professor), geestelijk adviseur van de Bond van R.K. Werkliedenvereenigingen in het aartsbisdom Utrecht 1893-1903, is geboren te Tubbergen op 2 maart 1844 en overleden te Rome op 21 januari 1903. Hij was de zoon van Theodorus Everhardus Schaepman, burgemeester van Tubbergen en later handelaar in linnen, en Johanna Francisca la Chapelle.
Pseudoniemen: Corvinus, E.L.C.

Schaepman kreeg zijn priesteropleiding op het seminarie van Culemborg. In 1867 werd hij tot priester gewijd door zijn neef, de latere aartsbisschop mgr. A.I. Schaepman.

Na enkele jaren Rome werd hij in 1870 benoemd tot hoogleraar kerkgeschiedenis aan het grootseminarie Rijsenburg. Tevens werd hij tweede secretaris van het aartsbisdom Utrecht en als zodanig geconfronteerd met de 'sociale quaestie'. Daarnaast manifesteerde Schaepman zich als politiek journalist - hij schreef voor De Tijd, in 1872 was hij enkele maanden lid van de hoofdredactie - en als dichter. Zijn politieke loopbaan begon in de R.K. Kiesvereeniging van Driebergen. In 1880 werd hij in het kiesdistrict Breda gekozen tot lid van de Tweede Kamer. Nadat hij in 1891 verslagen was in het kiesdistrict Wijk bij Duurstede, kreeg hij de Kamerzetel voor Almelo aangeboden. 'Ik wil de Katholieken tot een politieke macht maken in Nederland', kondigde Schaepman aan in zijn maidenspeech tot de volksvertegenwoordiging. Het doel van zijn politieke streven was het breken van de politieke oppermacht van de liberalen en de herkerstening van de samenleving als antwoord op de vraagstukken en gevaren - het socialisme - van de moderne tijd. Als politiek middel zag Schaepman in eerste instantie de vorming van een christen-democratische centrumpartij. Het anti-papisme onder de Nederlandse protestanten en het conservatisme van de katholieke hogere standen maakten zulks onmogelijk. Schaepman zette nu consequent koers naar de permanente politieke samenwerking tussen protestanten en katholieken in de vorm van de 'christelijke coalitie', politiek vertaald: de 'anti-these'. Ook deze weg was slechts moeilijk begaanbaar. De anti-revolutionairen besloten pas rond de eeuwwisseling - na diepgravende theologische debatten - dat het onderscheid tussen geloof en ongeloof wezenlijker was dan het schisma tussen Rome en de Reformatie.

In eigen kring stuitte Schaepman op hardnekkige tegenstand van geloofsgenoten, die de katholieke volksvertegenwoordigers eerder zagen als de kern van een nieuwe, niet-confessionele conservatieve partij. Het merkwaardige gevolg was, dat Schaepman, die in de (katholieke) literatuur geëerd wordt als grondlegger van de katholieke politieke eenheid, in werkelijkheid gedurende bijna zijn gehele politieke leven alleen stond en dat de feitelijke eerste stappen op weg naar katholieke partijvorming juist buiten hem om gingen. Zijn 'Proeve van een Program' voor een katholieke partij uit 1883 werd met brede instemming geattaqueerd door de katholieke Friese landheer en 'volks'vertegenwoordiger J. Verwer. Het initiatief tot de oprichting van de Vereeniging van R.K. Leden der Tweede Kamer - de zogenoemde Katholieke Kamerclub - ging uit van Schaepmans conservatieve opponenten Dr. P.J.F. Vermeulen, W.P.A. Mutsaers en J.H.L. Haffmans. Tijdens het voorzitterschap van laatstgenoemde (1893-1896) weigerde hij zelfs consequent de vergaderingen van de Kamerclub bij te wonen. Ook de oprichting van de Algemeene Bond van R.K. Kiesvereenigingen in 1904 -een eerste bundeling van katholieke kiesorganisaties in 1894 liep stuk op onderlinge tegenstellingen, terwijl in 1904 de Brabantse kiesverenigingen niet mee wilden doen - voltrok zich zonder dat Schaepman in de oprichtingsplannen was gekend. Op het einde van zijn (politieke) leven had Schaepman de hoop op minimale politieke overeenstemming onder de katholieken kennelijk opgegeven en trachtte hij van de nood een deugd te maken door vleugelvorming toe te juichen: 'Immers de partij des behouds heeft noodig de vooruitstrevenden en de vooruitstrevenden behoeven het behoud'. Hoewel de conservatieve katholieken er in hun politiek handelen absoluut geen blijk van gaven zich ervan bewust te zijn dat zij hun vooruitstrevende geloofsgenoten nodig hadden, beloonden zij Schaepman voor zijn inzicht (en resignatie?) door hem in 1901 te kiezen tot voorzitter van de Katholieke Kamerclub. Gezien de feitelijke gang van zaken moeten we met de katholieke partijhistoricus J .P. Gribling concluderen dat het 'een objectief historicus moeilijk zal vallen Schaepman werkelijk als de oprichter van de katholieke partij te zien'. Was hij dan zo verlicht en vooruitstrevend, dat zijn geloofsgenoten hem niet konden volgen? Schaepman was zeker geen democraat uit overtuiging. Aanvankelijk was hij een verklaard tegenstander van algemeen kiesrecht en sociale interventie door de staat. Hij werd, zoals zijn leerling Gisbert Brom het omschreef, 'later democraat uit verstandelijk begrip van de tijdgeest en uit staatkundige berekening'. En dat ging de katholieke elite, die niet zo bij de tijd was, boven de pet.

Het inzicht, dat sociale hervormingen onvermijdelijk en noodzakelijk waren met het oog op de integratie van de (katholieke) arbeidersklasse, ontleende Schaepman vooral aan zijn bemoeienissen met de eerste katholieke werkliedenverenigingen in het aartsbisdom. Zijn voorkeur voor zuivere werkliedenorganisaties bracht hem in conflict met de aartsconservatieve bisschop van Haarlem, C.J.M. Bottemanne, die koos voor het Volksbondmodel: de Organisatie van katholieke werklieden onder directe patronage van de hogere standen. Schaepman kreeg een spreekverbod in het bisdom Haarlem. Zijn devies 'alles voor en door de werkman' moeten we overigens niet al te letterlijk nemen. Schaepman kwam namelijk ook in botsing met zijn eigen volgelingen als A. Ariëns en Brom - ook wel 'Schaepman's zonen' genoemd - die aandrongen op grotere zelfstandigheid op sociaal gebied voor de katholieke werklieden, samenwerking over de grenzen van de bisdommen heen en de oprichting van katholieke vakorganisaties. Dat alles ging de in wezen conservatieve Schaepman veel te ver.

De aanleiding tot de breuk lag in de oprichting van de Klarenbeeksche Club, een informeel discussieforum over kerk en samenleving, dat ontstond tijdens de viering van Brom's koperen priesterfeest in 1901. Schaepman werd niet gevraagd. Dat was natuurlijk tegen het zere been van de autoritaire priester-staatsman, die volgens Gerard Brom, de broer van Gisbert en de biograaf van Ariëns, niet hield van 'machtsvorming buiten zijn bereik'. Hij was een moeilijk man, die scherp tekeer kon gaan tegen zowel mede- als tegenstanders. Ariëns typeerde hem in termen als 'onfeilbaarheidswaan', 'geest van dwingelandij', 'kwaaddenkendheid' en 'prikkelbaarheid, die boosheid werd bij de minste tegenspraak'. De Twent Schaepman had bovendien een uitgesproken afkeer van zuiderlingen, die de katholieke saamhorigheid niet ten goede kwam. Bij zijn dood in 1903 schreef Ariëns aan de verlichte Westbrabantse suikerfabrikant J.F. Vlekke, dat zijn heengaan 'het struikelblok voor de harmonische samenwerking van velen (heeft) weggenomen'.

Archief: 

Archief H.J.A.M. Schaepman in Katholiek Documentatie Centrum (Nijmegen).

Publicaties: 

Eene katholieke partij. Proeve van een program (Utrecht 1883); Menschen en boeken 5 delen (Utrecht 1903).

Literatuur: 

W.J.F. Nuyens in: Eigen Haard, 1888, 449-452; A.M.A.J. Ariëns, Dr. H.J.A.M. Schaepman (Haarlem 1889); F. Netscher, In en om de Tweede Kamer (Amsterdam 1889) 17-23; A.M.J.J. Binnswiertz in: Levensberichten van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde, 1903-1904, 152-155; J. Persyn, Dr. Schaepman 3 delen (Den Haag 1912, 1916, 1927); G. Brom, Schaepman (Haarlem 1936); J. en A. Romein, Erflaters van onze beschaving IV (Amsterdam 1940) 178-208; J. van Wely, Schaepman (Bussum 1952; 19542); L.J. Rogier, N. de Rooy, In vrijheid herboren. Katholiek Nederland 1853-1953 (Den Haag 1953); J. Witlox, Schaepman als staatsman 3 delen (Amsterdam 1960); W. van der Pas, Herman Schaepman (Utrecht z.j.); J.P. Gribling, 'Uit de geschiedenis van de RKSP' in: Politiek Perspectief, november-december 1976, 3-70; J. Hemels, De emancipatie van een dagblad. Geschiedenis van de Volkskrant (Baarn 1981); J.A. Bornewasser, Curiale appreciaties van de priester-politicus Schaepman (Amsterdam 1986); J.A. Bornewasser, De "open" katholiciteit van Paus Leo XIII en zijn "Bisschop in politicis" Schaepman (Tilburg 1986); C. Smal e.a., Dr. H. Schaepman in woord en beeld (Kampen 1986); B. Altena, 'Een broeinest der anarchie'. Arbeiders, arbeidersbeweging en maatschappelijke ontwikkeling. Vlissingen 1875-1929 (1940) (Amsterdam 1989); H. Buiting, Richtingen- en partijstrijd in de SDAP. Het ontstaan van de Sociaal-Democratische Partij in Nederland (SDP) (Amsterdam 1989); B. van Dongen, Revolutie of integratie (Amsterdam 1992); R. van Breukelen, Het Centrum tussen kromstaf en publiek schandaal 1884-1932 (Baarn 1993); H.C. Heering, Socialisten en justitie (Groningen 1994); J. Perry, De voorman. Een biografie van Willem Hubert Vliegen (Amsterdam 1994); F. Ruiter, W. Smulders, Literatuur en moderniteit in Nederland 1840-1990 (Amsterdam 1996); J. van Meeuwen, Lijden aan eenheid. Katholieke arbeiders op zoek naar hun politiek recht (1897-1929) (Hilversum 1998); J. van Zuthem, 'Heelen en halven'. Orthodox-protestantse voormannen en het 'politiek' antipapisme in de periode 1892-1925 (Hilversum 2001); M. Sanders, Het spiegelend venster. Katholieken in de Nederlandse literatuur 1870-1940 (Nijmegen 2002); P. Hagen, Journalisten in Nederland 1850-2000 (Amsterdam 2002) 191-196; H. te Velde, Stijlen van leiderschap (Amsterdam 2002).

Portret: 

H.J.A.M. Schaepman, IISG

Auteur: 
Jos van Meeuwen
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 2 (1987), p. 141-144
Laatst gewijzigd: 

22-07-2017 (voornaam vader gecorrigeerd)