SCHILPEROORT, Anna Barbera

Anna Barbera Schilperoort

(roepnaam: Antje; bekend als Barbara van Meerten-Schilperoort), pleitbezorgster voor goed meisjesonderwijs, is geboren te Voorburg op 3 januari 1778 en overleden te Gouda op 14 februari 1853. Zij was de dochter van Dirk Schilperoort en Adriana Theresia van Brekelencam. Op 6 oktober 1794 trad zij in het huwelijk met Hendrik van Meerten, predikant en na 1815 tevens schoolopziener, met wie zij drie dochters en drie zonen kreeg.
Pseudoniem: M.

Schilperoort was enig kind, al had ze wel een halfbroer uit een eerder huwelijk van haar moeder. Haar schooljaren bracht ze door in Noordwijk-Binnen. Daar bezocht ze het instituut van de dames M.M. du Flos en A.L. Wägeli, waar ze, zo oordeelde ze later, 'oppervlakkig en zeer gebrekkig' onderwijs kreeg. Lezen deed ze veel in die tijd. Ze dweepte met B. Wolff en A. Dekens achtdelige Historie van den heer Willem Leevend (1784-1785) en met Goethe's Das Leiden des jungen Werthers (1774). 'Alles schijnt reeds toen leven en gevoel bij haar te zijn geweest', schreef Van Meertens oudste dochter Cornelia in een necrologie. Toen het gezin enkele jaren later in Zaltbommel woonde, ontmoette Schilperoort de twaalf jaar oudere predikant Hendrik van Meerten, met wie ze in 1794 trouwde. Zo werd ze op zestienjarige leeftijd domineesvrouw in het nabijgelegen Wadenoijen. De Betuwe bleek in deze woelige tijd van revolutie en oorlogen een riskante regio. In januari 1795 trok het Franse leger over de bevroren rivieren Nederland binnen, een spoor van vernielingen achterlatend. De inboedel van de pastorie werd kort en klein geslagen, een beproeving die volgens Cornelia haar moeders latere onverschilligheid voor 'vergankelijke goederen' verklaarde. Haar ervaringen verwerkte Van Meerten-Schilperoort achteraf in de driedelige roman Emilia van Rozenheim (Haarlem 1828). Later dat jaar werd Van Meerten benoemd in het Noord-Hollandse Bedijkte Schermer, in 1798 volgde een beroep naar Gouda. Zijn vrouw had toen net hun eerste kind ter wereld gebracht. De andere vijf kinderen werden in Gouda geboren. De jonge domineese had volgens de Goudse ingezetenen 'zonderlinge' gewoonten. Gestimuleerd door haar man hield ze zich het liefst op een zolderkamertje bezig met lezen, schrijven, en 'verstandsoefeningen', de zorg voor de huishouding overlatend aan haar moeder, die bij het gezin inwoonde. Ze studeerde vooral zo hard omdat ze graag haar eigen kinderen les wilde geven. Zo deed ze haar eerste onderwijservaringen op. Pedagoge en schrijfster werd Van Meerten-Schilperoort onder druk van de omstandigheden. Tijdens de Franse bezetting verminderde het domineestractement en verloor het echtpaar een groot deel van hun spaargeld. Om de financiële zorgen van het gezin te verlichten, ging Van Meerten-Schilperoort rond 1810 een paar leerboekjes voor kinderen schrijven en opende ze een kleine meisjesschool. Het was het begin van een in de eerste helft van de negentiende eeuw voor vrouwen ongekende carrière en produktiviteit. Ze zette hoog in. Samen met haar man, die toen ook schoolopziener was, diende ze in 1816 bij de minister van Binnenlandse Zaken een voorstel in om met overheidssubsidie een kweekschool voor onderwijzeressen op te richten. Had de minister het ambitieuze plan gehonoreerd, dan was Van Meerten-Schilperoort de geschiedenis ingegaan als directrice van de eerste onderwijzeressenopleiding ter wereld. Maar de tijd bleek niet rijp. De minister hield het plan weliswaar bijna twee jaar in beraad, maar zag er uiteindelijk vanaf. Het zou Van Meerten-Schilperoorts enige mislukte initiatief blijken, reden wellicht waarom ze er haar hele leven het stilzwijgen over heeft bewaard. Alles wat ze verder ondernam, was succesvol. Geassisteerd door twee van haar dochters, slaagde ze erin haar meisjesschool na het overlijden van haar man in 1830 uit te laten groeien tot een relatief groot, uitstekend en uitermate duur 'instituut van opvoeding'. Ze verdiende er veel geld door en kreeg nationale bekendheid als pedagoge en pleitbezorgster voor goed meisjesonderwijs. Ze had ook alleen van haar pen kunnen leven. In totaal publiceerde ze ongeveer negentig boeken, de herdrukken niet meegerekend. Ze beoefende uiteenlopende genres: boeken en almanakken voor kinderen (vaak samen met de schoolopziener C.P.E. Robidé van der Aa), schoolboeken, zedelijke en godsdienstige verhandelingen voor adolescenten, adviesboeken voor meisjes en jonge vrouwen, reisverhalen, romans, en historische karakterschetsen. Verder was ze tussen 1821 en 1835 eindredactrice van Penelope, het enige vrouwentijdschrift dat toen in Nederland op de markt was. Tenslotte moet ze honderden artikelen gepubliceerd hebben, al dan niet gesigneerd. Zo schreef ze onder pseudoniem enkele artikelen over seksuele voorlichting, destijds een vrijwel ongekend fenomeen. In alles wat ze schreef, klinkt de pedagoge door. Meisjes en vrouwen vormden haar belangrijkste doelgroep. Zij hield hen het dominante vrouwbeeld van haar tijd voor: bescheiden en opofferingsgezind, verstandig en ontwikkeld (maar vooral niet geleerd), liefdevol en volledig toegewijd aan man en kinderen, loyaal aan de Nederlandse natiestaat. Controversiëler was haar boodschap dat de zorgfunctie van vrouwen niet ophield bij de voordeur. Juist vrouwen, zo leerde ze, hadden een belangrijke verantwoordelijkheid voor het lenigen van sociale noden. Zelf gaf ze het goede voorbeeld. Ze hielp armen en zieken met geld en goede raad, stimuleerde jonge vrouwen in haar omgeving om zich met sociale zorg bezig te houden, ijverde voor spaarbanken voor de armen, en raakte nog vlak voor haar dood betrokken bij de drankbestrijding. Sommige van haar activiteiten deden in het begin veel stof opwaaien, omdat ze niet passend heetten voor een vrouw. Dat gold met name haar gevangeniswerk. Alle kritiek tartend, waagde ze zich in 1832 als eerste vrouw van Nederland samen met een vriendin in de Goudse gevangenis, waar veroordeelde vrouwen onder erbarmelijke omstandigheden hun straf uitzaten. Ze bemoedigde de gevangenen, las hen voor uit godsdienstige en zedelijke boeken, en leerde hen de bijbel lezen. Ook probeerde ze de gevangenisautoriteiten ervan te overtuigen dat de leefomstandigheden verbeterd moesten worden. Door haar gevangeniswerk kwam Van Meerten-Schilperoort in aanraking met de Engelse Quaker Elisabeth Fry en met de Réveildominee O.G. Heldring, die beiden in de jaren veertig de Goudse gevangenis bezochten. Toch ontleende Van Meerten-Schilperoort, hoewel diep gelovig, haar streven niet aan het gedachtengoed van het Réveil. Haar opvattingen vertonen eerder verwantschap met de christelijke verlichtingsdenkbeelden van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. Zij verwachtte meer heil van opvoeden dan van bekeren. 'Mensch! Help u zelf en God zal u helpen', zo luidde haar credo. Haar belangrijkste partner in de filantropie was de zakenman W.H. Suringar, een prominent vertegenwoordiger van het Nut, die zich onder meer intensief met de zorg voor gevangenen bezighield. Hij deelde ook haar opvatting dat juist voor vrouwen in de sociale zorg een belangrijke taak was weggelegd. Zo riep hij in 1841 de vrouwenvereniging Hulpbetoon aan Eerlijke en Vlijtige Armoede in het leven, waarvan Van Meerten-Schilperoort vier jaar later de Goudse afdeling oprichtte. Afgezien van haar filantropie heeft Van Meerten-Schilperoort zichzelf nauwelijks gehouden aan het rolmodel dat ze haar lezeressen en pupillen voorhield. Het huishouden liet haar onverschillig, zo valt te lezen in een necrologie van de Goudse dominee J.H. de Ridder. Ook als moeder is ze misschien wel tekort geschoten. Cornelia van Meerten schreef in bedekte termen dat haar moeder geen vertrouwelijke band met haar kinderen had. Van Meerten-Schilperoorts prioriteit lag bij haar werk, waarvoor ze bijna letterlijk dag en nacht in de weer was. Omdat vrijwel alles wat ze schreef, spoorde met de dominante normen, vonden de tijdgenoten haar afwijkende gedrag niet verontrustend. Ze definieerden het als een uitzondering op de regel, die geen kwaad kon. Na haar dood eerden ze haar met het epitheton 'vriendin van armen, gevangenen en zieken' en richtten een momument voor haar op in de St. Janskerk in Gouda. Latere generaties beschouwden haar als pionier van de Nederlandse vrouwenbeweging. In de historiografie van het feminisme staat zij te boek als pleitbezorgster voor goed meisjesonderwijs (met relatief veel nadruk op natuurwetenschappen) en als wegbereidster van sociaal werk als professioneel vrouwenberoep. Bovendien is er oog voor interne contradicties in haar biografie, blijkend uit haar ambitie en haar succesvolle ondernemerschap, alsook uit enkele signalen die doen vermoeden dat zij minder loyaal stond tegenover het dominante vrouwbeeld dan zij voorgaf te doen. Als schrijfster echter verdween haar roem als sneeuw voor de zon. Een plekje in de literaire canon heeft Van Meerten-Schilperoort tot nu toe niet gekregen.

Archief: 

Collectie A.B. van Meerten-Schilperoort in Streekarchief Hollands Midden (Gouda; vgl. B. van Selm e.a., Voorlopige catalogus van de collectie Van Meerten-Schilperoort, 1990).

Publicaties: 

Leer- en leesboek over de eerste beginselen der noodzakelijke wetenschappen. Aanleiding tot de kennis der Nederlandsche taal (Leiden 1811); Spel der natuurlijke historie, tot nut en vermaak der jeugd. 2 delen (Rotterdam 1816, 1818); Gids voor jonge lieden van beschaafden stand' tot regeling van hun gedrag bij hunne eerste intrede in de wereld, zoowel als in hunne huisselijke betrekkingen (Amsterdam 1821); Reis door het koninkrijk der Nederlanden en het groothertogdom Luxemburg voor jonge lieden. 5 delen (Amsterdam 1822-1829); Raadgevingen aan jonge lieden bij het verlaten van de scholen of weeshuizen en hunne intrede in de wereld (Leeuwarden 1823); Fabelkunde voor jonge lieden (Amsterdam 1825); Gumal en Lina of het vermogen van het christendom (Amsterdam 1829); Magazijn voor jonge juffrouwen of aankomende meisjes. I en II (Breda 1829); Godsdienstige voorlezingen voor jonge lieden ter voorbereiding tot het afleggen hunner christelijke geloofsbelijdenis (Amsterdam 1830); Proeve van natuurkunde voor meisjes (Leiden 1831); Magazijn voor volwassen meisjes, jonge vrouwen en moeders. I en II (Breda 1833); Zelfopoffering van den Nederlandse zeeheld J.C.J. van Speijk, benevens eene schets van zijn leven, voor vaderlandsche zonen en dochteren (Amsterdam 1832); De onlusten in België, beschouwd in derzelver aanleiding, tegen- en voortgang. Een leesboek voor oud-Nederlandsche zonen en dochteren (Haarlem 1834); Tafereelen uit den bruidstaat en het huwelijksleven van jonge bruiden, vrouwen en moeders (Amsterdam 1834); Kinderbijbel. Of bijbelsche verhalen voor jonge kinderen, bij het zien van bijbelprenten aan 's moeders schoot. 5 delen (Amsterdam 1836); Almanak voor dienstboden (Schoonhoven 1839); (met C.P.E. Robidé van der Aa) Bloempjes voor de Nederlandsche jeugd (Gouda 1839); Toespr. aan eenige jeugdige vrouwelijke lidmaten, bij het afleggen harer belijdenis en hare eerste toenadering tot het avondmaal (Schoonhoven 1841); De kleine Parijzer Robinson. Een verhaal voor de jeugd (Dordrecht 1842; vertaling); Het gedachtenismaal des Heeren. Avondmaals-lectuur voor eenvoudigen in verschillende omstandigheden des levens (Gouda 1847); Mara, woorden van troost in verschillende treurkamers (Amsterdam 1850); Jacob Cats, de gids en troost, inzonderheid der ouden van dagen. Eene bloemlezing uit zijne belangrijkste werken (Gouda 1851); Een vriendelijk woord van raad, troost en opbeuring voor mijne arme medemenschen (Montfoort 1853); overzicht van publikaties in: A. Schmidt (1996) 95-9; overzicht van recensies van tijdgenoten in: N. Berends (1996) 51-3.

Literatuur: 

C.C. van Meerten, 'Iets over mevr. van Meerten geb. Schilperoort vooral over hare laatste dagen medegedeeld aan hare vriendinnen, door hare oudste dochter' in: P.N. van Kampen, De geschiedenis der apostelen voor meer gevorderde lieden bewerkt door M. de wed. A.B. van Meerten-Schilperoort (Amsterdam 1853) iii-xi; J.H. de Ridder, De weduwe A.B. van Meerten-Schilperoort herdacht (Schoonhoven 1853); H.L.W. La Lau, Dichterlijke hulde toegebracht aan de nagedachtenis van wijlen Mevrouw Anna Barbara van Meerten, geb. Schilperoort. Ten voordeele van de Vereeniging Hulpbetoon aan eerlijke en vlijtige armoede te Gouda (Gouda 1853); H.P. Hogeweg-de Haart, Anna Barbara Van Meerten-Schilperoort (Amsterdam 1956); J. Schouten, 'Mevrouw Anna van Meerten-Schilperoort (1779-1853). Kindervriendin en vriendin van armen en gevangenen' in: Wie waren zij? Een reeks van Goudse mannen en vrouwen die men niet mag vergeten (Alphen aan den Rijn 1980) 151-9; A. Schmidt, Leerares van het goede. Antje van Meerten-Schilperoort 1778-1853 (doctoraalscriptie economische en sociale geschiedenis Universiteit van Amsterdam 1996); N. Berends, Een vrouw op de kaatsbaan. Een onderzoek naar het schrijverschap van Anna Barbara van Meerten-Schilperoort (doctoraalscriptie Universiteit Utrecht 1996, aanwezig in Streekarchief Hollands Midden, Gouda); M. van Essen, 'De schoolopziener en zijn pedagoge. Over Barbara van Meertens vroeg-negentiende-eeuwse blauwdruk voor een onderwijzeressenopleiding' in: Historica, 1997, nr. 1, 3-5; A.J. Gelderblom, 'Schrijvende leidsvrouw en kindervriendin: Anna Barbara van Meerten-Schilperoort (1778-1853)' in: Nederlandse Letterkunde, 1997, nr. 1, 29-44; R. Schenkeveld-van der Dussen, Met en zonder lauwerkrans. Schrijvende vrouwen uit de vroegmoderne tijd 1550-1850: van Anna Bijns tot Elise van Calcar (Amsterdam 1997) 784-93; F. Huiskamp, 'Een portret van Anna Barbara van Meerten, geb. Schilperoort (1778-1853)' in: Kinderboeken als levend cultuurbezit (Rotterdam 1997) 65-70; M. Bosch, 'Kies exact! in historisch perspectief. Veranderende visies op meisjesonderwijs en de exacte vakken, 1659-1880' in: Gewina. Tijdschrift voor de Geschiedenis der Geneeskunde, Natuurwetenschappen, Wiskunde en Techniek, 20, 1997, 184-210; A. van Drenth, F. de Haan, The rise of aring power. Elisabeth Fry and Josephine Butler in Britain and The Netherlands (Amsterdam 1999); M. van Essen, 'Anna Barbara van Meerten Schilperoort: feminist pioneer?' in: Revue Belge de Philologie et d'Histoire, 77, 1999, 382-401.

Portret: 

Anna Barbera Schilperoort, Catalogus Rijksmuseum Amsterdam

Auteur: 
Mineke van Essen
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 8 (2001), p. 237-241
Laatst gewijzigd: 

05-02-2003