SCHMIDT, Petrus Johannes

Petrus Johannes Schmidt

(roepnaam: Piet), voorzitter van de OSP en de RSAP en medegrondlegger van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, is geboren te Arnhem op 23 november 1896 en overleden te New York op 2 december 1952. Hij was de zoon van Hendricus Fredericus Schmidt, kelner, en Frederika Sophia van Katen. Op 25 april 1918 trad hij in het huwelijk met Ardina Helena Moll, met wie hij een zoon kreeg. Dit huwelijk werd ontbonden op 22 mei 1924. Op 30 juli 1924 hertrouwde hij met Jessie Louise Smyth, met wie hij een dochter kreeg. Dit huwelijk werd ontbonden op 14 december 1933. Op 25 april 1940 hertrouwde hij met Elisabeth van Halm. Dit huwelijk werd ontbonden op 23 februari 1945. Op 12 oktober 1945 hertrouwde hij met Catharina Johanna Paardenkooper, secretaresse, met wie hij een dochter en een zoon kreeg.
Pseudoniemen: Floris, Tacitus.

Na de middelbare school in Arnhem studeerde Schmidt viool en werkte als jongste bediende op handelskantoren. Van 1914 tot 1919 werkte hij als secretarieambtenaar, maar dit bevredigde hem niet. Hij ging staatsrecht studeren aan de universiteit van Utrecht en bekwaamde zich aan de universiteit van Londen in de journalistiek en zocht het avontuur. In 1918 trouwde hij en in 1919 begon zijn internationale loopbaan als commies-redacteur op het Departement van Landbouw te Buitenzorg in Nederlands-Indië en vervolgens te Bangkok als kanselier van de Nederlandse legatie. Daarna werd hij buitenlandredacteur van de Indische krant voor Soerabaya en Batavia en reisde hij als correspondent voor Nederlandse en Nederlands-Indische dagbladen door China, Japan, Canada, Oostenrijk en Engeland, waar hij zich in Londen als journalist vestigde en vertaalwerk deed. Hij raakte verliefd en hertrouwde binnen anderhalve week na scheiding van zijn eerste vrouw. Hij was onder de indruk van de linkervleugel binnen de Britse arbeidersbeweging, de Independent Labour Party (ILP), die pacifistisch was en de onafhankelijkheid van de koloniën bepleitte. In de ILP deed Schmidt zijn eerste politieke ervaringen op. Hij bewonderde de publicist H.N. Brailsford, die gezien werd als voorstander van samenwerking tussen socialisten en communisten en die het oprichten van een internationale Volkenbond voorstond. Schmidt interpreteerde zijn internationale en koloniale ervaringen nu vanuit de links-socialistische standpunten, die hij zich in Engeland eigen maakte. Zijn hele leven zou hij internationaal georiënteerd blijven en bovendien het Esperanto een warm hart toedragen. Terug in Nederland werkte hij van september 1924 tot 1928 als chef van het Documentatiebureau van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV). Hij werd actief in de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) en had contact met de Socialistische Arbeiders Internationale. Ook was hij betrokken bij de Nederlandse Arbeiders Sport Bond. Met NVV-voorzitter R. Stenhuis was hij geporteerd voor het Engelse model van de Labour Party en hij schreef daarom eerst in Het Volk en later als brochure Een arbeiderspartij voor Holland! (Amsterdam 1925). Hij sloot zich aan bij de linkse Amsterdamse SDAP-ers, die de Socialistenclub oprichtten en samenwerking met de communisten propageerden. In december 1924 werd Schmidt voorzitter van de sectie Holland van de Liga tegen Imperialisme en Koloniale Onderdrukking. In de Liga werkte hij samen met communisten, die daarin een sterke invloed uitoefenden. Met H. Roland Holst, die zeer op Schmidt gesteld was, en E. Fimmen richtte hij Recht en Vrijheid op, het tweewekelijkse blad van de Nederlandse sectie van de Liga, dat vanaf september 1927 verscheen en door geldgebrek in 1928 werd opgeheven. Het blad voerde fel campagne voor de onafhankelijkheid van Indonesië. Door Schmidts actieve rol in de Liga en zijn lidmaatschap van de communistisch georiënteerde Internationale Arbeidershulp dreigde de SDAP-leiding met sancties. W. Drees beschouwde hem toen als communist. In het linkse oppositieblad Eenheid, dat eerder in februari 1926 onder redactie van Fimmen en Schmidt verscheen, propageerde Schmidt samenwerking tussen socialisten en communisten in de strijd tegen het opkomende fascisme, alsmede een samengaan van het NVV en het Nationaal Arbeids-Secretariaat. Teleurgesteld over de afwijzende houding van SDAP en NVV trok Schmidt zich precies een jaar later uit de redactie terug. Hij schreef er nog wel voor en nam ook de redactie waar wanneer Fimmen naar het buitenland ging. Toen het SDAP-congres van april 1928 het lidmaatschap van de Liga en deelname aan de bijeenkomsten rond Eenheid veroordeelde, was Schmidt, die zich fel op het congres had verweerd, van plan de partij te verlaten. Hij zwichtte echter voor de druk, die op hem werd uitgeoefend, stapte uit de Liga en verliet Eenheid. Schmidt ontpopte zich daarop als stuwer van de linkervleugel van een jongere generatie binnen de partij. Hij werd eindredacteur van het oppositieblad De Socialist, dat vanaf oktober 1928 verscheen en waarvan de redactievergaderingen bij hem thuis werden gehouden. In het blad pleitte hij voor ontwapening en de onmiddellijke onafhankelijkheid van Indonesië en besprak hij de Britse politiek vanuit ILP-standpunt. Volgens Schmidt, die zijn hele leven het kolonialisme zou bestrijden, was het kapitalisme afhankelijk geworden van de uitbuiting van de koloniën en zou dit door onafhankelijkheid van de koloniën een gevoelige nederlaag lijden. Het SDAP-congres van 1930 waardeerde zijn oppositionele geluid door hem in het partijbestuur te kiezen en een jaar later te herkiezen. H. Polak opende onmiddellijk een felle, sarcastische aanval op Schmidts verkiezing, maar de partijleiding beoogde met diens verkiezing de oppositie in te palmen. Schmidt voelde zich in het bestuur geïsoleerd, onder meer in zijn strijd tegen de radiocensuur. Al zijn voorstellen strandden en de toon die hij in De Socialist aansloeg, werd feller. In 1931 verbood de SDAP de bijeenkomsten van de linkervleugel. De Socialist werd opgeheven en in oktober vervangen door De Sociaal-Democraat. Schmidt kreeg een plaats in de pluriforme redactie maar had hierin minder invloed. Mede vanwege zijn nauwe contacten met de leiding van de ILP duurden de moeilijkheden met het partijbestuur voort. Toen hij in een VARA-radiotoespraak in november 1931 wilde uitspreken dat de Duitse arbeidersklasse in de strijd tegen Adolf Hitler kon rekenen op steun van haar 'machtigste bondgenoot' de Sovjet-Unie, steunde het partijbestuur het censureren door de Omroepraad van de Vereniging van Arbeiders Radio Amateurs van deze 'volkomen onnodige vriendelijkheden jegens de communisten'. Vervolgens weigerde de redactie van De Sociaal-Democraat een artikel van Schmidt, waarin hij de aarzelende houding van het NVV bij de 'wilde' Twentse textielstaking van november 1931 hekelde. Op 5 december trok Schmidt zich uit de redactie van het blad en het partijbestuur terug. Binnen een maand, vanaf 1 januari 1932, verscheen onder redactie van Schmidt, F. van der Goes en even later ook J. de Kadt het nieuwe blad De Fakkel en er kwamen bijeenkomsten voor geestverwanten. Op het SDAP-congres van maart 1932 werden de opposanten rond Schmidt beticht van het introduceren van communistische methoden in de SDAP en daarvoor gekapitteld. Schmidt, die royement wilde voorkomen, deelde daarop per brief mede uit de SDAP te stappen.

Schmidt was zeer verbitterd over de gang van zaken en nam dezelfde dag mede het initiatief tot de oprichting van de Onafhankelijke Socialistische Partij (OSP), die in de door hem voorgestelde naam verwantschap met de ILP uitdrukte. De Fakkel werd het partijorgaan. Schmidt, die hiervoor de hoofdartikelen schreef, werd betaald secretaris en propagandist. Hij was vaardig en fel met de pen en had een groot redenaarstalent. Hij hield meeslepende redevoeringen onder het aan Brailsford ontleende motto 'Socialisme - Nu!' en populariseerde graag. Schmidt, die spontaan en emotioneel was, hanteerde een weelderige beeldspraak, maar raakte er nooit in verstrikt. Hij probeerde de vakbondsjongeren aan te spreken en bleek met zijn charmante uitstraling in zijn 'sportief gesneden Engels pak' een streepje voor te hebben bij de vrouwelijke aanhang. Hij had 'iets van een propaganda-artiest, maar ook van een bohémien , die zijn levensvreugde niets te kort wilde doen', aldus S. Tas. In augustus 1932 volgde Schmidt Fimmen op als voorzitter van de OSP. De partij keerde zich fel tegen het opkomende fascisme. Jonge OSP-ers van de Socialistische Arbeidersweer, waarvan Schmidt een periode voorzitter was, namen Schmidts oproep om het fascisme neer te slaan soms letterlijk, wat in 1933 tot vechtpartijen met nationaal-socialisten leidde. Schmidt noemde de SDAP en de Communistische Partij in Nederland (CPN), die zich van deze praktijken distantieerden, laf. Anders dan deze stond hij bewapening van zijn sportgroep, annex ordedienst voor. Schmidt was voorzitter van de Onafhankelijke Socialistische Radio-Omroep (OSRO), die de OSP in november 1932 oprichtte. Deze kreeg echter geen zendmachtiging en werd daarom na een jaar opgeheven. Voor de Kamerverkiezingen van april 1933 voerde Schmidt de lijst van de OSP aan. De teleurstellende uitslag schokte hem. Toen de geestdriftige Schmidt in maart 1933 in Sliedrecht de arbeiders had opgeroepen in geval van mobilisatie de wapens te richten op de bourgeoisie, die het bevel tot oorlog had gegeven, werd hij gevangen gezet wegens opruiing. In hoger beroep werd hij tot twee maanden gevangenisstraf veroordeeld, die hij van 20 november 1933 tot 20 januari 1934 uitzat. Toen hij vrijkwam, juichten ruim tweeduizend mensen hem toe, maar zijn tweede echtgenote nam voorgoed afscheid. In maart 1934 werd zijn huis zonder resultaat doorzocht op wapens. Wel werd een oude Chinese krant in beslag genomen. Voor de OSP was Schmidt ook internationaal actief. In mei 1932 woonde hij een conferentie van links-socialistische partijen bij in Berlijn, waar tot samenwerking werd besloten in een Internationale Arbeiders Gemeenschap (IAG), later Internationaal Bureau der Links-Socialistische Partijen genoemd. Het secretariaat zetelde in Londen en werd 'Londens Buro' genoemd. Toen Schmidt in januari 1934 secretaris werd, was sprake van het 'Amsterdams Buro'. De IAG organiseerde in augustus 1933 een groot congres te Parijs voor alle niet bij de Tweede (sociaal-democratische) en Derde (communistische) Internationales aangesloten linkse partijen. Schmidt en De Kadt vertegenwoordigden er de OSP, H. Sneevliet de Revolutionair Socialistische Partij (RSP). Schmidt en Sneevliet maakten deel uit van de vier ondertekenaren van de verklaring voor de oprichting van een Vierde Internationale, maar de meerderheid wilde zich voorlopig tot gezamenlijke congressen beperken. Tijdens de conferentie hadden Schmidt en De Kadt een onderhoud met L. Trotski, waarvan beiden zeer onder de indruk waren. Zij noemden zich 'engere geestverwanten van den grootsten revolutionair'. Een maand eerder hadden ze Trotski uitgenodigd om in Soesterberg tijdens de 'socialistische vacantie-scholingsweek te spreken', maar de minister van Justitie weigerde hem tot Nederland toe te laten. De eensgezindheid van OSP en RSP op het internationale congres zette fusiebesprekingen in gang, die met vallen en opstaan gepaard gingen. In oktober 1933 traden Schmidt en De Kadt in verband met de fusieplannen tot de redactie van De Nieuwe Weg toe. Schmidt bleef streven naar een Vierde Internationale en nodigde opnieuw de linkse partijen, waaronder trotskistische groepen, namens het Amsterdams Buro uit voor een conferentie in februari 1935 te Parijs. De trotskisten kwamen echter niet waardoor de oprichting van de Vierde Internationale opnieuw mislukte. De Nederlandse delegatie stond alleen en Trotski schreef Schmidt dat hij het proclameren van de Vierde Internationale te vroeg vond. Veel OSP-ers hadden grote moeite met Schmidts inzet voor de oprichting van een Vierde Internationale. Toen de Nederlandse regering in 1934 besloot de steunuitkeringen te verlagen, braken op 4 juli rellen uit in de Amsterdamse Jordaan, waarbij een jonge OSP-er het leven liet. Overmand door revolutionair sentiment toog Schmidt zelf naar de Jordaan en riep in De Fakkel op het spontane verzet over het hele land te verbreiden. Hij kwam daarmee tegenover de matigend optredende De Kadt te staan, die de partij de rug toekeerde. De OSP werd in verband met de rellen gebracht en Schmidt, die weigerde onder te duiken, meldde zich op 18 juli bij de politie. Hij werd wegens zijn oproep kort gevangen gezet en verscheen op 7 september voor de Rechtbank te Amsterdam en op 27 november in hoger beroep voor het Gerechtshof. Hij werd schuldig geacht aan opruiing en veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf. In de gevangenis werd hij overstelpt met sympathiserende brieven, maar De Kadt opende de aanval op hem en typeerde Schmidt als oppervlakkige, demagogische 'malle kwast' met wilde ideeën. Vanuit de gevangenis diende Schmidt in De Fakkel De Kadt van repliek. Het zou tussen hun beiden nooit meer goed komen. In december 1934 verliet Schmidt na drie maanden het Huis van Bewaring te Amsterdam en trof een ernstig verzwakte OSP aan. Hij zette zich in voor de fusie van OSP en RSP. Deze kreeg op 3 maart 1935 zijn beslag in de Revolutionair Socialistische Arbeiders Partij (RSAP). Schmidt werd voorzitter van deze nieuwe partij. Het partijorgaan werd De Nieuwe Fakkel, waarvan Schmidt betaald redacteur was. De partij kon de salariskosten al snel niet meer dragen en Schmidt werd daarom met goedkeuring van het partijbestuur medewerker en later hoofdredacteur van het zondagsblad Cetem, dat vooral sportuitslagen publiceerde naast wat ander nieuws. Ook werd hij redacteur van het nieuwe RSAP-maandblad De Internationale, dat begin 1936 werd voortgezet als De Rode October. Al in april 1935 werd Schmidt met Sneevliet voor de RSAP in de Provinciale Staten van Noord-Holland gekozen. In hetzelfde jaar maakte hij zijn opwachting in de gemeenteraad van Amsterdam. Schmidt ging gebukt onder de talrijke en hevige conflicten in de partij, die daardoor afbrokkelde. Het links-socialisme bood steeds minder perspectief. Bovendien begon Schmidt zich thuis te voelen in de gemeentelijke en provinciale 'parlementaire' politiek. De stalinistische terreur en terechtstellingen deden voor hem de deur naar het links-socialisme dicht. Op 30 augustus 1936 trok hij zich als voorzitter uit de RSAP terug. In zijn brochure Democratie of dictatuur? (Amsterdam 1936) verklaarde hij dat de strijd voor democratie en mensenrechten boven alles ging. Hij plaatste J. Stalin met Hitler op één lijn. In september 1936 werd hij uit de RSAP geroyeerd.

Schmidt stapte uit de gemeenteraad en de Provinciale Staten en keerde in de gelederen van de SDAP terug. Hij was actief in de partij en werd in 1939 lid van het bestuur van de Federatie Amsterdam. In dat jaar keerde hij als SDAP-er terug in de gemeenteraad van Amsterdam. Gemeenteraadslid bleef hij tot 1941, toen de raad op last van de Duitse Rijkscommissaris werd ontbonden. In oktober 1939 had Schmidt in de raad fel uitgehaald naar de CPN vanwege het Molotov-Ribbentrop Pact, maar een maand later ondersteunde hij de communistische kritiek op het gebrek aan luchtbescherming voor de Amsterdamse bevolking. In december noemde Het Volksdagblad de 'ophitsende taal' van Schmidt de oorzaak van de steen die door de winkelruit van een communistische boekhandel was gegooid als protest tegen de inval van het Rode Leger in Finland. Schmidt, die zich nogal eens door zijn temperament liet meeslepen, maakte de CPN-raadsleden uit voor 'bandieten'. De oorlog bracht Schmidt bij de Nederlandsche Unie, waarin hij als leidinggevende van de sociaal-economische afdeling in september 1941 tegenover de katholieke voorman C.P.M. Romme pleitte voor na-oorlogse verhoudingen met één arbeidersorganisatie. Hierdoor zouden zowel de verzuiling als het onderscheid tussen partij en vakorganisatie verdwijnen. Schmidt speelde een actieve rol in het ontwikkelen van een netwerk voor voorlichting van de Unie, waarbij hij gebruik maakte van zijn contacten met oud-NVV-ers. Toen de driehoofdige leiding van de Unie in de zomer van 1942 werd gegijzeld, maakte Schmidt deel uit van de groep, die de Unie bij elkaar wilde houden. Nadat de Sicherheitspolizei in augustus 1944 het hoofdkwartier van Je Maintiendrai, het illegale blad dat uit de kringen van de Unie was voortgekomen, in Utrecht had ontdekt en twee redacteuren liet fusilleren, namen Schmidt en G. Ruygers de organisatorische en redactionele leiding van het blad op zich. Zij legden een ander politiek accent en gebruikten de term 'personalistisch socialisme'. Zij verplaatsten de leiding naar Amsterdam. Omdat het contact met de drukker door de spoorwegstaking verloren ging, besloten zij het blad in de vorm van 'berichtenbladen' voort te zetten. De Contactcommissie der Illegaliteit onder voorzitterschap van Drees benaderde Schmidt in de herfst van 1944 met het verzoek zitting te nemen in de Indische Commissie, die zich moest buigen over de na-oorlogse verhoudingen met Indonesië. Schmidt stelde dat de koloniale overheersing definitief was afgelopen en dat er een vrijwillige samenwerking tussen Nederland en Indonesië moest komen. Om technische moeilijkheden te overwinnen verscheen Je Maintiendrai tussen oktober en december 1944 in een gezamenlijke uitgave met het katholieke verzetsblad Christofoor. Schmidt liet eveneens het illegale blad Ons Gemeenebest verschijnen. Door de Dolle Dinsdag-gebeurtenissen bleef het bij één nummer, waarin hij een actieve deelname van Nederland aan de opbouw van een internationale rechtsorde en aan de bevrijding van Indonesië bepleitte. Deze tekst gebruikte hij later als eerste hoofdstuk in zijn boek Buitenlandse politiek van Nederland (Leiden 1945), dat hij in de winter van 1944-1945 schreef. De koerierster 'Rina' bracht het manuscript per koerierdienst voor commentaar naar W. Schermerhorn, H. Brugmans en Ruygers. Door de innige band met zijn koerierster strandde zijn derde huwelijk en trouwde hij na de oorlog in Londen met haar. In Je Maintiendrai bepleitte Schmidt de 'doorbraakgedachte'. Hij wilde geen terugkeer van de oude partijen, maar een progressieve volkspartij. Samen met Brugmans had hij onmiddellijk na de bevrijding van het Zuiden van Nederland - toen de bisschoppen nog niet hadden gesproken - de organisatie van de Nederlandse Volksbeweging van de grond willen tillen. Hiervan hing volgens hem het welslagen van de 'doorbraak' af. Maar de meerderheid van de centrale groep van de nog op te richten Volksbeweging was tegen. Half mei 1945 verscheen in het bevrijdingsnummer van Je Maintiendrai het 'Manifest van de Nederlandse Volksbeweging', dat Schmidt mede had ondertekend. Zijn gedreven inzet voor deze beweging was van korte duur, want het kabinet Schermerhorn-Drees benoemde hem direct na de oorlog tot vertegenwoordiger van de Nederlandse regering om mee te werken aan de voorbereiding van de eerste vergadering van de Verenigde Naties (VN) in Londen in januari 1946. Schmidt werd lid van de Partij van de Arbeid. In New York begon hij als adviseur van de Nederlandse delegatie en werd hij directeur van de Afdeling voor de Rechten van de Mens van de VN. Het hoogtepunt in Schmidts carrière was zijn actieve deelname vanaf 1946 aan de kleine internationale groep, die de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, die in december 1948 tot stand kwam, voorbereidde. Schmidt werkte hard voor de jonge VN en voelde zich hier helemaal op zijn plaats. Van 1946 tot 1951 was hij chef van de Europese sectie van de Veiligheidsraad. In 1948 was hij secretaris en adviseur van de Korea-commissie van de VN en in 1950 leidde hij de VN-missie, die rapport uitbracht over Eritrea. Daarnaast was hij secretaris van de Ontwapeningscommissie van de VN, die onder directe verantwoordelijkheid van de Veiligheidsraad voorstellen voor wapenreductie formuleerde. In Nederland was Schmidt overigens nog niet vergeten, want toen Het Parool een nieuwe hoofdredacteur zocht, figureerde hij op het kandidatenlijstje. Begin 1952 kreeg Schmidt de hoge functie van directeur van de afdeling Ontwapeningszaken, behorend bij de Veiligheidsraad. Zijn laatste buitenlandse missie betrof de kwestie Kasjmir. Ofschoon hij hier formeel assistent was, voerde Schmidt de besprekingen in India en Pakistan. Op 56-jarige leeftijd werd een hartaanval hem noodlottig. De secretaris-generaal van de VN, Trygve Lie, herdacht Schmidt als 'een uiterst toegewijd en hoog gewaardeerd lid van het Secretariaat'. Schmidts stoffelijk overschot werd op 9 juni 1953 bijgezet in het Columbarium te Driehuis-Westerveld. Het stoffelijk overschot is later overgebracht naar Amsterdam.

Archief: 

Archief P.J. Schmidt in: Nationaal Rijksarchief (Den Haag); Documentatiemap P.J. Schmidt in IISG (Amsterdam).

Publicaties: 

De Britsche socialistische partij (Amsterdam 1925); Naar internationale klassenstrijd (Amsterdam 1926); Rationalisatie van den klassenstrijd (Amsterdam 1930); Het koloniale gevaar (Amsterdam 1931); (met F. van der Goes en J. de Kadt) Actie of scheuring? (Amsterdam 1932); Crisis, fascisme, revolutie! (Amsterdam 1932); Geld en crediet (Amsterdam 1934); In de cel. Losse aanteekeningen (Amsterdam 1934); 'Voorwoord' in: J. Rebel (Jan Mens), Rafels (Amsterdam 1934); 'Esperanto, een waardevolle factor' in: Jubileumboek 1911-1936. Uitgave der Federatie van Arbeiders-Esperantisten in het gebied van de Nederlandse taal (Amsterdam 1936) 156; (met L.A. Donker, G. Westmijse en T. Thijsen) Vier meningen over het ontwerp tot wijziging van de begrafeniswet 1869 (Amsterdam 1940).

Literatuur: 

Verzet tegen oorlog. Het proces tegen P.J. Schmidt, voorzitter O.S.P. (Amsterdam 1933); 'P.J. Schmidt overleden' in: Algemeen Handelsblad, 3.12.1952; 'P.J. Schmidt overleden' in: Haagsche Courant, 3.12.1952; 'Petrus J. Schmidt, U.N. Aide, 56, dies' in: The New York Times, 3.12.1952; 'P.J. Schmidt overleden' in: Het Vrije Volk, 3.12.1952; 'P.J. Schmidt overleden' in: Nieuwsblad van het Noorden, 6.12.1952; 'Piet Schmidt: een eigen visie bleef behouden' in: Vrij Nederland, 13.12.1952; M. Perthus, Voor vrijheid en socialisme (Rotterdam 1953); H.M. Ruitenbeek, Het ontstaan van de Partij van de Arbeid (Amsterdam 1955); H. van Hulst, A. Pleysier, A. Scheffer, Het roode vaandel volgen wij (Den Haag 1969); S. Tas, Wat mij betreft (Baarn 1970); L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Deel 4, 5, 7, 11, 12 (Den Haag 1972-1988); H. de Heide, Levensbeschrijving van P.J. Schmidt (1896-1952) (kandidaatsscriptie politicologie Universiteit van Amsterdam 1972); H.F. Cohen, Om de vernieuwing van het socialisme (Leiden 1974); F. Tichelman, Henk Sneevliet 1888-1942 (Amsterdam 1974); J. de Kadt, Politieke herinneringen van een randfiguur (Amsterdam 1976); M. Perthus, Henk Sneevliet (Nijmegen 1976); J.W. Schermerhorn, Minister-president van herrijzend Nederland (Bussum 1977); J. Bank, Opkomst en ondergang van de Nederlandse Volks Beweging (NVB) (Deventer 1978); J.H.M. Bakker en E. Nijhof, 'Het "Jordaan-oproer" - verzet tegen de steunverlaging in juli 1934' in: TvSG, maart 1978, 35-69; J. Bank, M. Ros en B. Tromp, 'Gesprek met Jacques de Kadt' in: Het eerste jaarboek voor het democratisch socialisme (Amsterdam 1979) 283-338; M. de Keizer, De gijzelaars van Sint Michielsgestel (Alphen aan den Rijn 1979); H. Dona, Sport en socialisme (Amsterdam 1981); B.W. Schaper e.a., Het verbleekte ideaal (Amsterdam 1982); C.H. Wiedijk, Koos Vorrink: gezindheid - veralgemening - integratie (Groningen 1986); M. Eekman, H. Pieterson, Linkssocialisme tussen de wereldoorlogen (Amsterdam 1987); H. Wijfjes, Radio onder restrictie (Amsterdam 1988); P.J. Knegtmans, Socialisme en democratie (Amsterdam 1989); L. Winkel, H. de Vries, De ondergrondse pers 1940-1945 (Amsterdam 1989); R. Havenaar, De tocht naar het onbekende (Amsterdam 1990); W.F.S. Pelt, Vrede door revolutie (Den Haag 1990); J. Bosmans, Romme. Biografie 1896-1946 (Utrecht 1991); D. de Winter, 'De ordedienst van de Onafhankelijke Socialistische Partij (1932-1935). De Socialistische Arbeiders Weer (SAW)' in: BNA, nr. 29, maart 1993, 39-45; S. Bloemgarten, Henri Polak (Den Haag 1993); J. Perry e.a., Honderd jaar sociaal-democratie in Nederland 1894-1994 (Amsterdam 1994); D. Bos, Vele woningen, maar nergens thuis (Amsterdam 1996); E. Etty, Liefde is heel het leven niet. Henriette Roland Holst 1869-1952 (Amsterdam 1996); G. Mulder, P. Koedijk, Lees die krant! (Amsterdam 1996); M. Brinkman, Willem Drees, de SDAP en de PvdA (Amsterdam 1998); P. Hofland, Leden van de Raad. De Amsterdamse gemeenteraad 1814-1941 (Amsterdam 1998); W. ten Have, De Nederlandse Unie (Amsterdam 1999); G. Voerman, De meridiaan van Moskou. De CPN en de Communistische Internationale (1919-1930) (Amsterdam 2001).

Portret: 

Petrus Johannes Schmidt, IISG

Auteur: 
Piet Hoekman
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 8 (2001), p. 241-248
Laatst gewijzigd: 

07-03-2012 (Nieuw portret)