SCHOTTING, Louis

Louis Schotting

voorvechter van een goede rechtspositie van journalisten, is geboren te Rotterdam op 12 december 1870 en overleden te Amsterdam op 19 februari 1957. Hij was de zoon van Adriana Schotting, werkster. Op 24 juli 1894 trad hij in het huwelijk met Elisabeth Marigje Pieterse, met wie hij een dochter en een zoon kreeg.

Schotting voelde zich al jong aangetrokken tot het socialisme, dat zich fel verzette tegen de maatschappelijke ongelijkheid. Op 17-jarige leeftijd behoorde hij tot de actieve kern van de Sociaal-Democratische Jongelieden Bond (SDJB). Op verschillende bijeenkomsten voerde hij het woord om 'in vurige taal 't leven van den arbeiderszoon' te schetsen. Het doel van de SDJB omschreef hij als: 'oproerlingen willen wij maken tegen 't door de geldgod verordineerd gezag der minderheid'. In november 1889 hoorde hij voor het verspreiden van De Bloedbelasting, een pamflet van de SDJB tegen de vervangingsdienstplicht, twee maanden tegen zich eisen.

Hoewel opgeleid tot onderwijzer èn enige jaren werkend in het onderwijs, ging Schotting in de jaren negentig op zoek naar andere betrekkingen in Amsterdam, Rotterdam en Gent. Zo was hij redacteur bij het Rotterdamsch Dagblad en kantoorbediende. In 1901 werd hij verslaggever voor de Tweede Kamer bij het onafhankelijk socialistische Volksdagblad. Vanaf hetzelfde jaar trad hij actief op voor de georganiseerde arbeidersbeweging in Rotterdam. Gedurende enkele jaren was hij secretaris van de Rotterdamsche Bestuurdersbond (RBB) tot aan zijn vertrek naar Amsterdam (1906). Samen met voorzitter Hendrik Spiekman heeft hij de RBB, een verzameling van vakverenigingen, SDAP-afdeling en andere arbeidersverenigingen, uitgebouwd tot het centrale orgaan (inclusief de NAS-aanhangers) van de arbeidersbeweging in Rotterdam. Over de huisvesting van de arbeiders schreven Schotting en Spiekman de brochure Arm Rotterdam. Hoe het woont! Hoe het leeft! (1903).

In 1906 werd Schotting journalist van het SDAP-dagblad Het Volk. Het gehele gezin vertrok naar Amsterdam. Schotting woonde er tot zijn dood. Zijn leven lang bleef hij zich fel verzetten tegen onrechtvaardigheid, hoewel de scherpe kantjes allengs verdwenen. Zijn keuze voor een reportage als De lotgevallen van een onderkruiper (Amsterdam 1907) sprak boekdelen. In 1907 versloeg hij de staking van havenarbeiders vanuit de positie van de onderkruipers door zelf het verafschuwde onderkruiperswerk te verrichten. De beschrijving van de onderkruiperswereld van binnenuit is ook nu nog zeer lezenswaardig. Voor die tijd was deze methode van verslaglegging beslist opzienbarend. Schotting vestigde hiermee zijn naam als journalist voorgoed. Ook later zorgde hij als verslaggever van de Amsterdamse gemeenteraad voor enkele primeurs.

In 1917 werd hij - via een tussenstap bij De Telegraaf - journalist bij het Algemeen Handelsblad, waar hij al snel chef van de zogenoemde verslaggeverij werd. Bekend was hij vooral om zijn eigenzinnige manier van verslaglegging uit de Amsterdamse gemeenteraad. Daarbij schroomde hij niet om zelf in te grijpen als de vergadering - en dus het verslag - wat al te saai dreigde te worden. Tussen de wereldoorlogen ging zijn aandacht uit naar verbetering van de positie van journalisten. In 1916 werd hij bestuurslid van de Nederlandsche Journalisten Kring, die hij tot 1941 trouw bleef. Hij was de strateeg in de onderhandelingen met de werkgevers voor het bereiken van een goede salarisregeling. Via een noodregeling kwam op 1 januari 1921 een salarisregeling tot stand. Anderhalf jaar later volgde een pensioenregeling. Na de Tweede Wereldoorlog trok de situatie van oud-journalisten zijn meeste aandacht. Want het pensioen bleek niet al te hoog te zijn. Voor de gepensioneerden (en zichzelf) richtte hij het Senioren-convent (1947) op, dat zich ontwikkelde tot een halfjaarlijkse reünie voor journalisten in ruste. Na zijn dood in februari 1957 verscheen zijn laatste artikel postuum - typerend genoeg over een verzetsdaad: de Februaristaking - in de Noord-Amsterdammer: 'Amsterdam in verzet tegen de bezetter'.

Archief: 

Collecties kranteknipsels L. Schotting in: Nederlands Persmuseum (Amsterdam) en Gemeente Archief Amsterdam.

Publicaties: 

Het pamflet De lotgevallen van een onderkruiper is herdrukt in: H. Mol, Memoires van een havenarbeider (Nijmegen 1980).

Literatuur: 

Bymholt, Geschiedenis, 541; G. Harmsen, Blauwe en rode jeugd. Ontstaan, ontwikkeling en teruggang van de Nederlandse jeugdbeweging tussen 1853 en 1940 (Assen 1961); H. Buiting, Richtingen- en partijstrijd in de SDAP. Het ontstaan van de Sociaal-Democratische Partij in Nederland (SDP) (Amsterdam 1989).

Portret: 

L. Schotting, archief Het Vrije Volk (Rotterdam)

Handtekening: 

Huwelijksakte van Schotting/Pieterse dd. 24 juli 1894. Akte 1104. Akteplaats Antwerpen, België. Als bruidegom.

Auteur: 
Marten Buschman
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 1 (1986), p. 107-109
Laatst gewijzigd: 

30-10-2016 (voornaam moeder gecorrigeerd).