SIMONIS, Pieter

Pieter Simonis

(roepnaam: Piet), bestuurder vakbond handels- en kantoorbedienden en Amsterdamse Bestuurdersbond, is geboren te Den Haag op 14 december 1898 en overleden te Amsterdam op 12 oktober 1983. Hij was de zoon van Pieter Simonis, kurkesnijder, witter en los bouwvakker, en Johanna Pietronella van Bemmel. Op 23 december 1920 trad hij in het huwelijk met Elise Hubertine Pieters, ambtenares bij de gemeente Amsterdam, met wie hij drie zoons kreeg.

Simonis werd geboren in een conservatief, niet godsdienstig arbeidersgezin. Zijn vader was regelmatig werkloos en zag hoe zijn beroep kurkesnijder weggemechaniseerd werd. In het voorjaar ging hij voor eigen rekening witten en stucadoren om de winterschulden af te betalen. In de zomer zocht hij werk in de bouw en in het najaar begon het poffen opnieuw. Maar naar de armenzorg ging hij niet. Van 1908 tot 1911 kreeg Piet Simonis op de lagere school in de Roggeveenstraat les van D. Goed, die voor die tijd 'moderne' onderwijsmethoden toepaste. Deze gaf Simonis gratis bijlessen en bracht hem belangstelling bij voor staatsinrichting, politiek, geschiedenis en techniek. In 1963 zou Simonis bij de crematie van Goed het woord voeren, Op de kweekschool werd Simonis lid van de Kweekelingen Geheelonthoudersbond (KGOB) en was nadien actief in de Jeugdbond voor Onthouding (JVO). Simonis sprak over een tijd 'van een uniek en eenmalig enthousiasme'. Het onderwijzerschap ('rijksnormaallessen') beviel hem niet vanwege de massaliteit en duurde slechts drie maanden. Na negen maanden militaire dienst kwam hij te werken bij Het Volk in Rotterdam. Met Koos Vorrink, die hij van de kweekschool kende, werd Simonis medewerker van het in januari 1920 opgerichte blad De Daad, Orgaan voor sociaal-democratische jongeren. Dit stond onder redactie van G. Zwertbroek en D. Forrer en poogde door idealisme aangegrepen jongeren aan de SDAP te binden. Onder invloed van Lies Pieters, die hij op zestienjarige leeftijd in de JVO leerde kennen, en zijn aanstaande schoonvader werd Simonis lid van de SDAP. Zijn familie waardeerde de omgang met deze 'rooien' niet en verbrak de contacten.

Simonis' artikel in het eerste nummer van De Daad speelde een rol bij zijn sollicitatie in januari 1920 naar de functie van administrateur van de bij het NVV aangesloten Algemeene Nederlandsche Opzichters- en Teekenaarsbond. Hij kreeg deze functie, verhuisde in juni 1920 naar Amsterdam en werd lid van de Algemeene Nederlandsche Bond van Handels- en Kantoorbedienden (de Algemeene), die eveneens bij het NVV was aangesloten. De opzichters- en tekenaarsbond scheidde zich in 1924 van het NVV af en sloot zich aan bij het nieuwe Verbond van Vakorganisaties van Hoofdarbeiders. Ook Simonis was voorstander van dit neutrale verbond. Na een conflict binnen de Algemeene over niet-plaatsing van een artikel van zijn hand in het bondsblad zegde hij zijn lidmaatschap op en sloot zich aan bij de neutrale bediendenbond Mercurius. Deze verkeerde in grote moeilijkheden doordat de fusie van Mercurius en de Algemeene op het laatste moment was afgestuit op het sterke standsbesef van de kantoorbedienden van Mercurius. De 'modern' -gezinden verlieten Mercurius in grote getale en sloten zich aan bij de Algemeene, die spoedig de grootste bediendenbond werd. Simonis werd bezoldigd secretaris van de afdeling Amsterdam van Mercurius (waarschijnlijk met instemming van de opzichters- en tekenaarsbond nam hij op 23 oktober 1924, de dag dat de afdeling scheurde, op staande voet ontslag) en speelde een belangrijke rol bij de wederopbouw van deze afdeling. Bovendien werd hij in februari 1925 in het bondsbestuur van Mercurius gekozen, vanaf mei 1928 als tweede secretaris.

Tussen de Algemeene en Simonis, maar ook de SDAP en Simonis deden zich verschillende malen wrijvingen voor, omdat de Algemeene en SDAP van mening waren dat SDAP-leden zich 'modern' moesten organiseren. Simonis echter vond de band tussen SDAP en NVV 'bijzonder nauw' en noemde 'de droom van een brede arbeiderspartij die tevens vakbeweging was, een benauwende'. Hij meende dat sociaal-democraten zich ook neutraal konden organiseren. Dat hij mensen van het NVV-lidmaatschap afhield, kwam hem in december 1932 wel op een waarschuwing van het partijbestuur te staan, niet op royement. Hoewel hij een resoluut standpunt innam, vroeg hij zich later af 'of ik er indertijd goed aan gedaan heb het NVV los te laten'. Door toedoen van Simonis kreeg de Amsterdamse afdeling van Mercurius toestemming voor vertaling en publikatie van de propagandabrochure Wanneer ik weer eens kantoorbediende werd van de Engelse socialistische schrijver G.B. Shaw. Mercurius bracht deze brochure, die vele malen en in grote oplagen herdrukt zou worden, in 1927 voor de eerste maal uit. De Algemeene was zeer verbolgen omdat Shaw in Engeland zelf de moderne vakbeweging steunde.

Eind jaren dertig werd Simonis voorstander van toenadering tussen de Algemeene en Mercurius. De fusie tot één NVV-bond kwam onder dwang van de Duitse bezetter op 1 oktober 1940 tot stand. Hiermee keerde Simonis in NVV-kring terug. Aan zijn lidmaatschap van het bondsbestuur kwam een einde, zijn functie als afdelingssecretaris behield hij. Vanwege maatregelen tegen joodse leden diende het afdelingsbestuur in januari 1942 zijn ontslag in bij NVV-leider H.J. Woudenberg, die dit echter niet inwilligde. Simonis, die met de Februaristaking sympathiseerde, werd in het kader van represaillemaatregelen tegen het verzet op 13 juli 1942 als gijzelaar gevangen gezet, eerst in het Brabantse Haaren, daarna in Sint Michielsgestel. Met kerst 1943 werd hij vrijgelaten. Enkele maanden na zijn thuiskomst overleed zijn oudste zoon. Met zijn tweede zoon Rob, die naar de Engelse radio luisterde, verzorgde hij vanaf september 1944 in een oplaag van ongeveer veertig exemplaren het getypte blad Hier is Londen. Zijn vrouw en jongste zoon Tom verspreidden dit. Door toedoen van 'Marnix' uit de Amsterdamse illegaliteit kreeg hij in januari 1945 de beschikking over een stencilmachine en papier. De oplage steeg nu tot ongeveer drieduizend. In april 1945 maakte hij deel uit van het voorlopige afdelingsbestuur van de Algemene Bond 'Mercurius', dat zich met een oproep tot de Amsterdamse bedienden richtte. In oktober werd hij opnieuw gekozen als secretaris van de afdeling. Per 1 januari 1947 gaf Simonis deze baan op en werd secretaris van de Amsterdamse Bestuurdersbond. Hier zou hij achttien jaar werken tot zijn pensionering in april 1964. Zijn werkzaamheden waren er op gericht het NVV een volwaardige onderhandelingspartner te laten zijn die meetelde op economisch, sociaal en cultureel terrein. Veel van zijn propagandaactiviteiten, onder andere zondagochtendbijeenkomsten in Tuschinsky en het City Theater, keerden zich tegen de Eenheids Vakcentrale. Simonis steunde de mede door zijn vrouw geleide Vrouwenbond van het NVV. Naar eigen schatting bekleedde hij naast zijn baan ongeveer veertig functies, onder meer als voorzitter van de Burgerlijke Instelling voor Maatschappelijke Zorg, ondervoorzitter van de Kamer van Koophandel, bestuurslid van het Concertgebouworkest en de Algemene Woningbouw Vereniging en voorzitter van de Willem Dreesstichting. Voor bejaarden zette hij clubs op onder het motto 'blijf actief'. Simonis was lid van de PvdA. Vanaf 1970 was hij enige jaren lid van DS'70 en bezocht ook vergaderingen van die partij, maar keerde terug naar de PvdA. Hij was een harde werker die met zijn rechtlijnigheid op het starre af kon zijn.

Publicaties: 

Aan ons de toekomst. Doel, werkwijze en inrichting van den 'Jeugdbond voor Onthouding' (Den Haag z.j.); De geschiedenis van een veertigjarige. Gedenkboek, uitgegeven ter gelegenheid van het veertigjarig bestaan der afdeeling Amsterdam van den Nationalen Bond van Handels- en Kantoorbedienden 'Mercurius' (Amsterdam 1938).

Literatuur: 

G. Harmsen, Blauwe en rode jeugd (Assen 1961) 175, 439; 'P. Simonis neemt afscheid' in: Mercurius, 7.2.1947, 16; H. Bockma, 'Piet Simonis gaat na 18 jaar weg bij ABB' in: Het Vrije Volk, 2.3.1964; B. Reinalda, Bedienden georganiseerd (Nijmegen 1981); De Vakbondskrant, 27.10.1983, 2; Willem Dreeshuis 25+ (Amsterdam 1983).

Portret: 

P. Simonis, particulier bezit

Auteur: 
Bob Reinalda, Irene Simonis
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 3 (1988), p. 191-194
Laatst gewijzigd: 

00-00-1988