
(roepnaam Leo), volksverheffer en uitgever, is geboren te Den Haag op 1 augustus 1862 en aldaar gestorven op 11 juni 1932. Hij was de zoon van Mozes Simons, groothandelaar in naaisters- en kleermakersfournituren, en Kaatje de Sterke. Op 22 september 1894 trad hij in het huwelijk met Josina Adriana Mees, toneelschrijfster. Dit huwelijkbleef kinderloos.
Pseudoniemen: Albert de Vries, Bergh de Leeuw, Grocchius van Beertger, Hollandicus, Leonidas, L.S., dr. Scriverius, S.v.P., Werker.
Simons kwam uit een gelovig joods middenstandsgezin, naar eigen zeggen ‘een dampkring van alleen-joodschheid’. De latere hoogleraar Jan ten Brink bracht hem op de Hoogere Burgerschool liefde voor de Nederlandse en Vlaamse literatuur bij. Door natuurwetenschappelijke vakken bekend met Charles Darwin en Ernst Haeckel werd hij atheïst en gaf hij zich wel eens over aan antiklerikale en antizionistische erupties, zonder zijn joodse afkomst te verloochenen. Vanaf 1879 studeerde hij ornamentleer aan de Londense South Kensington Art School. Hij bewonderde het werk van William Morris en John Ruskin en schreef in Het Vaderland en De Kunstbode dat de Britse overheid kunstonderwijs subsidieerde tot veredeling van het volk. Johan Thorbecke’s uitspraak ‘kunst is geen regeringszaak’ wees hij af, want goede en geschraagde kunst leidde tot een betere maatschappij. Simons brak zijn vervolgstudie aan de Haagse Academie voor Beeldende Kunsten en de Delftse Polytechnische School af en begon in 1881 aan de Middelbaar Onderwijs-opleiding Nederlandse Taal- en Letterkunde, waarvoor hij aan de Leidse universiteit colleges volgde. Hij was bestuurder van de joodse liefdadigheidsvereniging Hulp in Nood en de kunstzinnige joodse jongeliedenvereniging De Potpourri en was actief binnen de Nederlandsche Tooneel Vereeniging (NTV). Op voordracht van Ten Brink schreef hij in Antwerpse en Brusselse flamingante bladen. Na het behalen van zijn akte in 1884 werd hij leraar, maar zijn ambitie betrof (verbetering van) het toneel.
Simons verhuisde naar Amsterdam en werd in 1886 redacteur van Het Tooneel en leraar aan de Toneelschool van de NTV, waar hij Frank van der Goes ontmoette (en spoedig verafschuwde: zij lagen elkaar niet). Zijn eenakter ‘Huwelijksgeluk’ kreeg goede recensies en hij werd kunstredacteur bij de conservatieve De Oprechte Haarlemsche Courant. Simons verkeerde in wat Van der Goes in De Nieuwe Gids ‘Jong Amsterdam’ noemde, een culturele en politieke avant-garde, zoals de vereniging De Unie. Die wilde in ‘vrijzinnige, vooruitstrevende geest’ het staatkundig leven verbeteren. Met anderen richtte hij in 1889 de Tooneelvereeniging op, die de opvoering van het feministische drama ‘Een Poppenhuis’ van Henrik Ibsen produceerde als tegenwicht tegen de populaire Franse stukken die hij altijd moest recenseren. Hij organiseerde opvoeringen van naturalistische toneelstukken van Alexander Ostrovski en Björnstjerne Björnson. Simons ontwikkelde met Hendrik Berlage het plan Vondel’s Gijsbrecht van Amstel in een prachtuitgave te bezorgen. Dit eerste Nederlandse gemeenschapskunstwerk kwam pas na jaren gereed. Na een bezoek aan Multatuli’s weduwe, Mimi Hamminck-Schepel, liet hij diens toneelfragment ‘Aleid’ opvoeren. Het naturalisme met onderwerpen als armoede, onderdrukking en uitbuiting van vrouwen en arbeiders, inspireerde Simons: ‘Ik weet zelf niet wat ik wil; soms zou ik als sociaal agitator willen optreden en dan vind ik kunst een ongepermitteerd weelde-artikel’.
Door de overwegend joodse werkliedenvereniging Handwerkers Vriendenkring kwam hij in contact met de Amsterdamse arbeidersbeweging. Als armbezoeker (samen met Piet Tak en Willem Treub) voor de vereniging Liefdadigheid naar Vermogen leerde hij de invloed van Ferdinand Domela Nieuwenhuis en diens Sociaal-Democratische Bond (SDB) kennen. Op voorspraak van Hélène Mercier richtte hij de vereniging Leeskunst (1890) op, waaraan de SDB, het Algemeen Nederlandsch Werkliedenverbond en de Vrije Vrouwen Vereeniging meewerkten. Arbeiders lazen en bespraken ’s avonds onder leiding van onder anderen Simons en Adriaan Gerhard boeken en zij bezochten musea. Simons steunde de eis van een achturige werkdag, want zijn cursisten waren ’s avonds doodvermoeid. Later schreef Henri Polak dat Leeskunst beschaving en ontwikkeling had gebracht onder degenen die de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) en de Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkersbond (ANDB) groot hadden gemaakt. Op het Gentse congres van het Noord- en Zuid-Nederlandsche Taal- en Letterkundig Congres (1891) leerde Simons de jonge Vlaamse letterkundigen Emmanuel de Bom en August Vermeylen kennen, alsook het anarchisme dat onder Belgische intellectuelen mode was. Zij bewonderden Multatuli, Ibsen, Peter Kropotkin, Elisée Reclus en Friedrich Nietzsche. Het viel Simons tegen dat de Vlaamse Beweging zich slechts tot de taalstrijd beperkte en hij wees op het belang van het Brusselse congres van de Tweede Internationale, dat tegelijkertijd plaatsvond. Onder invloed van Ibsen en de individuele anarchisten John Mackay, Max Stirner en Jacques Mesnil (met wie hij zijn leven lang omging) ontwikkelde Simons weerzin tegen politieke partijen. Op de uitnodiging van deelnemers aan Leeskunst om SDB-lid te worden ging hij niet in. Simons vond, op een kleine socialistische kern na, de Nederlandse arbeidersbeweging van laag niveau. Hij deed daarom als bewonderaar van het Britse ‘practical socialism’, de Toynbee-beweging en de Fabian Society mee aan de oprichting van Ons Huis. Hij wilde arbeiders, naar voorbeeld van de Berlijnse socialistische Freie Volksbühne, met goed toneel in aanraking brengen en sprak over Ibsen en Multatuli voor de Amsterdamse Schouwburgonderneming ‘De Vrije Gedachte’ van de anarchistische ex-dominee Willem Meng.
Intussen leerde Simons toneelschrijfster Josine Browne-Mees kennen, wier werk hij bewonderde en met wie hij met medeweten van haar echtgenoot een platonische verhouding begon. Als Bergh de Leeuw publiceerde hij liefdesgedichten in het tijdschrift De Vlaamsche School. Ondanks zijn betrokkenheid bij de oprichting van het Vlaamse avant-garde blad Van Nu en Straks, wezen de redacteuren De Bom en Vermeylen zijn gedichten af. Browne-Mees scheidde en om schandaal te vermijden vertrok Simons in 1893 naar Londen. Daar wist hij voor het Independent Theatre van de Nederlander Jack T. Grein ‘Leida’ van Josine Mees op te laten voeren. Ook werkte hij bij Greins uitgeverij Henry & Co. en schreef hij in Nederland in het Sociaal Weekblad van de door hem bewonderde Treub. In Londen leerde hij Oscar Wilde, Bernard Shaw, de Russische nihilist Sergius Stepniak, Eleanor Marx en Edward Aveling kennen. Simons behoorde tot de eersten die William Morris voor een breed Nederlands publiek introduceerde. Door zijn huwelijk met Mees in september 1894 werd hij financieel onafhankelijk. Hij nam Henry & Co. over en liet Aubrey Beardsley, Charles Ricketts, Charles Shannon en Gleeson White zijn kerstjaarboeken The Pageant en The Parade verzorgen. Hij gaf als eerste Nietzsche (die hem aan Multatuli deed denken) in Engelse vertaling uit. Daaraan ging zijn uitgeverij echter failliet. Vervolgens stortte Simons zich op de studie van socialisme en anarchisme, zijn ‘verre idealen’. De snelle groei van de stad Londen wekte zijn belangstelling voor goed gemeentebeheer. Simons ontwikkelde opvattingen over wat hij ‘Volkskracht’ noemde, evenals de geestelijke en materiële vooruitgang van de Nederlandse natie, waaronder hij ook Vlaanderen en de Zuid-Afrikaanse Boerenrepublieken verstond. Daar paste geen partijpolitiek of klassenstrijd bij, maar volksverheffing door beter onderwijs en cultuur alsook goede woon- en werkomstandigheden.
Simons werd in 1897 redacteur van Hollandia, weekblad voor Nederlanders in het buitenland, en schreef dat het Nederlandse publiek wel meeleefde met de Franse Dreyfus-zaak, maar niet met die van de Friese gebroeders Hogerhuis, die door een justitiële dwaling veroordeeld waren. Hij berichtte over Domela Nieuwenhuis die in Londen de Hogerhuiszaak internationaal onder de aandacht wilde brengen en prees Pieter Jelles Troelstra, die zich ook voor hen inzette. Lid van de SDAP (of de Belgische Werkliedenpartij), zoals veel van zijn geestverwanten en vrienden, werd hij niet. De partij was hem te doctrinair. Het was wel de tijd, ‘waarin het socialistisch element behoort te worden versterkt, maar dit sluit niet in zich dat niet in een volgend tijdperk de balans te veel naar die zijde zal overslaan en niet een druk in andere richting noodig zal zijn’. Hij was het eens met Mesnil, die in Van Nu en Straks tegen de sociaal-democratie ageerde. Toen Simons in De Kroniek (waarin hij Engelse literatuur besprak) daarover schreef met verwijzingen naar Morris, landnationalisatoren en socialistische utopisten, kreeg hij van hoofdredacteur Tak te horen geen verstand van socialisme te hebben. Die vond hem ook oorlogszuchtig, omdat Simons het in Hollandia opnam voor de Zuid-Afrikaanse Boerenrepublieken, die door Groot-Brittannië waren binnengevallen.
Vanwege de ziekte van zijn vrouw vertrok Simons begin 1900 naar Amsterdam, waar Berlage villa Parkwijck voor hen bouwde. In oktober 1900 sprak Simons in de Antwerpse ontmoetingsplek van socialistische flaminganten De Kapel en de Anarchistengroep Antwerpen, waarin zijn vriend De Bom verkeerde. Simons pleitte er voor versterking van de Nederlandse standaardtaal en een Nederlandstalige universiteit in Vlaanderen. Hij schreef in Hollandia over de noodzaak van ‘zorg voor het lichamelijk, maatschappelijk, geestelijk en zedelijk welzijn van alle stamgenooten’ en dacht na over ‘hoe we tot een verstandig socialisme zullen komen’. Hij zette zich in voor al deze onderwerpen. Hij werd penningmeester van Ons Huis en leidde de reis- en toneelclub. Hij richtte samen met kindervriend en sociaaldemocraat Uilke Klaren de vereniging Voor de Jeugd op om jongeren nuttig bezig te houden en was met Klaren bestuurder van de Amsterdamsche Bond van Lichamelijke Opvoeding. Simons was voorzitter van de Amsterdamse afdeling van de Verbruikersbond. Gesteund door diverse vakverenigingen hanteerde die een ‘witte lijst’ van bedrijven met gunstige arbeidsvoorwaarden, zodat ‘verbruikers’ daar zonder bezwaar konden kopen. Door zijn steun aan de Boerenrepublieken kwam hij in contact met de Nationale Federatie van Transportarbeiders, die vanwege de Boerenoorlog een boycot van Engelse schepen wilde en de ANDB, die door die oorlog in crisis verkeerde. Simons richtte met anderen de bondsbibliotheek in. Hij sprak voor de ANDB-afdeling Maatschappelijke Werk ‘Over volkspoëzie’, waarbij hij Guido Gezelle voordroeg. Herman Gorter was een groot dichter, vond Simons, maar Carel Adama van Scheltema schreef volkspoëzie.
Simons schreef over gemeentebelangen in het Algemeen Handelsblad, waarbij hij zijn bewondering uitsprak voor de voormalige wethouder Willem Treub. Tak noemde Simons’ cijfermatige kritiek op de gemeentewet en de inrichting van de Amsterdamse gemeentebegroting ‘treffend juist’. Simons hield er zijn bijnaam ‘stadsrekenmeester’ aan over. Hij benadrukte de noodzaak van schoolvoeding en -kleding, een woningwet en een gemeentelijk werkliedenreglement. Eind 1902 wees Simons kandidaatstelling voor de gemeenteraad door de vrijzinnige kiesvereniging Vooruitgang af, omdat hij vanwege het SDAP-gemeenteprogramma Polak steunde. Simons was namens de Verbruikersbond arbiter bij arbeidsconflicten en stakingen. Met Treub bemiddelde hij tijdens de spoorwegstakingen (die hij principieel afkeurde) met het ‘Manifest der Twintig’ tussen arbeidersbeweging en regering om het stakingsverbod voor overheidspersoneel van tafel te krijgen. Toen dat niet lukte, vroeg hij in een adres de Tweede Kamer de ‘worgwetten’ te verwerpen. Na de tweede spoorwegstaking zette hij zich met Jan Oudegeest van de Nederlandsche Vereeniging van Spoorwegpersoneel, het Amsterdamsch Ondersteunings Comité en de Maatschappij ‘De Eendracht’ van Abraham Reens en Frederik van Eeden in om ontslagen stakers aan werk te helpen en hun gezinnen te ondersteunen. Simons, die zich sociaal-individualist noemde, nam nu zijn kandidaatstelling voor de gemeenteraad door de Amsterdamse Vrijzinnig-Democratische Vereeniging (met Treub als voorzitter) aan. Want tegen ‘den gestadige omvorming die de maatschappij wil ondergaan, wil hij zich stellen met volkomen onbevangenheid, niet als voorstander van een dogma, maar als verdediger van alles wat der maatschappij in haar geheel en de enkeling in ’t bijzonder ten voordeele strekt’. Adriaan Gerhard stelde in debat dat Simons dicht bij de sociaal-democratie stond. Simons fulmineerde tegen de ‘griezelige kerkelijke overheersing’ en verloor kansloos.
Na de ondergang van het weekblad Hollandia begon Simons zijn Studies in Volkskracht (1903-1905), een antropologie bedoeld om sociale problemen op te lossen door materiële, fysieke en culturele verbetering van het Nederlandse volk. Sociaal-democraten als Adriaan en Jan Gerhard, Polak en Hendrik Spiekman, die hij kende via De Kroniek en de Verbruikersbond, deden mee. Polak trok zich terug nadat Van der Goes in De Nieuwe Tijd Simons’ ideeën ‘humbug’ had genoemd. Simons vond ook nog tijd om directeur te zijn van ’t Binnenhuis, de interieurzaak van Berlage die smaakvolle meubels aan arbeiders wilde verkopen. Hij werkte mee aan sociaal-democratische verenigingen die het volk wilden opvoeden in kunstgenot, zoals Voor de Kunst in Rotterdam en Kunst aan het Volk in Amsterdam. Van de Amsterdamse SDAP-ontwikkelingsclub, waarin marxistische theoretici als Van der Goes, Gorter en Henriette Roland-Holst de vorming deden, wilde Simons niet weten. Wel sprak hij voor het Plaatselijke Arbeids-Secretariaat. In 1905 stond Simons, met steun van de Amsterdamse afdeling van de Bond van Nederlandsche Onderwijzers, kandidaat in district IX. Alhoewel Het Volk-hoofdredacteur Tak hem iemand zonder achterban noemde, steunde de SDAP Simons met succes in de herverkiezing. Als raadslid richtte Simons zich op de gemeentefinanciën en werkloosheidsvoorzieningen en werkte nauw samen met de sociaal-democratische fractie onder leiding van Tak en Floor Wibaut. De laatste schakelde hem in voor fondsenwerving voor de sociaal-democratische fractie in de Russische Doema. De Bom vroeg hem steun om de Antwerpse anarchist Edward Joris, die een aanslag op de Turkse sultan had gepleegd, van de doodstraf te redden. Natuurlijk zette Simons zich als raadslid in voor de bevordering van de kunst. De Groene Amsterdammer van Henri Wiessing bood hem een podium om zijn politiek toe te lichten.
In 1905 begon Simons zijn Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur, bekend als Wereldbibliotheek (WB), om ‘de kracht, de levensvreugde, de geestelijke cultuur van ons volk’ te verhogen. Domela’s voorstel te fuseren met diens uitgeverij C.L. van Koert, die ook ‘Goede en Goedkoope’ boeken uitgaf, wees Simons af. Wibaut weigerde redacteur te worden, maar stak wel geld in de WB. De socialistische vormgever Sjoerd H. de Roos ontwierp de prachtbanden, die werden gedrukt bij de N.V. Diamantbewerkersbondsdrukkerij. De maatschappij De Eendracht verzorgde de colportage. Simons voorzag veel boeken van een voorwoord. Naast literatuur (Multatuli, Potgieter, Vondel, Ibsen, Shaw en Josine Simons-Mees) bracht de WB jeugdliteratuur onder toezicht van Jan Gerhard en titels van Darwin, Haeckel en Ruskin. Van Marx alleen Het Kapitaal, want, schreef Simons aan vertaler Van der Goes, meer zou ‘te zeer uitloopen op marxistische propaganda’. Hij publiceerde dichtbundels van de socialistische arbeider-dichter Salomon Bonn en steunde hem financieel. Later betrok Simons Bernardus Lansink Sr., secretaris van het Nationaal Arbeids-Secretariaat, bij de WB en gaf hij ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van Domela Nieuwenhuis in 1916 diens Gedenkboek uit. Er was ook kritiek. Berend Bymholt van de Reizende Volksbibliotheek vond de boeken te duur. De Vrije Socialist schreef dat de WB voor arbeiders was opgezet, maar dat vooral ‘middenstanders en kleine bourgeoisie’ afnemers waren. Jan Gerhard stelde dat de WB de arbeiders niet bereikte en De Tribune vond dat Simons probeerde de arbeiders ‘met grocjes van burgerlijke kennis en kunst zoet te houden’. Hem werd daarnaast verweten het boekenvak met zijn goedkope boeken naar beneden te halen. Simons was vanaf de oprichting betrokken bij de Vereniging van Letterkundigen en het ondersteuningsfonds voor armlastige leden, dat hij vulde met de opbrengst van de door de WB uitgegeven bundels Zelfkeur. Simons droeg bij aan de oprichting van de Nederlandsche Tooneelkunstenaarsvereeniging, vakbond voor toneelspelers.
In 1911 verliet Simons de gemeenteraad om zich te concentreren op de WB en verhuisde vanwege de gezondheid van zijn vrouw naar Den Haag. Daar betrokken ze een opnieuw voor hen door Berlage gebouwde villa. Simons werd bestuurder van Kunst aan Allen, die een ietwat sociaal-democratische inslag had, de Openbare Leeszaal en de landelijke Centrale Vereeniging voor Openbare Leeszalen en Bibliotheken. Hij hield zich daarnaast vooral bezig met het in binnen- en buitenland promoten van de toneelstukken van zijn vrouw. Als Albert de Vries gaf hij zijn eigen toneelstukken uit. In 1913 kwam Nico van Suchtelen Simons als redactiesecretaris bijstaan. Toen na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog Simons een protesttelegram aan de Duitse keizer wilde sturen vanwege de verwoesting van Leuven, hield de minister van Buitenlandse Zaken dat na een persoonlijk onderhoud tegen. Simons sloot zich vervolgens aan bij Van Suchtelens comité De Europeesche Statenbond, dat vrede wilde door een humanitaire Volkenbond. Hij steunde financieel het exilblad De Vlaamsche Stem van de socialistische flamingant Alberic Deswarte. Met Wiessing richtte Simons in 1914 De Nieuwe Amsterdammer op, waarin hij als aanhanger van de Groot-Nederlandse gedachte welwillend schreef over Vlamingen die onder de Duitse bezetting de emancipatie van Vlaanderen nastreefden. Als penningmeester van het Nederlandsch Steuncomité ‘Volksopbeuring’ steunde Simons Vlaamse krijgsgevangenen en hun families. Met het Comité Nederland-Vlaanderen probeerde hij in Nederland begrip te kweken voor de Vlaamse zaak. Simons schreef in 1916 en 1917 in het Amerikaanse blad Atlantic Review dat het niet uitmaakte wie de oorlog won, want beide kampen waren even oorlogszuchtig en imperialistisch. Het Britse War Propaganda Bureau, dat de internationale publieke opinie in de gaten hield, liet Simons’ oude bekenden, de toneelcriticus William Archer en het parlementslid J.M. Robertson brochures tegen hem schrijven, die in het Engels en Nederlands verschenen. Simons op zijn beurt gebruikte de WB en De Nieuwe Amsterdammer als publicatiemiddelen.
Bij de invoering in 1917 van het algemeen kiesrecht koesterde Simons bezwaren tegen het systeem van evenredige vertegenwoordiging, waarin politieke partijen volgens hem slechts deelbelangen behartigden en niet het volksbelang. Het Zwitserse systeem waar kiezers per referendum stemden, leek hem beter. Simons voelde voor de Economische Bond, omdat die zich presenteerde als een sociale volksbeweging. Toen deze Bond onder leiding van Treub een gewone partij bleek, haakte hij gedesillusioneerd af, ondanks de belofte van een Kamerzetel. Simons kwam door Vlaamse vrienden en de door hem uitgegeven Oostenrijkse schrijver Andreas Latzko in contact met de Pacific World Union. Die was onderdeel van de antimilitaristische Franse Clarté-beweging, die door een internationaal pacifisme het wereldimperialisme wilde beëindigen. Wereldverbeteraars en kunstenaars zoals Van Eeden, Margaretha Meijboom, D.H. Lawrence en de schilder Janus de Winter schreven in het drietalige blad The World. De Union werd heimelijk gefinancierd door de Weimar-republiek om het Verdrag van Versailles te ondermijnen. Simons’ vriend De Bom was vanwege zijn flamingante opstelling ontslagen en werd daarom voor de WB belast met De Vlaamsche Bibliotheek, met als bestseller het boek De Witte (1920) van Ernest Claes. Simons probeerde De Bom ook aan het werk te helpen bij de door hem gesteunde Antwerpse boekhandel ’t Kersouwken van Edward Joris. Anderzijds schreef Simons in het werkgeversblad De Nieuwe Courant en verkeerde hij door zijn Groot-Nederlandse opvattingen in rechtse kringen rond de Dietsche Bond, maar hij moest niets hebben van het opkomend fascisme en nationaal-socialisme, die in deze kringen populair werden.
Simons, die zich vrij-socialist vond, was in 1922 kandidaat-Kamerlid voor het Comité voor de Verkiezing van Onafhankelijke Kamerleden. Dat bestond uit kunstenaars, intellectuelen en personen uit het volksontwikkelingswerk die cultuur hoog in het vaandel droegen maar amper stemmen kregen. Simons vond de SDAP ‘star-marxistisch’ en weinig betrokken bij de Vlaamse zaak. Zijn vriend, de toneelschrijver Frans Mijnssen, wel partijlid, schreef: ‘Waarde Simons, wat heb je toch altijd een verkeerd idee van leden der S.D.A.P.: hoe onderschat je ze nog!’. Toen het Algemeen Nederlandsch Arbeidersverbond, bestaande uit leden van de Belgische Werkliedenpartij en de SDAP, aansluiting zocht bij de Groot-Nederlandse beweging, reageerde Simons verrast. Dat de SDAP een volkspartij wilde zijn, stemde hem positief. Socialistische idealen konden alleen verwerkelijkt worden indien de partij de achterban ‘rijp er voor maakt, de dragers te worden van den Staat en de Cultuur der Toekomst’. Het Rapport uitgebracht door de commissie ingesteld door S.D.A.P. en N.V.V. inzake het vraagstuk der arbeidersontwikkeling in Nederland (1924) en het daaruit voortkomende Instituut voor Arbeidersontwikkeling (IvAO) gaven goede aanzetten. Daarom was Simons bereid met de IvAO’ers Adriaan Gerhard en Piet Voogd de groep Nederland van de World Educational Association te leiden. Het IvAO wilde geschikte boeken en Simons gaf de Bibliotheek voor Sociale en Bedrijfswetenschappen van de SDAP-marxist en bedrijfskundige Ru Kuyper uit. Simons bewonderde de Vlaamse socialist Hendrik de Man, die in De psychologie van het Socialisme (1927) pleitte voor een cultuursocialisme en het marxisme verwierp.
Het echtpaar Simons verbleef vaak in buitenlandse kuuroorden, wat hij gebruikte om bijvoorbeeld het Leipziger Arbeiterheim te bezoeken, waar jongvolwassenen opgeleid werden tot propagandist voor de Duitse arbeidersbeweging. In het blad Volksontwikkeling deed hij verslag. Simons, die ruime royalties betaalde aan Multatuli’s weduwe, deed mee aan iedere Multatuli-herdenking. Toen Hamminck-Schepel in 1929 negentig werd, bezocht hij haar met Wibaut namens de commissie Multatuli-hulde. Simons droeg in 1930 bij het 25-jarig jubileum van de WB de leiding over aan Van Suchtelen. Naast Adriaan Gerhard en Voogd namens het IvAO waren er veel vakbondsbestuurders aanwezig en het Nederlands Verbond van Vakvereenigingen stuurde een felicitatietelegram. De Amsterdamse SDAP-wethouder Eduard Polak reikte Simons de zilveren stadsmedaille uit. Zijn oude vriend Jan van Zutphen sprak hem toe via de VARA-radio. Toen in 1931 de Belgische regering Simons een visum weigerde en hij in de Kamer van Volksvertegenwoordigers een vijand van België werd genoemd, verdedigde de socialistische afgevaardigde Kamiel Huysmans hem, omdat Simons grote diensten aan de Vlaamse cultuur had bewezen. Toen Simons in De Dietsche Gedachte voorstelde een Groot-Nederland te vormen uit Frans-Vlaanderen, Vlaanderen en Nederland, noemde Volk-hoofdredacteur Nap Ankersmit dat ‘politiek dilettantisme’, toentertijd ook in de gemeenteraad tentoongespreid. Toch voelde Simons zich het meest verwant aan de SDAP. De Vrijzinnig-Democratische Bond vond hij bourgeois. In 1932 verleende de Gemeente Universiteit van Amsterdam de doodzieke Simons een eredoctoraat. Nipt voltooide hij de tiendelige Vondel-uitgave enhet laatste deel van zijn Het Drama en het Tooneel. Op Simons’ begrafenis werd niet gesproken. Van Suchtelen las slechts diens afscheidsbrief voor.

Collecties L. Simons in Letterenhuis (Antwerpen) en Literatuurmuseum (Den Haag).
Amsterdam in stukken en brokken (Haarlem 1891); Besproken plaatsen (Amsterdam 1891); ‘William Morris’ in: De Gids, jrg. 61, 1897, 126-137; ‘Om het socialisme’ in: De Kroniek, jrg. 4, 1898, 227-228; ‘De co-operatieve gemeente Amsterdam’ in: De Gids, 1899, 421-461; De nood der gemeenten en de middelen tot uitkomst (Amsterdam 1902); De toekomstwaarde onzer jongste maatschappelijke woelingen (Haarlem 1903); Systematisch Overzicht van en Leidraad tot het Ontwerp-Arbeidswet (Haarlem 1904); Aan de kiezers voor den Amsterdamschen raad in district IX (Amsterdam 1905); ‘Nu Domela Nieuwenhuis 70 jaar wordt’ in: Gedenkboek ter gelegenheid van den 70sten verjaardag van F. Domela Nieuwenhuis 31 december 1916 (Amsterdam 1916) 135-136; The war and the neutrals. A reprint from ‘The Atlantic Monthly’ prefaced with an open letter to William Archer Esquire. Author of ‘To the Neutral Peace Lovers, a Plea for Patience’ (Amsterdam 1917); De oorlog en de neutralen. Open antwoord aan J.M. Robertson, lid van het Engelsche Lagerhuis (Amsterdam 1917); De bewustwording van Vlaanderen (Amsterdam 1918); Socialisatie op coöperatieven grondslag (Amsterdam 1920); Joodsch nationalisme en assimilatie (Amsterdam 1925); ‘De vorming van volwassenen’ in: Volksontwikkeling, jrg. 9, nr. 11-12, 1928, 351-386; Vondel als levensleider (Amsterdam 1929); ‘De ontwikkeling van Volwassenen’ in: Maatschappelijk werk. Opstellen aangeboden aan Emilie C. Knappert op haar zeventigste verjaardag 15 juni 1930 (Amsterdam 1930) 125-131; ‘Toen Ons Huis gesticht werd 1892-1911’ in: Volksontwikkeling, jrg. 13, 1931-1932, 283-292.
Actestukken der Samenzwering. Gedenkboek der Werkstakingen van 1903 (Wageningen 1903); F. van der Goes, ‘Humbug en Reactie’ in: De Nieuwe Tijd, jrg. 9, 1904, 8-22; W. Archer, Six of one and half-a-dozen of the other. A letter to mr. L. Simons of The Hague (London 1917); A.H. Gerhard, ‘De Leider op Weg naar zijn Wereldbibliotheek’ in: Gedenkboek van het 25-jarig bestaan der Wereldbibliotheek (Amsterdam 1930) 1-15; A.B.K(leerekoper), ‘Vriend des volks’ in: Het Volk,18.6.1932; Ter herinnering aan Dr. Leo Simons 1 augustus 1862-11 juni 1932 (Amsterdam-Sloterdijk 1933); H.E. Greve, Geschiedenis der leeszaalbeweging in Nederland (Den Haag 1933); A.J.C. Rüter, De spoorwegstakingen van 1903 (Leiden 1935); H.P.L. Wiessing, Bewegend portret (Amsterdam 1960); F. de Glas, Nieuwe lezers voor het goede boek. De Wereldbibliotheek en ‘Ontwikkeling’/De Arbeiderspers vóór 1940 (Amsterdam 1989); M.G. Kemperink, Nederlands toneel in het fin de siècle 1890-1900 (Amsterdam 1995); M. Smit, ‘Het nationale weekblad Hollandia (1897-1900)’ in: Tijdschrift voor Tijdschriftstudies, jrg. 1, nr. 1, 1997, 25-34; P. Hofland, Leden van de Raad. De Amsterdamse Gemeenteraad 1814-1941 (Amsterdam 1998); E. Blom, De Vlam van het menselijk denken. Nico van Suchtelen (1878-1949) (Amsterdam 1999); W. van den Steene, Oog voor Vlaanderen. Leo Simons (1862-1932) en de Vlaamse Ontvoogdingsstrijd (Gent 2001); H. van den Braber, Geven om te krijgen. Literair mecenaat in Nederland tussen 1900 en 1940 (Nijmegen 2002); M. Adang, Voor sociaal-democratie, smaakverheffing en verheffend genot (Amsterdam 2008); S. Couperus, De machinerie van de stad. Stadsbestuur als idee en praktijk, Nederland en Amsterdam 1900-1940 (Amsterdam 2009); L. Tibbe, ‘“Pilgrims of Hope”. Culturele boodschappers met politieke bagage’ in: A. van Buul (red.), Lopende vuurtjes. Engelse kunst en literatuur in Nederland en België rond 1900 (Hilversum 2012) 71-89; Chr. Smit, De volksverheffers. Sociaal hervormers in Nederland 1870-1914 (Hilversum 2015); R. Hartmans, Geestdrift met verstand. De geschiedenis van De Groene Amsterdammer van 1877 tot nu (Amsterdam 2020); C. Ceustermans, De man die van mensen hield. Emmanuel de Bom (Antwerpen 2021); J. Houkes, ‘Leo Simons en zijn Londense uitgeverij H. Henry & Co.’ in: Eigenbouwer, nr. 14, 2021, 43-55; N. Miedema, J. Schilt en J. Kat, Een lange eeuw. Uitgeverij Wereldbibliotheek van 1905 tot 2015 (Amsterdam 2022); M. van Rooy, ‘Heb ik dat gemaakt?’ De vormende jaren van H.P. Berlage, bouwmeester (Amsterdam 2022).
Portret door Georg Rueter (1930).
Ter herinnering aan Dr. Leo Simons 1 augustus 1862-11 juni 1932 (Amsterdam-Sloterdijk 1933) p. 18.
