SPIEKMAN, Frans

Frans Spiekman

voorman van de moderne arbeidersbeweging in de Groninger Veenkoloniën en wethouder van Veendam, is geboren te Hoogezand op 8 december 1876 en overleden te Veendam op 11 oktober 1961. Hij was de zoon van Albertus Spiekman, vuursmid-ketelmaker, en Pietertje Wever. Op 29 september 1900 trad hij in het huwelijk met Alida Vermanje, dienstmeid, met wie hij twee dochters en drie zoons kreeg. Na haar overlijden op 29 april 1918 trad hij op 2 mei 1921 in het huwelijk met Antje Wieman, verpleegster, en erkende de dochter die zij had.

Spiekman groeide op in Martenshoek, waar zijn vader werkte in de machinefabriek van de scheepsbouwer Edske Smit. Het gezin was doopsgezind en Spiekman bleef zijn leven lang religieus. Na de lagere school ging hij in de fabriek van Smit aan het werk als smidsknecht. Anders dan zijn neef Hendrik Spiekman sloot hij zich niet aan bij de afdeling Hoogezand-Sappemeer van de Sociaal-Democratische Bond. Na zijn militaire dienstplicht werkte hij opnieuw bij Smit, maar de slechte arbeidsomstandigheden en het drankmisbruik stonden hem tegen, vooral omdat Smit het personeel twee keer per dag een borrel schonk, zoals Spiekman later in het socialistische weekblad De Volksstrijd schreef. Spiekman werd als geheelonthouder actief in de Volksbond tot wering van Drankmisbruik en in de Nederlandsche Vereeniging tot Afschaffing van Alcoholhoudende Dranken (NV). Jarenlang speelde hij een vooraanstaande rol in het Groningse Propaganda-comité van de NV. Na zijn huwelijk in 1900 verhuisde Spiekman naar Wildervank en werd in 1901 lid van de bij de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) aangesloten Veendammer Volkskiesvereniging ‘Algemeen Belang’. Deze vereniging zette zich onder zijn aanvoering ook in voor drankbestrijding. Spiekman werd spoedig voorzitter en later secretaris. Hij verdiende nu de kost als verzekeringsagent en colporteur en verkocht naast socialistische brochures en alcoholvrij bier ook ‘realistische romans’. Van zijn tochten door de provincie herinnerde hij zich met weemoed de poffert die de vrouw van SDAP-er en schoolmeester te Schildwolde, Harmannus Groustra, voor hem bakte.

De Tweede Kamerverkiezingen van 1901 waren dankzij Spiekmans inspanningen in de Veenkoloniën voor de SDAP succesvol. Henri van Kol kwam in het district Winschoten in herstemming, Klaas ter Laan in Hoogezand en Johan Schaper in Veendam én Appingedam. Ter Laan won in Hoogezand, Schaper in beide districten en koos Appingedam. Voor de herverkiezing in Veendam werd Pieter Jelles Troelstra gekandideerd, maar deze verloor na een heftige strijd van de vrijzinnig-democraat Eerke Albert Smidt. Troelstra bezocht met zijn vrouw Veendam om Spiekman en de andere partijleden die zo hard campagne hadden gevoerd, te troosten. Toen Troelstra later alsnog voor het district Amsterdam III in de Kamer kwam, richtten Spiekman en de Multatuliaan H.J. Top in Veendam een groot feest aan. In oktober 1901 stelde de SDAP Spiekman tijdelijk aan om de partij in de provincie te organiseren. Hij werd aanspeekpunt voor partijsecretaris Johannes van Kuijkhof en was correspondent voor Het Volk. In De Volksstrijd en het latere Volksblad voor Groningen en Drenthe schreef hij jarenlang artikelen. In 1902 verhuisde Spiekman naar Veendam om van daaruit het Provinciaal Kiesrechtcomité te leiden. In 1903 fuseerde Algemeen Belang met een andere Veendammer kiesvereniging tot SDAP-afdeling, met Spiekman als secretaris. Hij was bovendien secretaris van het Centraal Comité der volkskiesverenigingen in het district Veendam, met Top als voorzitter. Omdat de liberalen en confessionelen één front tegen hem vormden, lukte het hem dat jaar niet om via herverkiezing in de gemeenteraad te komen. In 1904 schreef hij in De Nieuwe Tijd onder de titel ‘Bedrijfs-vervormingen in de Groninger Veenkoloniën’ over de succesvolle opkomst van de Veenkoloniale boerencoöperaties in de aardappelmeel- en strokartonindustrie. Hij verwachtte dat deze coöperaties de particuliere fabrieken zouden overvleugelen en raadde de arbeiders aan zich niet tegen deze ontwikkeling te keren. Boeren, schippers en arbeiders moesten samen front maken tegen de grootkapitalisten, die verenigd in de fabrikantenvereniging Eureka, prijzen, tarieven en lonen bepaalden. Deze strategie kwam niet van de grond omdat de schippersvereniging de sociaaldemocraat Spiekman niet accepteerde en de boeren slechts hun eigen belang zagen.

Toen in 1904 het blad van de boerencoöperaties, De Noord-Ooster, werd opgericht, trad Spiekman als verslaggever in dienst. De SDAP-afdeling Veendam scheurde in dat jaar door een onverkwikkelijke ruzie. De jonge en ambitieuze secretaris Roel Stenhuis joeg de oudere en gemoedelijke partijgenoten door zijn optreden tegen zich in het harnas. Hoewel Spiekman Stenhuis een heethoofd vond, verdedigde hij hem in De Volksstrijd. Een deel van de leden vormde een eigen kiesvereniging en bij de gemeenteraadsverkiezingen behaalde Spiekman te weinig stemmen voor een zetel. Om de SDAP-afdeling te laten groeien haalden Spiekman en Stenhuis Herman Gorter naar Veendam, die in oktober 1904 over de regering van Abraham Kuyper in debat ging met de antirevolutionair G.J. Sybrandy. In 1905 stond Hendrik Spiekman namens de SDAP voor Veendam kandidaat voor de Tweede Kamerverkiezingen. Samen met Gorter, David Wijnkoop en de uitgetreden priester Jan ten Brink maakte deze een verkiezingstournee door het district, maar werd niet gekozen. Frans Spiekman organiseerde en versloeg de verkiezingstocht en deed in het kielzog hiervan een nieuwe gooi naar een raadszetel. Ditmaal lukte het hem bij de herverkiezing. Vooral het verspreiden van 1200 manifesten had aan zijn overwinning bijgedragen. In de raad kwam Spiekman meteen op voor de armen in het werkhuis, waardoor zij er niet alleen twee kwartjes per week bij kregen, maar ook ieder een stoel ontvingen. Hij kreeg het voor elkaar dat voor de arbeiders die in het donkere jaargetijde naar hun werk gingen ’s ochtends de straatverlichting werd aangestoken. Menigmaal zuchtte de raad onder zijn lange betogen, maar Spiekman speelde een vooraanstaande rol in tal van raadscommissies. Hij kon fel uithalen naar tegenstanders, maar zijn humor nam hen voor hem in. Doordat hij jarenlang raadsverslaggever van verschillende gemeenteraden was, bouwde hij kennis en ervaring op. Het gebeurde wel dat een raadsbesluit werd herroepen, omdat Spiekman na afloop van de zitting er op attendeerde dat het genomen besluit strijdig was met de Gemeentewet. Soms debatteerde hij ook vanaf de perstribune mee.

Spiekman kwam in 1906 in het Provinciaal kiesrechtcomité, onderdeel van het landelijk Nederlandsch Comité voor Algemeen Kiesrecht en reisde met het afdelingsvaandel voor de landelijke kiesrechtmeetings af naar Den Haag. Hij wist de afdeling Veendam en Omstreken van de NV zo ver te krijgen dat die meedeed aan de provinciale kiesrechtbetogingen. Dat was nodig omdat de SDAP-afdeling Veendam intussen kwakkelde. Schaper en Van Kuijkhof kwamen eraan te pas om de afdeling begin 1908 weer tot leven te brengen. Hierna verbeterde de positie van Spiekman. Hij kreeg versterking van Stenhuis, die in Veendam terug was, de Nederlandsche Vereeniging van Fabrieksarbeiders oprichtte en tevens het voorzitterschap van de SDAP-afdeling op zich nam. Spiekman werd weer secretaris. In 1910 werd een provinciaal partijgewest opgericht, met Spiekman in het bestuur, en in 1913 kwam hij in de Provinciale Staten. In het Groningse Het Volksweekblad had hij een podium om zijn opvattingen te uiten en zijn tegenstanders aan te pakken. Die sneerden over hem als iemand ‘die te Veendam alwetend koning der S.D.A.P. wilde zijn, zonder tegenspraak’. Spiekman haalde in 1910 een keer zo fors uit dat de Winschoter rechtbank hem wegens belediging tot een boete of veertig dagen hechtenis veroordeelde. Als journalist schreef hij makkelijk en hij stond bekend om zijn routine. Zijn stukken waren direct persklaar. Spiekman deed ook de rechtbankverslagen. Zijn daar opgedane juridische kennis wendde hij aan ten bate van de SDAP en de moderne vakbeweging. Vanaf 1912 was hij ambtenaar van het door de SDAP opgerichte Veendammer Bureau voor Arbeidsrecht, dat in 1915 bij de toen opgerichte Veendammer Bestuurdersbond werd ondergebracht. Ook van de Bestuurdersbond was Spiekman decennialang bestuurder. Hij nam deel aan arbitragecommissies aangaande de uitleg en uitvoering van cao’s in de aardappelmeel- en strokartonindustrie en verdedigde stakers bij de kantonrechter. Vanaf 1911 werkte Spiekman samen met burgemeester Eltjo van Beresteijn, de grote man van de Centrale Vereeniging voor Openbare Leeszalen en Bibliotheken, aan de inrichting van een Openbare Leeszaal in Veendam. Onder de raadsleden bestond tegenstand, omdat zij de kosten vreesden. Spiekman toonde zich verontwaardigd, omdat er wel geld voor een Hoogere Burgerschool was: ‘Het is maar de vraag voor welk doel het is en als het voor het algemeen is, voor het volk, dat behoefte heeft aan ontwikkeling, dan zijn de heeren schriel’. De leeszaal kwam er in 1913.

Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 schokte Spiekman, maar hij stelde zich niet op een pacifistisch standpunt. Anders dan sommige provinciale partijgenoten zag hij de oorlog ook niet als een imperialistische oorlog die tot wereldrevolutie zou leiden. Samen met gematigde sociaaldemocraten zoals Schaper trad hij in 1914 toe tot de Nederlandsche Anti-Oorlog-Raad. In 1917 deed hij namens de NV mee aan het protest van het Groningse Centraal Comité tegen Drankbestrijding tegen het gebruik van graan om er drank van te stoken. Toen in november 1918 in Duitsland de revolutie uitbrak en verschillende SDAP-ers in Groningen ook aan opstand dachten, ging hij daarin niet mee. Na de invoering van het algemeen kiesrecht in 1919 won Spiekman de Veendammer gemeenteraadsverkiezingen overtuigend. De SDAP werd met zes zetels de grootste fractie. Samen met de kleine Vrijzinnig-Democratische Bond bestuurde de SDAP, ondanks heftig verzet van confessionelen en liberalen, in het interbellum Veendam. Spiekman richtte zich als wethouder op de bestrijding van de werkloosheid, de verbetering van de volksgezondheid en de woningbouw. Hij bleef tevens bestuurslid van het SDAP-gewest en bleef actief in de drankbestrijding. In zijn hoedanigheid als wethouder was hij lid van vele gemeentelijke en provinciale organisaties. Om de werkloosheid te bestrijden zette Spiekman in de jaren twintig werklozen aan het werk met productieve arbeid. Wegen werden verbeterd en er werden goede arbeiderswoningen gebouwd. In de Provinciale Staten maakte hij zich hard voor de aanleg van een drinkwaterleidingnet.

Spiekman was nauwelijks landelijk actief. Hij wisselde brieven met Van Kuijkhof, Gerrit Melchers en Franc van der Goes over hun bezoeken aan het noorden en een enkele maal bedelde hij bij Henri Polak van de Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkersbond om geld voor de Groninger arbeidersbeweging. Vanaf 1920 zat hij een aantal jaren in de Partijraad. In 1924 maakte hij met Willem Albarda, Adrien Gerhard, Theo Thijssen, Troelstra en Piet Voogd deel uit van de Onderwijscommissie die het partijstandpunt inzake de socialistische pedagogiek en organisatie van het lager onderwijs moest bepalen. Door het uitbreken van de economische crisis in 1929 en de instelling van het Gemeentefonds werd de financiële autonomie der gemeenten kleiner, terwijl het Rijk grote bezuinigingen doorvoerde. Spiekman zag zich gedwongen werklozen naar de Centrale Werkverschaffing te sturen, met bijbehorende werkverschaffingskampen als in Jipsinghuizen. Om meer voor hen te kunnen doen werd in 1930 de Vereeniging voor Opbouwwerk in de Provincie Groningen opgericht. Spiekman toonde zich enthousiast over deze vereniging. Bij zijn 25-jarig jubileum als raadslid in 1930 werd hij in het zonnetje gezet. Hij was nu een door ieder gewaardeerd bestuurder, maar toen hij in 1933 noodgedwongen instemde met de door het Rijk opgelegde loonsverlagingen van de gemeenteambtenaren, nam een deel van de Groningse SDAP hem dat kwalijk. Ternauwernood konden moties van wantrouwen worden afgewend. De kiezers straften hem in 1935 af. De Veendammer SDAP verloor één van de zeven zetels en een nieuwe werklozenpartij won er één. Hoewel Spiekman locoburgemeester was, accepteerde de Commissaris der Koningin, Hans Linthorst Homan, hem niet als hoofd der gemeente.

Spiekman zag het gevaar van de Tweede Wereldoorlog en sprak in 1939 bij de installatie van de nieuwe burgemeester over ‘zwarte schaduwen welke er, in het algemeen, over de wereld hangen’. Tijdens de Duitse bezetting bleef hij conform het besluit van het SDAP-partijbestuur als wethouder aan. In 1941 ontbonden de Duitsers de gemeenteraden en werd Spiekman als wethouder ambtenaar onder de burgemeester. In dat jaar werden in Veendam de joodse inwoners geregistreerd. In 1942 leverde de gemeente in opdracht van de Zentralstelle für jüdische Auswanderung lijsten met hun persoonsgegevens. De begeleidende brieven werden soms door Spiekman ondertekend en de Veendammer politie voerde de joodse inwoners af. Het gemeentehuis was ook spil in het verzet, want er zaten onderduikers en een Engelse piloot verborgen. Spiekman moet van dit alles geweten hebben. Na de bevrijding van Veendam op 13 april bleef hij wethouder tot november 1945. Toen traden een nieuwe gemeenteraad en een nieuw college aan. Spiekman sloot zich aan bij de Partij van de Arbeid (PvdA), maar verliet de politiek. In 1946 ging hij bij De Noord-Ooster met pensioen. Op zijn tachtigste verjaardag eerde de PvdA hem als ‘pionier van het socialisme’. Bij zijn overlijden in 1961 herdacht de partij Spiekman als een vrijmoedige, vriendelijke en hoffelijke man met humor, ‘een arbeider met een scherp verstand die ten strijde trok tegen onrecht’. In Veendam werd een straat naar hem genoemd.

Publicaties: 

'Bedrijfs-vervormingen in de Groninger Veenkoloniën' in: De Nieuwe Tijd, jrg. 9, 1904, 71-76; Verslag van het openbaar debat over 'het ministerie Kuyper' gehouden op 20 Oct. 1904 tusschen dr. H. Gorter en mr. G.J. Sijbrandij (Veendam 1904); 'Openbare Leeszaal te Veendam' in: Maandblad voor Bibliotheekwezen, jrg. 2, nr. 6, 1914, 171-185; 'Ds. J. van Petegem 21 januari 1842 tot 29 maart 1914' in: Veendam 300. Gedenkboek in opdracht van het gemeentebestuur uitgegeven bij het 300-jarig bestaan van Veendam (Assen 1955) 107-113.

Literatuur: 

W.H. Vliegen, Die onze kracht ontwaken deed. Deel II (Amsterdam 1925); Herdenking van het 25-jarig lidmaatschap van den gemeenteraad van Veendam van den heer F. Spiekman (Veendam 1930); De Noord-Ooster, 6.9.1930; P. Hoekman, J. Houkes en O. Knottnerus (red.), Een Eeuw Socialisme en Arbeidersbeweging in Groningen 1885-1985 (Groningen 1986); H. Buiting, Richtingen- en partijstrijd in de SDAP. Het ontstaan van de Sociaal-Democratische Partij in Nederland (SDP) (Amsterdam 1989); B. van Dongen, Revolutie of integratie. De Sociaal Democratische Arbeiders Partij in Nederland (SDAP) tijdens de Eerste Wereldoorlog (Amsterdam 1992); J. Houkes, ‘Spiekman, Frans’ in: J.D.R. van Dijk en W.R. Foorthuis (red.), Vierhonderd jaar Groninger Veenkoloniën in biografische schetsen (Groningen 1994) 189-192; P. Hoekman en J. Houkes, ‘Verkiezingsstrijd in het district Veendam’ in: P. Brood e.a. (red.), 350 jaar Veendam en Wildervank (Bedum 2005) 150-160; A. van Veldhuizen, De partij. Over het politieke leven in de vroege S.D.A.P. (Amsterdam 2015).

Portret: 

Frans Spiekman, Beeldbank Groningen.

Auteur: 
Jannes Houkes
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA online (2019)