STAVEREN, David van

David van Staveren

sociaal-democratisch voorzitter van de Centrale Commissie voor de Filmkeuring, is geboren te Utrecht op 16 januari 1881 en overleden te Rotterdam op 20 oktober 1966. Hij was de zoon van Samuel van Staveren, koopman, en Jetje Bouwman. Op 22 mei 1912 trad hij in het huwelijk met Johanna Elisabeth Haalebos, met wie hij twee dochters kreeg.

Van Staveren was in Utrecht in een gezin van tien kinderen opgegroeid. Na het behalen van zijn onderwijzersakte in 1899, twee jaar later gevolgd door de hoofdakte, was hij werkzaam als onderwijzer in de Utrechtse volkswijk Wijk C. Rond de spoorwegstakingen van 1903 sloot hij zich aan bij de SDAP. Later werd hij voorzitter van de federatie Utrecht van deze partij en in 1909 nam hij de redactie over van het plaatselijke partijorgaan De Stem des Volks. Plaatselijke bekendheid kreeg hij echter vooral door zijn activiteiten op muziekgebied. Bij de Utrechtse componist J. Wagenaar had Van Staveren, die over een goede stem en een absoluut gehoor beschikte, zanglessen gevolgd en het toonkunstdiploma voor zangonderwijs gehaald. Hij richtte het arbeiderskinderkoor De Kleine Stem op en dirigeerde tevens het gemengde koor De Stem des Volks. In 1913 werd Van Staveren onderwijzer aan een lagere school in Den Haag. Daar werd hij weldra actief in de Bond van Nederlandsche Onderwijzers (BvNO) en tijdens de Eerste Wereldoorlog voerde hij het secretariaat van een comité voor ontwikkeling en ontspanning van werklozen. Toen de Haagse SDAP-wethouder J.W. Albarda in 1918 een directeur zocht voor de Haagsche Schoolbioscoop, een nieuw prestigeproject van de Residentie, kwam er volgens hem maar één man in aanmerking: Van Staveren. Albarda kende van Staveren als secretaris van het dagelijks bestuur van de Federatie Den Haag van de SDAP (1915-1917). Van dit bestuur was Van Staveren van 1919 tot 1921 voorzitter. Hij had geen enkele ervaring op het gebied van film, maar weldra ontwikkelde hij zich tot expert op het terrein van de educatieve film. Samen met de Haagse bioscoopondernemer en filmproducent W. Mullens ontwikkelde Van Staveren in 1918-1919 een reeks onderwijsfilms over onder meer bijen, de aardewerkindustrie in Gouda en de Rijksmunt. In de brochure De bioscoop en het onderwijs (Leiden 1919) ontvouwde hij zijn ideeën. De schoolbioscoop, mits in deskundige handen, zag hij als 'een uitnemend middel om de wetenschap te democratiseren'. Hij toonde zich een tegenstander van het vrijblijvend vertonen van films in het klaslokaal. Filmprojectie vereiste in zijn ogen technische - vanwege het brandgevaarlijke filmmateriaal - en pedagogische - door het speciale karakter van filmbeelden -expertise die, omdat de gemiddelde onderwijzer daarover niet beschikte, geconcentreerd diende te worden in een aparte instelling, de plaatselijke schoolbioscoop. Zijn opvattingen ondervonden de nodige weerstand bij collega's in de BvNO, terwijl ook een vooraanstaand pedagoog als Ph.A. Kohnstamm zijn twijfels uitte over het nut van dergelijk aanschouwelijk onderwijs. In de jaren twintig reisde Van Staveren door het hele land om zijn opvattingen over de schoolbioscoop uit te dragen. Verder maakte hij het met steun van partijgenoot D. van Kreveld uitgegeven maandblad Het Lichtbeeld tot spreekbuis voor een veelheid aan hervormingsgezinde stromingen op filmgebied. Hoewel het door hem verdedigde Haagsche Schoolbioscoop-model weinig navolging vond, verwierf hij ook in niet-socialistische kringen - en zelfs in de filmbranche het nodige respect. Dat hij gezien werd als een man die boven de partijen kon staan bleek dan ook in 1928 bij zijn verrassende benoeming tot voorzitter van de nieuwe Centrale Commissie voor de Filmkeuring (CCF). Ondanks het feit dat de SDAP zich tegen de Bioscoopwet had uitgesproken en Van Staveren actief partij lid was (van 1923 tot 1928 was hij lid van de Provinciale Staten van Zuid-Holland), werd hij op deze gevoelige post aangesteld en later zelfs tot regeringsadviseur voor filmaangelegenheden benoemd. De CCF had tot taak films te keuren op eventueel gevaar voor de openbare orde en op aantasting van de goede zeden. Afgezien van zijn organisatorisch talent gaf hij binnen de CCF voortdurend blijk van zijn streven naar consensus. Daarbij bleken in de praktijk zijn zedelijkheidsopvattingen niet zo veel te verschillen van die van de confessionelen. Zo kon hij zich in tegenstelling tot verscheidene andere socialisten vinden in het verbod van de Russische film 'Bed en Sofa', omdat daarin een driehoeksverhouding centraal stond. Overigens werd de eveneens uit de Sovjet-Unie afkomstige film 'Pantserkruiser Potemkin', waarin een matrozenopstand op de Zwarte Zee werd getoond, wél door de CCF toegelaten. De neutraliteitspolitiek dwong Van Staveren in de loop van de jaren dertig steeds vaker bij het ministerie van Buitenlandse Zaken te rade te gaan wanneer openlijk pro- of anti-Duitse films gekeurd moesten worden. De baan had ook zijn prettige kanten en Van Staveren ontleende er het nodige prestige aan. Dit bleek onder meer uit het feit dat hij in 1931 zowel door Electra als door Polygoon gevraagd werd om in hun allereerste geluidsjournaals een welwillend woord tot het bioscooppubliek te richten. Onder zijn invloed begon men in socialistische kringen positiever te denken over het instituut fllmkeuring. Verder benutte hij zijn voorzitterschap om nationaal en internationaal de onderwijsfilm te propageren.

Van Staveren nam direct na de capitulatie in mei 1940 ontslag als voorzitter van de CCF. Omdat hij met een niet-joodse vrouw was getrouwd werd hij niet weggevoerd, maar veel van zijn naaste familieleden kwamen om in de vernietigingskampen. In 1943 verloor hij een van zijn dochters door een besmettelijke ziekte. Op 3 maart 1945 werd zijn woning bij het bombardement van de Royal Air Force op Bezuidenhout verwoest, waarbij tot zijn grote verdriet zijn boekencollectie en zijn complete archief verloren gingen. Na de bevrijding nam Van Staveren zijn functie bij de CCF weer op. Door het gebrek aan woonruimte zag hij zich zelfs gedwongen om tijdelijk in het gebouw van de filmkeuring in te trekken. In het kader van de zuivering moesten alle films opnieuw worden gekeurd. Dat dit niet tot controversen leidde, was te danken aan de tact en efficiëntie van Van Staveren. Ondanks het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd bleef hij nog tot oktober 1948 als voorzitter aan. Na zijn pensionering wijdde hij zich aan het Haags Instituut voor Volksontwikkeling, de opvolger van de Haagse afdeling van het Instituut voor Arbeidersontwikkeling (IvAO), waarvan hij sinds 1929 voorzitter was. (Van 1932 tot 1938 was hij ook landelijk actief geweest in het IvAO, van 1932 tot 1938 als lid van het Centraal Bestuur, in 1937-1938 in het Dagelijks Bestuur.) Verder werd hij benoemd tot voorzitter van de Rijkscommissie inzake literatuurvoorziening. Ook de filmwereld - van de studentenbioscoop Kriterion tot het Nederlands Historisch Filmarchief- profiteerde nog volop van zijn bestuurskwaliteiten. In 1958 verscheen bij de Wiardi Beckman Stichting Actieve filmpolitiek, een rapport van een commissie onder zijn voorzitterschap. Hierin werd gepleit voor een actieve bemoeienis van de overheid met film binnen het kader van een algemene cultuurpolitiek. Grondstelling van het rapport was dat film 'een positieve cultuurkracht' kon zijn. Juist dit uitgangspunt had het doen en laten bepaald van Van Staveren vanaf het moment dat hij directeur van de Haagsche Schoolbioscoop werd.

Publicaties: 

De schoolbioskoop' in: De Gemeente, 1919, 40-43; 'De schoolbioskoop' in: De Bode, 8.7.1921 en 15.7.1921; 'De bioscoop in dienst van het onderwijs en de volksontwikkeling' in: Volksontwikkeling, 1921, 458-472; 'Over Bioscoop en Onderwijs' in: Volksontwikkeling, 1922, 99-107; 'Een bioscoopwetsontwerp' in: Socialistische Gids, 1922, 947-959; De taak der Centrale Commissie voor de keuring van films (1928); Rood Weenen (1932); Openbare orde en goede zeden. Artikel 16 Bioscoopwet (Den Haag 1933); De wonderen van de film (1935); 'De invloed van de film op de volkspsyche' in: Socialistische Gids, 1936, 95-109; 'Het verweer der fllmkeuring' in: De Baanbreker, 8.12.1945; 'Geen censuur!' in: De Baanbreker, 15.12.1945; 'Noodzaak van controle' in: De Baanbreker, 22.12.1945; 20 jaren filmkeuring (Den Haag 1948); Inleiding tot de Filmkunst (Amsterdam 1949).

Literatuur: 

Vliegen, Kracht III, 302-304; C .A. M. Diepenhorst, De sociaal-democratie in de residentie (Den Haag 1934); H.C.M. Michielse, Socialistiese vorming (Nijmegen 1980).

Portret: 

D. van Staveren (briefkaart, naar een schilderij van Anton Molkenboer, 1938), IISG

Auteur: 
Bert Hogenkamp
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 6 (1995), p. 208-211
Laatst gewijzigd: 

00-00-1995