STEINMETZ, Willem

Willem Steinmetz

voorzitter van de afdeling Amsterdam van de Nederlandse R.K. Volksbond en wethouder Sociale en Personeelszaken van Amsterdam, is geboren te Amsterdam op 11 oktober 1891 en aldaar overleden op 22 februari 1968. Hij was de zoon van Theodorus Steinmetz, schoenmaker, en Gerarda Snijders. Op 21 september 1926 trad hij in het huwelijk met Wilhelmina Petronella Vervaat, met wie hij vijf dochters en twee zoons kreeg.

Steinmetz' geboortehuis stond in de Weesperstraat, in het hart van de Amsterdamse Jodenbuurt. Zijn lagere school was de St. Vincentius-armenschool. Als dertienjarige ging hij werken als jongste bediende op het kantoor van het handelshuis Crone. Door zelfstudie en avondcursussen Duits, Engels en boekhouden werkte hij zich op tot boekhouder. Later behaalde hij diploma's sociologie en economie aan de Katholieke Sociale Academie. Zijn sociaal-politieke leerschool waren de Oostelijke Eilanden, waar hij kind aan huis was bij kapelaan P.J. van Beuzekom en het patronaat van de St. Anna-parochie (De Pool). In 1912 sloot hij zich aan bij de katholieke kantoorbediendenbond en bij de afdeling Amsterdam van de R.K. Volksbond. Twee jaar later was hij oud genoeg om lid te worden van de plaatselijke R.K. Kiesvereeniging. Als lid van de R.K. Propagandaclub hield hij zich bezig met verkiezingspropaganda, het uitgeven van krantjes, speechen en debatteren. Ook hield hij inleidingen over de sociale kwestie voor het patronaat. Hij richtte bovendien in deze tijd de eerste gemengde katholieke toneelvereniging in Nederland op. In de jaren dertig trad hij op als inleider op door de katholieke arbeidersbeweging georganiseerde studiedagen. Op 18 juni 1926 werd Steinmetz gekozen tot opvolger van J.H. van Rooijen als voorzitter van de Amsterdamse Volksbond, die juist meegesleept dreigde te worden in het financieel debâcle van de Katholieke Bioscoop. Als kersvers voorzitter wist Steinmetz de failliete boedel te redden. Tot 16 maart 1953 bleef hij voorzitter van 'zijn' Volksbond. Hij maakte tevens deel uit van de Centrale Raad van de Nederlandse Volksbond in het bisdom Haarlem. In 1930 werd hij gesteld voor de keuze tussen een goede kantoorloopbaan en het wisselvallig bestaan in de politieke en sociale beweging, toen hij gevraagd werd om in dienst te treden van de Haarlemse diocesane Volksbond. Hij koos voor het laatste. Een jaar later werd hij benoemd tot penningmeester van de bond. Achttien jaar lang - van 1930 tot 1948 - hoorde Steinmetz elke dinsdagavond in het rechtskundig adviesbureau van de Volksbond de financiële en persoonlijke problemen van zijn leden aan. Intussen manifesteerde Steinmetz zich ook in de katholieke politiek. Als vice-voorzitter van de Amsterdamse katholieke kiesvereniging sprak hij zich op de algemene bondsvergadering van 1923 uit tegen het voorzitterschap van de conservatieve baron A.I.M.J. van Wijnbergen. Hij sympathiseerde met de Michaël-beweging, die de katholieke eenheidspartij in democratische, progressieve richting wilde sturen. In 1931 werd Steinmetz voor de R.K. Staatspartij gekozen in de Amsterdamse gemeenteraad, waar hij zich slagvaardig en vasthoudend bezighield met onderwerpen op het gebied van sociale aangelegenheden, volkshuisvesting, nijverheidsonderwijs en kunstzaken. In 1948 werd hij gekozen tot wethouder van Sociale en Personeelszaken. De personeelsvoorziening van de gemeente had zijn bijzondere aandacht. Bij zijn afscheid in 1962 kreeg hij door zijn ambtenaren een boek aangeboden met sociale gedichten en verhalen: En de klok loopt door. Ook werd in het dienstgebouw aan de Lutmastraat en in de aangrenzende Oude Rai een tentoonstelling georganiseerd van documenten en foto's uit de geschiedenis van de dienst en van werk van veertig beeldend kunstenaars. Als raadslid kwam Steinmetz in de jaren dertig enkele keren in botsing met zijn fractievoorzitter C.P.M. Romme. In het najaar van 1934 onttrok hij zich aan de fractiediscipline door met de meerderheid van de raad mee te stemmen tegen de verlaging van de grondlonen van het gemeentepersoneel. Ook bij de stemming over de gemeentebegroting voor 1936 keerde Steinmetz zich met de SDAP tegen de zesde loonsverlaging voor het gemeentepersoneel in drie jaar. De controverse tussen Steinmetz en Romme had te maken met de verkiezingen van 1933, toen Steinmetz werd gekozen in de Tweede Kamer. Dat Steinmetz zijn fractievoorzitter passeerde op de kandidatenlijst als gevolg van een door de katholieke arbeidersbeweging gesteunde georganiseerde actie legde een zware hypotheek op hun verhouding. Romme wilde zich vanwege de gang van zaken als gemeenteraadslid terugtrekken. Daarop deed het gerucht de ronde dat Steinmetz Romme zou opvolgen als fractievoorzitter, dit tot vreugde van de linkerzijde, die onder Steinmetz een zwenking van de katholieken in democratische richting verwachtte. Romme liet zich echter overhalen om zich toch verkiesbaar te stellen.

In de katholieke Kamerfractie werd Steinmetz met J.J.W. IJsselmuiden en M.J.M. van Poll gerekend tot de linkervleugel, die botste met de bezuinigingspolitiek van H. Colijn en die voorzichtig aanstuurde op samenwerking met de sociaal-democraten. Bij de kabinetscrisis van 1935 gaf Steinmetz in het fractieberaad te kennen dat wat hem betrof het moment van de uiterste noodzaak was gekomen. Als Kamerlid zette Steinmetz zich onder meer in voor de werklozensteun, de werkloosheidsbestrijding, het maatschappelijk werk en de verbetering van de Armenwet. In de jaren dertig was Steinmetz tweede voorzitter van de Nationale Woningraad, volgens C.J. Kuiper een door sociaal-democraten geleide neutrale organisatie, waarbij ook katholieke woningbouwverenigingen waren aangesloten. In 1936 ondernam Steinmetz met anderen een mislukte poging om te komen tot permanente samenwerking tussen de Nationale Woningraad en het katholieke Centraal Instituut voor Volkshuisvesting, volgens Kuiper een daad van 'katholieke zelf-miskenning'. Tijdens de oorlog werd Steinmetz door de Duitsers gegijzeld in St. Michielsgestel. Na de oorlog werkte hij mee aan de heroprichting van de katholieke partij in Amsterdam. Na zijn pensionering en de dood van zijn vrouw in 1959 leefde hij teruggetrokken. Bij zijn dood in 1968 prees Romme hem om zijn 'sociale bewogenheid in nuchtere verpakking'. Steinmetz werd begraven op de Begraafplaats St. Barbara in Amsterdam.

Literatuur: 

C.J. Kuiper, Uit het rijk van den arbeid (Utrecht 1924-1953); Socioscoop, 1962, nr. 5; En de klok loopt door (Amsterdam 1962); de Volkskrant, 23.2.1968; J. Bosmans, Romme. Biografie 1896-1946 (Utrecht 1991); J. van Meeuwen, Lijden aan eenheid. Katholieke arbeiders op zoek naar hun politiek recht (1897-1929) (Hilversum 1998).

Portret: 

W. Steinmetz, uit: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden (Amsterdam 1938)

Auteur: 
Jos van Meeuwen
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 6 (1995), p. 211-213
Laatst gewijzigd: 

13-02-2003