STERRINGA, Jan

Jan Sterringa

redacteur-uitgever van An-Archie en van anarchistische vijf-cents brochures, is geboren te Beneden Knijpe (gemeente Schoterland) op 25 februari 1870 en overleden te Broek op Langedijk op 27 november 1951. Hij was de zoon van Gerrit Hermanus Sterringa, huisschilder, en Philipine Johanna Melis. Op 28 oktober 1903 trad hij in New York in het huwelijk met Trijntje Vliegop, dienstbode. In april 1902 had zij zich in Walden gevestigd als lid van de huishoudelijke staf. Samen kregen zij drie zoons.

Sterringa groeide op in de Zuidoosthoek van Friesland, waar de armoede groot was en zijn vader de kost niet kon verdienen. In 1889 trok Sterringa vanuit Heerenveen naar Den Haag. Hij was opgeleid tot letterzetter, maar vond waarschijnlijk moeilijk een baan. Per 1 mei 1891 nam hij dienst als remplacant bij het eerste Regiment Veldartillerie, werd kanonnier en enkele maanden later stukrijder. Eind juni 1893 nam hij ontslag uit de dienst en kreeg daarna nog vijf jaar lang een pensioen van f100,- per jaar. Nog in het jaar van zijn ontslag trok Sterringa bij zijn vader in, die zich in 1890 met een van zijn dochters en haar zoon in Amsterdam had gevestigd. Vervolgens werkte Sterringa op verschillende drukkerijen in Amsterdam. Vanwege zijn overtuiging werd hij enige keren ontslagen, zoals hij later F. Domela Nieuwenhuis in een scherpe woordenwisseling zou meedelen. Al op jonge leeftijd, tijdens zijn verblijf in Den Haag, was Sterringa anarchist geworden. Eind maart 1891 had hij daar de allereerste samenkomst van anarchisten ten huize van J. Methöfer meegemaakt - een feit waarop hij later met trots terugzag. Het handjevol daar aanwezige anarchisten dacht heel verschillend en Methöfer kreeg er niet de steun die hij voor het blad Anarchist zocht. Sterringa zag in Methöfer een leermeester. Ook stond hij onder invloed van de gewezen dominee Willem Meng, die als declamator van Multatuli bekend werd en als theosoof het blad Licht en Waarheid uitgaf. Meng had in 1881 de vrijdenkersvereniging Het Vrije Woord opgericht samen met de oude saintsimonist G.W. van der Voo. Met diens zoon B.P. van der Voo als redacteur gaf Sterringa van januari 1894 tot en met mei 1895 een nieuw blad onder de titel Licht en Waarheid uit als anarchistisch-communistisch orgaan. Het blad werd vanaf 1894 gesponsord door de Amsterdamse groep Zelfstandigheid. In 1894 raakte Sterringa zijn baan kwijt door een staking, maar hij zette met de uitgave van Licht en Waarheid zijn bestaan voort als zelfstandig uitgever en boekhandelaar. Alles deed hij zelf: het zetten en drukken, de administratie en de colportage. Hij overspoelde Nederland met goedkope binnen- en buitenlandse anarchistische geschriften, de bekende 'Sterringa vijf-cents brochures'. Hij gaf vooral werk uit van individueel-anarchisten, die door hem aangehangen standpunten weergaven. De eerste vijf-cents brochure was Na de revolutie door Jean Grave. Vertalingen van schrijvers als B. Tucker, S. Faure, E. Reclus, A. Retté en Ch. Malato (De Opstand in Spanje) volgden. Sterringa noemde zich aanhanger van de leer der vernietiging en vond dat verbetering van het bestaande niet mogelijk was. De staat zag hij als de grootste vijand. Hij zette zich sterk af tegen sociaal-anarchisten als J. Methöfer en H.E. Kaspers, beiden een tijd lang redacteur van Anarchist. Sterringa leefde zich uit in zijn in 1896 met B.P. van der Voo begonnen blad An-Archie, dat was opgericht om de Anarchist te vervangen en als tegenwicht diende voor de sociaal-democratische propaganda. Toen Sterringa hoorde dat Methöfer zijn in 1894 te gronde gegane Anarchist nieuw leven wilde inblazen, bood hij hem tijdens een overleg op 13 september 1896 de helft van de ruimte in An-Archie aan. Beider standpunten waren echter te veel uiteengelopen en Methöfer weigerde dan ook. Met de steeds meer naar het sociaal-anarchisme neigende opvattingen van zijn mede-redacteur B.P. van der Voo kreeg Sterringa ook problemen. Van der Voo verhuisde naar Brussel, maar bleef voor Sterringa vertalen. An-Archie kende moeilijke tijden en Sterringa klaagde over een te kleine oplage, hoewel het blad ook in België verkocht werd. Zijn vergoeding voor het werk was gering, maar andersdenkenden in de anarchistische beweging meenden dat hij als boekhandelaar en uitgever een goed bestaan had. 'Ons blaadje wordt geboycot... Er is onverschilligheid en begonnen zonder hulp, zonder lezers, zonder geld komt er spoedig een eind aan', schreef hij in mei 1896. Inderdaad was hij in 1899 genoodzaakt de uitgave wegens geldgebrek enige tijd te stoppen. Hij bood het blad twee keer ter overname aan B. Reyndorp aan, maar deze medewerker van zowel Licht en Waarheid als An-Archie voelde er niets voor. Sterringa gaf nog een ander blad uit, het geïllustreerde Maandblad Wetenschappelijke Bijdragen, dat bedoeld was om arbeiders natuurkundige kennis bij te brengen.

Zijn hele leven bleef Sterringa theosofische sympathieën koesteren. In 1897 had hij zijn naam gezet onder de stichtingsakte van het Theosofisch Genootschap, opgericht door de Amerikaanse Katherine Tingley en in Nederland aangevoerd door Hermance de Neufville. Sterringa zag geen strijdige tegenstelling tussen anarchisme en theosofie. Volgens de latere vrijdenker Jan Hoving was hij in deze tijd tevens lid van de 'esoterische' loge van het Theosofisch Genootschap. In 1900 gaf Sterringa een andere richting aan zijn leven. Hij verhuisde naar de Kerkstraat 360 in de buurt van het Amstelveld. Daar begon hij een geheelonthouderscafé, waar ook bijeenkomsten gehouden konden worden en waar hij zijn boekhandel vestigde. Het café werd de vaste stek van de Socialistische Jongeliedenbond afdeling Amsterdam. In deze tijd kwam het christen-anarchisme rond het blad Vrede naar voren. Via L. Bähler en G.F. Lindeijer, medewerkers van An-Archie, kreeg Sterringa contact met de Tolstojanen. Van een echte toenadering was geen sprake, want zij vonden Sterringa te extreem. Hij schreef enkele artikelen in Vrede, waarin hij zich kritisch uitliet over geweldloosheid. Zelfs in dit blad nam hij geen afstand van het gewelddadig anarchisme. Hij kon begrip opbrengen voor de Italiaanse anarchist Luigi Luccheni, die in 1898 de Oostenrijkse keizerin Elizabeth doodstak. Ook de aanslag van Leon Czolgosz op de Amerikaanse president W. Mc Kinley in 1901 wees hij niet af. Hij verheugde zich dat er tenminste iets gebeurde. Door dit soort uitlatingen trok hij de aandacht van de autoriteiten. De politie bemoeilijkte de colportage van An-Archie, waarop het blad begin 1902 voorgoed verdween. Ook de uitgeverij had het moeilijk. Het individuele anarchisme van de daad, dat Sterringa's uitgeverij verbreidde, dolf het onderspit tegen het sociaal-anarchisme, waarover P.M. Wink brochures uitgaf. Wink beweerde dat Sterringa slechte vertalingen bracht. Domela Nieuwenhuis zou Wink in die mening steunen, maar Sterringa bracht naar voren dat de gezaghebbende Max Nettlau zijn brochures de beste en volledigste vond. Omgekeerd noemde hij Nettlau's plan voor een bibliografie van het anarchisme 'reusachtig nuttig geduldwerk'. In het voorjaar van 1902 bewoonde Sterringa met zijn vriendin Trijntje Vliegop enige maanden een hut op Walden. Kort daarop werd hij secretaris van de afdeling Amsterdam van Gemeenschappelijk Grondbezit. Maar in oktober 1902 emigreerden beiden naar de Verenigde Staten, waar zij een zwervend bestaan leidden. Blijkbaar konden zij er niet aarden, want in 1910 streek Sterringa, inmiddels getrouwd en vader van drie zoons, neer in Delfzijl. Hij kreeg er een baan bij de rederij van de theosofisch aangelegde Egbert Wagenborg. Delfzijl en het nabij gelegen Farmsum kenden een harde kern van individueel-anarchisten rond de havenarbeider Remko Tamminga. Tijdens de Eerste Wereldoorlog tekende Sterringa het Dienst weigeringsmanifest van 1915. De militaire geheime dienst hield hem tijdens de revolutiedagen van 1917-1918 in de gaten, omdat men meende met een communist van doen te hebben. Hij werkte toen als boekhouder op de scheepswerf van J. Niestern, die ook revolutionair was. Veel ondernam Sterringa niet meer. Tot 1930 werkte hij in Delfzijl en vertrok toen, zijn zoons achterna, naar Eindhoven. Daarna leefde hij nog in Amsterdam, Assendelft en Broek op Langedijk.

Publicaties: 

Ingezonden brieven in Recht voor Allen (1896) en De Vrije Socialist (1898); artikelen in An-Archie en Vrede (1898); Het militairisme. Het recht op leven (Amsterdam 1900); Wat willen de anarchisten? (Amsterdam 1901); Nieuwe liederenbundel. Bijeen verzameld door -. Eerste stukje (Amsterdam 1902).

Literatuur: 

Vliegen, Dageraad II, 212; Vliegen, Kracht I, 285, J. Hoving, Levensherinneringen van een vrijdenker. Jeugd (Antwerpen 1934) 417-418; G. Harmsen, Blauwe en rode jeugd (Assen 1961, Nijmegen 1975); J.M. Welcker, Heren en arbeiders (Amsterdam 1978); J.S. de Ley, B. Luger, Walden in droom en daad (Amsterdam 1980) 130, 143; M. Nettlau, Geschichte der Anarchie. Deel V (Vaduz 1984) 358.

Portret: 

J. Sterringa, titelpagina Sterringa's vijf-cents brochure, z.j.

Auteur: 
Jannes Houkes, Johanna M. Welcker
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 4 (1990), p. 197-199
Laatst gewijzigd: 

10-03-2003