TINBERGEN, Jan

Jan Tinbergen

sociaal-democratisch econoom, is geboren te Den Haag op 12 april 1903 en aldaar overleden op 9 juni 1994. Hij was de zoon van Dirk Cornelis Tinbergen, leraar Nederlands aan een gymnasium, en Jeannette van Eek, onderwijzeres. Op 19 juli 1929 trad hij in het huwelijk met Tine Johanna de Wit, juriste, met wie hij vier dochters kreeg.
Pseudoniem: Jan Dirks.

Tinbergen was de oudste zoon in een intellectueel begaafd gezin, dat maar liefst twee Nobelprijswinnaars voortbracht. In 1969 ontving Jan de Nobelprijs voor economie en in 1973 zijn broer Niko voor ethologie. Van huis uit was het gezin lid van de Remonstrantse Broederschap. Over politiek werd in het gezin Tinbergen slechts in beperkte mate gesproken. Tinbergens engagement werd echter al vroeg gevoed, toen zijn moeder, die onderwijzeres in Scheveningen was geweest, hem naar een Scheveningse vissersweduwe stuurde die vroeger bij haar had gewerkt. De armoede die hij daar en later als student in Leiden aantrof, hebben zijn levensinstelling beslissend beïnvloed. Aanvankelijk gold zijn wetenschappelijke belangstelling nog niet de economie. In 1921 ging hij wis- en natuurkunde studeren aan de universiteit van Leiden, bij de befaamde natuurkundige P. Ehrenfest. Als student werd hij in 1922 lid van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) en werd hij actief in de Bond van Sociaal-Democratische Studenten Clubs (SDSC), waarvan hij een afdeling oprichtte in Leiden. Via de SDSC raakte Tinbergen bevriend met H. Vos. Deze generatie SDSC-ers werd theoretisch sterk beïnvloed door het boek De psychologie van het socialisme (Amsterdam 1927) van Hendrik de Man. Tinbergen was al antimilitaristisch, maar zijn dienstweigering werd beïnvloed door die van de zoon van de bouwmeester H.P. Berlage, een wat oudere natuurkundestudent, die daarvoor nog in de gevangenis belandde. Tinbergen had al in 1921 in dienst moeten gaan maar kreeg vanwege zijn studie uitstel tot na zijn doctoraalexamen in juli 1925. Hij had het geluk dat in 1923 de Dienstweigeringswet werd aangenomen, die het mogelijk maakte om vervangende burgerdienst te doen. Omdat zijn burgerdienst pas in mei 1926 zou beginnen, gebruikte Tinbergen het tussenliggende jaar voor journalistiek werk. Voor Het Volk schreef hij een reeks beschrijvingen van 'Het leven van werklozen' in Leiden. De burgerdiensttijd duurde 25 maanden, een jaar langer dan de militaire diensttijd, waarvan hij vijftien maanden doorbracht als 'tijdelijke hulpklerk' van de gevangenis in Rotterdam. Omdat hij er eigenlijk overcompleet was, had hij veel tijd om te lezen. In deze periode begon Tinbergen zich, door middel van zelfstudie, toe te leggen op de economische wetenschap. Als pas afgestudeerd natuurkundige, had hij het gevoel 'de sosialistiese beweging met deze vakken niet zeer te kunnen dienen'. De studie van economie en statistiek zouden wel nuttig zijn 'door het ekonomies karakter van vele sosialistiese hervormingen en door de overtuiging dat de sosialisatie ekonomies geschoolde krachten nodig zal hebben voor elke verdere doorvoering. Ekonomies geschoolde krachten die zich voor het sosialisme willen geven en niet in de eerste plaats een "baantje" zoeken', aldus de 23-jarige Tinbergen in een brief aan F.M. Wibaut, die voor veel jonge socialisten een belangrijke mentor was. Voor de studie van de statistiek kreeg Tinbergen voldoende gelegenheid doordat zijn vader wist te bewerkstelligen dat hij de laatste tien maanden van zijn dienstplicht kon gaan werken op het Bureau Conjunctuuronderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) te Den Haag. Zijn proefschrift Minimumproblemen in de natuurkunde en de ekonomie (Amsterdam 1929), waarop hij op 22 maart 1929 promoveerde, laat de overgang zien van de natuurkundige naar de econoom Tinbergen. Hoewel het CBS erop rekende dat Tinbergen terug zou keren na zijn promotie, speelde deze zelf met het idee om bij Philips in Eindhoven te gaan werken. Tweemaal kreeg hij de gelegenheid er te solliciteren. Er was een nieuwe afdeling 'Organisatie en Bedrijfsleiding' opgericht, waarvan J. Goudriaan de leiding had. Ehrenfest had nauwe contacten met het Philips Natuurkundig Laboratorium, en gebruikte deze om te proberen Tinbergen aan een baan te helpen. De eerste keer, december 1928, prefereerde men bij de afdeling echter een ingenieur en de tweede keer, maart 1929, trok Tinbergen zich zelf terug. Hij had namelijk H.W. Methorst, de directeur van het CBS, inmiddels beloofd om van 1 april tot 1 juli in dienst van het Institut International de Statistique en per 1 juli in dienst van het CBS te gaan werken. Hij had niet meer gerekend op een kans bij Philips. Na Tinbergens vertrek bij het CBS waren de publikaties over conjunctuuronderzoek aanzienlijk afgenomen en men vreesde dat het conjunctuuronderzoek door particuliere organisaties zou worden overgenomen. Tinbergen zou tot 1945 bij het CBS blijven en het conjunctuuronderzoek aldaar uiteindelijk leiden. Tinbergens proefschrift en statistisch werk waren niet onopgemerkt gebleven. Professor Th. Limperg nodigde hem uit om privaatdocent te worden aan de faculteit der handelswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam. Van 1930 tot 1939 doceerde Tinbergen in Amsterdam over 'de wiskundige methode in de statistische analyse en haar toepassingen op het bedrijfsleven'. Rotterdam bood hem een leerstoel aan. In 1933 werd hij daar aan de Nederlandse Handels-Hoogeschool benoemd als buitengewoon hoogleraar in de statistiek en de statistische analyse. Ook internationaal vond Tinbergen steeds meer erkenning voor zijn wetenschappelijk werk. Werd hij aanvankelijk nog gevraagd om 'charter member' van de onlangs opgerichte Econometric Society te worden, alras was hij een van de belangrijkste woordvoerders van deze groep wiskundig en statistisch ingestelde economen en werd de derde Europese bijeenkomst van de Econometric Society in Leiden gehouden.

Naarmate Tinbergens reputatie als wetenschapper groeide, nam ook zijn gezag binnen de SDAP toe. Tinbergen heeft een grote invloed uitgeoefend op de sociaal-democratische theorievorming. In haar artikel uit 1938 'Vijf en twintig jaar socialistische theorie' noemde H. Verwey-Jonker Tinbergen 'het meest uitgesproken type' van de derde generatie theoretici: 'De derde generatie oordeelt "voraussetzungslos" en ze heeft een honger naar feiten'. Al in 1928 begon Tinbergen in De Socialistische Gids te publiceren, waarvan hij van 1930 tot 1938 redactielid was. Toen in 1934 het Wetenschappelijk Bureau van de SDAP werd opgericht, met Vos als directeur, werd Tinbergen lid van het curatorium. Dit leidde tot een vruchtbare samenwerking tussen Vos en Tinbergen, waarvan het Plan van de Arbeid (1935) de bekroning was. Tinbergens bijdrage was onmiskenbaar de kwantificering van het economisch beleid. De meest sprekende uiting van zijn methode, en kenmerkend voor al zijn latere werk, was dat hij als preadvies naar aanleiding van de vraag 'Kan hier ten lande, al dan niet na Overheidsingrijpen, een verbetering van de binnenlandse conjunctuur intreden, ook zoner verbetering van onze exportpositie?' (1936) een model van de Nederlandse economie ontwikkelde in plaats van zich te baseren op de gebruikelijke verbaal beargumenteerde adviezen. Zijn manier van aanpak om een macro-economisch model te maken als antwoord op een economische beleidsvraag was volstrekt nieuw, ook internationaal, en riep dan ook veel weerstand op tijdens de vergadering van de Vereeniging voor de Staathuishoudkunde en de Statistiek, waar het preadvies besproken werd. In hetzelfde jaar werd hij gevraagd om bij de Economic Intelligence Service (EIS) van de Volkenbond in Genève te komen werken met de bedoeling verschillende conjunctuurtheorieën aan de hand van statistische gegevens te testen. Tinbergen werkte twee jaar aan deze opdracht en rapporteerde de resultaten in Statistical testing of business-cycle theories (Genève 1939). Het eerste deel omvatte een uitleg van de toentertijd geheel nieuwe econometrische methode en het tweede deel bevatte een macro-econometrisch model van de Verenigde Staten. Deze aanpak was onverwacht en controversieel. A. Loveday, de directeur van EIS, stuurde daarom voor de zekerheid de publikatie naar verschillende vooraanstaande economen, onder wie J.M. Keynes. Kritiek was er, zeker van Keynes, maar Tinbergen wist zijn aanpak met verve te verdedigen. Tinbergens methode werd in Nederland geïnstitutionaliseerd door de oprichting van het Centraal Planbureau (CPB) kort na de Tweede Wereldoorlog. Vos, die in het eerste naoorlogse kabinet Schermerhorn-Drees minister van Handel en Nijverheid was, vroeg Tinbergen of hij directeur van een op te richten Planbureau wilde worden. Tinbergen accepteerde dit aanbod en leidde het CPB tien jaar. Zijn ervaringen daar en de wijze van economische politiek die hij voorstond, verwoordde hij in zijn On the theory of economic policy (Amsterdam 1952) en in de verdere uitwerking daarvan: Economic policy, Principles and design (Amsterdam 1956). In feite ging het hierbij om een voortzetting van zijn werk uit de jaren dertig. Opnieuw stond een macro-economisch model centraal. Alleen werden nu aan enkele variabelen van het model bepaalde waarden toegekend, namelijk de politieke doelen. De overige variabelen waren dan de onbekenden, waarvan de waarde berekend moest worden, zodat men vervolgens wist hoe de voorgeschreven doelen bereikt konden worden.

Was Tinbergens belangstelling tot dan toe voornamelijk gericht op nationaal economisch beleid, door een bezoek aan India in 1951 als secretaris-generaal van het International Statistical Institute werd hij getroffen door de armoede die hij daar aantrof. Hierdoor ontstond een levenslange betrokkenheid bij de armoedeproblematiek van ontwikkelingslanden. Het was opnieuw de directe confrontatie met armoede, die Tinbergens leven beslissend beïnvloedde. In 1955 nam hij ontslag bij het CPB en kreeg hij de speciale onderwijs- en onderzoeksopdracht 'economie der ontwikkelingsprogrammering' aan de Nederlandse Economische Hogeschool te Rotterdam. In 1965 werd de opdracht uitgebreid met de 'economie der centraal geleide stelsels' en werd Tinbergen directeur van het Nederlands Economisch Instituut. Ook op dit nieuwe terrein wist hij een grote naam te verwerven, zowel door talrijke publikaties als door bijdragen aan het werk van internationale organisaties als de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling en de organisatie van de Verenigde Naties voor onderwijs, wetenschap en cultuur UNESCO. Hij werd regelmatig om advies gevraagd door verscheidene ontwikkelingslanden en door internationale instellingen als de Wereldbank en andere organen van de Verenigde Naties. Van 1966 tot en met 1974 was hij voorzitter van het comité voor ontwikkelingsplanning van de Verenigde Naties, het United Nations Development Planning Committee. Na zijn emeritaat in 1973 in Rotterdam, was hij nog twee jaar hoogleraar 'Internationale samenwerking' aan de universiteit van Leiden. Doordat Tinbergen zijn gehele leven veel heeft gepubliceerd, is zijn ontwikkeling als econoom goed te volgen. Opvallend hierbij is dat zijn methode gedurende zijn lange loopbaan niet essentieel veranderde. In wezen komt deze erop neer dat Tinbergen van Ehrenfest geleerd zou hebben om meningsverschillen op 'nobeler' manier te formuleren dan als een simpel conflict (als a > b, dan heeft A gelijk, maar als b > a, dan heeft B gelijk). In zijn allereerste publikatie in De Socialistische Gids van 1928, 'Opmerkingen over ruilteorie', hanteerde hij dit bredere principe al. Daarin merkte hij op dat de 'oude tegenstelling' tussen de marxistische beschrijving van de verhouding tussen arbeider en kapitalist en die van de 'Manchester School' - nu zouden we zeggen: het markteconomisch denken - 'tot nodeloze verwerping van een der beide formuleringen door verwoede tegenstanders' had geleid en 'tot de mening dat er een onoverbrugbare kloof bestaat tussen de beide "soorten" ekonomie. Beide zienswijzen kunnen echter zeer goed in één meer volledige beschrijving hun plaats vinden en daarbij doet het begrip van de ruilvorm goede dienst'. In zijn later werk zou het model de rol van die volledige beschrijving gaan spelen, wat onder andere blijkt uit zijn werk voor de Volkenbond. Toen hij daar verschillende conjunctuurtheorieën moest testen, hanteerde hij weer dit Ehrenfest-principe, dat hij nu verwoordde als: 'Het komt zelden voor dat van twee opinies slechts één juist is, en de ander fout. In de meeste gevallen vormen beide deel van de waarheid Als regel sluiten de twee opinies elkaar niet uit. Vervolgens rijst de vraag "in welke mate elk correct is"; of, hoe beide opinies "gecombineerd" moeten worden om het beste beeld van de werkelijkheid te geven'. Ondanks de vele onderscheidingen, die Tinbergen ontving, waaronder verschillende eredoctoraten, de Praemium Erasmianum in 1967 en de Nobelprijs voor economie in 1969, was en bleef hij een sober en bescheiden mens. Hij dronk geen alcohol en rookte niet. Deze soberheid uitte zich zelfs in de typische eenvoudige spelling, die Tinbergen in zijn eerste geschriften hanteerde. Bij de uitreiking van de Erasmusprijs gaf prins Bernhard een treffend portret: 'Naast zijn diepe sociale bewogenheid die hij overtuigend weet over te dragen is hij spreekwoordelijk sober. Hij leidt een bijna ascetisch leven, is zuinig op iedere snipper papier en meent dat de wetenschap zich sober moet vertonen, ook tegenover de onderontwikkelde gebieden'.

Publicaties: 

Het nut van statistiese analyse voor het bedrijf (Amsterdam 1931); Planmatige productie (Den Haag 1932); bijdrage in: Prae-adviezen voor de Vereeniging voor de Staathuishoudkunde en de Statistiek (Den Haag 1932) 48-78; Statistiek en wiskunde in dienst van het konjunktuuronderzoek (Amsterdam 1933); De konjunktuur (Amsterdam 1933); Resultaten van verschillende vormen van conjunctuur-politiek (Amsterdam 1935); bijdrage in: Prae-adviezen voor de Vereeniging voor de Staathuishoudkunde en de Statistiek (Den Haag 1936) 62-108; Economische bewegingsleer (Amsterdam 1943); De les van dertig jaar (Amsterdam 1944); 'In memoriam Jacob van der Wijk' in: Socialisme en Democratie, 1946, 237-9; 'Jan Carmiggelt. Ter nagedachtenis' in: Socialisme en Democratie, 1948, 323; 'Sam de Wolff als econoom' in: Socialisme en Democratie, 1948, 401; The design of development (Baltimore 1958); L.H. Klaassen, L.M. Koyck en H.J. Witteveen (red.), Jan Tinbergen. Selected papers (Amsterdam 1959); Central planning (New Haven 1964); Development planning (London 1967); Een leefbare aarde (Amsterdam 1971); 'Groot sociaal gevoel. Ir. Hein Vos was denker en politicus' in: de Volkskrant, 27.4.1972; Income distribution (Amsterdam 1975); 'Het loondebat in de jaren dertig' in: TvSG, maart 1981, 43-7; 'Het plan van de arbeid' in: Wetenschappelijk socialisme. Over de 'plannen' van SDAP en PvdA (Amsterdam 1982) 35-43; 'Ik heb geluk gehad' in: Dienstweigeraars over dienstweigering en verzet tegen het militarisme vanaf de eeuwwisseling tot nu (Amsterdam 1984) 74-9; 'Recollections of professional experiences' in: Recollections of eminent economists (London 1988) 67-95; zie voor bibliografie: J.P. Pronk, 'Bibliography 1929-1969 of prof. dr. J. Tinbergen' in: De Economist, 1970, nr. 2, 155-73.

Literatuur: 

H. Verwey-Jonker, 'Vij en twintig jaar socialistische theorie' in: E. Boekman (red.), Ir. J.W. Alberda. Een kwart eeuw parlementaire werkzaamheid in dienst van de Nederlandse arbeidersklasse (Amsterdam 1938) 330-48; Praemium Erasmianum 1967 (Amsterdam 1967); H. Vos, 'De Nobelprijs voor Tinbergen' in Socialisme en Democratie, 1969, 501-6; Tinbergen - Frisch, speciaal nummer De Economist, 1970, nr. 2; F. Nypels, K. Tamboer, 'Gesprek met econoom Jan Tinbergen. "Binnen een gezin worden mensen nooit zo ongelijk behandeld als in de maatschappij"' in: Haagse Post, 25.8.1973, 10-3; E. van Rompuy, Jan Tinbergen (Antwerpen 1974); 'Jan Tinbergen' in: A. Heertje, R. Kuip, Dat bonte economenvolk (Amsterdam 1979) 13-26; J.G. Waardenburg, '"Its final goal should be the 'discovery', or rather the 'construction' of an ideal economy'. Jan Tinbergen' in: Intermediair, 24.12.1981, 1-11; speciaal nummer Economisch Statistische Berichten, nr. 3400, 13.4.1983, 305-28; J. Teunissen, 'Jan Tinbergen en het onverstand. Een econoom met oog voor de achterblijvers' in: De Tijd, 28.5.1983, 18-21; K. Thanawala, J.B. Davis, Jan Tinbergen's contributions to social economics, speciaal nummer Review of Social Economy, 1988, nr. 3; A. Blok, Jan Tinbergen en de Nederlandse sociaaldemokratie. Ideeën over sociaal-ekonomische ordening en ekonomische politiek 1930-1960 (doctoraalscriptie geschiedenis Utrecht 1987); De Economist, 1988, nr. 2; A.H.M. de Jong, C.W.A.M. van Paridon, J. Passenier, 'Jan Tinbergen over zijn jaren op het CPB' in: Economisch Statistische Berichten, 13.7.1988, 652-7; M. Boumans, 'De slinger van Tinbergen' in: Tijdschrift voor Politieke Ekonomie, december 1990, 50-65; M. Boumans, A case of limited physics transfer (Amsterdam 1992); J. Kol, P. de Wolff, 'Een karakteristiek van J. Tinbergens werk' in: Economisch Statistische Berichten, 21.4.1993, 357-62; F. Kalshoven, Over marxistische economie in Nederland 1883-1939 (Amsterdam 1993); Tinbergen, N. VIII 296; P. de Wolff, 'In memoriam. Een voorbeeldige econoom' in: De Groene Amsterdammer, 15.6.1994, 2; F. Kalshoven, '"Tinbergen is met de fiets"'. Nederlands grootste econoom was een bevlogen en aimabel mens' in: Elsevier, 18.6.1994, 77; E. Herfkens, 'In memoriam Jan Tinbergen' in: Socialisme en Democratie, 1994, 391-2; A. Blok, 'Jan Tinbergen en de Nederlandse sociaal-democratie' in: Van Troelstra tot Den Uyl. Het vijftiende jaarboek voor het democratisch socialisme (Amsterdam 1994) 197-227; G. Alberts, 'On connecting socialism and mathematics: Dirk Struik, Jan Burgers, and Jan Tinbergen' in: Historia Mathematica, 1994, 280-305.

Portret: 

Jan Tinbergen, IISG

Auteur: 
Marcel Boumans
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 8 (2001), p. 296-301
Laatst gewijzigd: 

13-02-2003