VELDMAN, Joeke

Joeke Veldman

bestuurder van het R.K. Werkliedenverbond in Nederland en de Katholieke Arbeiders Beweging, is geboren te Workum (Fr.) op 1 maart 1889 en overleden te Utrecht op 27 augustus 1971. Hij was de zoon van Petrus Veldman, smidsknecht, en Marijke van der Wal. Op 4 september 1918 trad hij in het huwelijk met Johanna Hermina Rietbergen, met wie hij vijf dochters en vier zoons kreeg. Veldman noemde zich ook Jos(ephus) Veltman.

In 1899 vertrok het gezin Veldman uit Workum om via Borculo te belanden in Arnhem, waar de familie terecht kwam in 'een krot, een echte gribus: een woonkazerne met één voordeur, één w.c., één pomp en één kamer per gezin'. De 'hardheid en miskenningen van het arbeidersleven', die Veldman in zijn kinderjaren aan den lijve ondervond, lieten een diepe indruk achter. Na de lagere school werd Veldman meubelmaker. Als kind van een goed-katholiek gezin bezocht hij het patronaat. Toen hij een jaar of zeventien was sprak hij de kapelaan aan over de behoefte aan patronaatswerk voor oudere arbeidersjongens. In 1913 werd Veldman gekozen tot voorzitter van de R.K. Werkliedenvereeniging in Ulft. Hij volgde cursussen van de Katholieke Sociale Actie. In 1918 trad hij in dienst van de Bond van R.K. Werkliedenvereenigingen in het Aartsbisdom Utrecht als beambte voor het district Arnhem-Doetinchem. Met H.C. Nijkamp en M. Vissers vormde hij een nieuw leidend driemanschap, dat veel wantrouwen ontmoette. Bij hun aantreden werden zij volgens Veldman onderworpen aan 'een soort examen bestaande uit een stel geniepige vragen over de katholieke arbeidersbeweging'. Veldman werd in 1919 gekozen tot secretaris van de aartsdiocesane bond. In november 1930 stapte Veldman over naar het R.K. Werkliedenverbond (RKWV) als bestuurslid in algemene dienst, in het bijzonder belast met het jeugdwerk en de instellingen van de standsorganisatie. In het aartsbisdom had hij al eerder een diocesane Jonge Werkmansbond 'opgekweekt'. Als bestuurder van het RKWV legde hij de basis voor de oprichting van het landelijk R.K. Verbond 'De Jonge Werkman' (JW) op 24 november 1931. Veldman was secretaris-penningmeester van dit Verbond. Met jeugdig enthousiasme en idealisme bezielde hij de katholieke jongerenorganisatie. Bij passende gelegenheden mocht hij zich graag in vol JW-ornaat vertonen onder en met zijn 'groenhemden'. Ook als 'dikke vijftiger' en bijna grootvader was hij volgens C.J. Kuiper 'getapt als geen andere J.W.-er'. In de crisisjaren wilde hij de jeugd opvangen in werkkampen om hen te beschermen tegen de gevolgen van de werkloosheid. In 1945 werd Veldman voorzitter van de Katholieke Arbeiders Jeugd (KAJ), die ontstond uit de fusie tussen de St. Josephgezellenverenigingen en De Jonge Werkman. Zijn preoccupatie met het jeugdwerk ging zijn medeverbondsbestuurders wel eens te ver. In zijn geschiedschrijving van de katholieke arbeidersbeweging was Kuiper van mening dat de hoofdtaak van Veldman 'ligt en lag in zijn positie bij het R.K. Werkliedenverbond'. Veldman was een exponent van de standsorganisatie. De katholieke arbeidersbeweging had voor hem allereerst een apostolaatsfunctie. Geestelijke en sociale vorming moesten naar zijn mening voorop staan. Hij was een groot vereerder van de eerste geestelijk adviseur van de aartsdiocesane werkliedenbond, H.J.A.M. Schaepman, en onderschreef diens visie op de katholieke arbeidersbeweging volledig. Onder het adviseurschap van Schaepmans opvolger F.X.W. Bult en het voorzitterschap van H. Engels werd het apostolaatskarakter van de aartsdiocesane katholieke arbeidersbeweging volgens Veldman hevig geweld aangedaan door 'een voortdurende en allesopofferende actie voor de vakbeweging'. De standsorganisatie werd veronachtzaamd en verwaarloosd. Pas toen Bult in 1916 plaats moest maken voor mgr. J.G. van Schaik, die hem ook opvolgde als adviseur van het R.K. Vakbureau, keerde de aartsdiocesane bond terug naar 'de beproefde beginselen' van Schaepman, schreef Veldman, waarmee hij de achtergrond van zijn omstreden binnenkomst bij de aartsdiocesane bond aanduidde. Zijn overstap naar het RKWV illustreerde de groeiende hegemonie van de standsorganisatie binnen de katholieke arbeidersbeweging ten koste van de vakactie na de totstandkoming van het RKWV in 1925. In 1936 werd Veldman gekozen tot tweede voorzitter van het RKWV. Op 1 maart 1949 werd hij gepensioneerd als bestuurder van de Katholieke Arbeiders Beweging (KAB).

Veldman was een groot bewonderaar van A.M.A.J. Ariëns. Aan het begin van de jaren twintig voerde Veldman lange gesprekken met 'den Dienaar Gods' op diens pastorie in Maarssen over het manuscript van het boek dat Veldman schreef ter gelegenheid van het dertigjarig bestaan van de aartsdiocesane bond. Ariëns corrigeerde ook de drukproeven. Veldman verzamelde veel materiaal over de geschiedenis van de katholieke arbeidersbeweging en hij liet verscheidene pogingen tot geschiedschrijving na in de vorm van typoscripten. Hij werd beschouwd als huishistoricus van de katholieke arbeidersbeweging. In onder meer het KAB-blad Herstel en bij jubilea stond hij stil bij de geschiedenis van de katholieke arbeidersbeweging en de betekenis van haar voormannen. Buiten de geschiedschrijving beperkten de werkzaamheden van Veldman zich niet tot het jeugdwerk. Hij was namens het RKWV secretaris van de Bond van R.K. Ziekenfondsen, hij had zitting in de Centrale Commissie voor het Ziekenfondswezen en de Centrale Commissie van Samenwerking tussen de Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst en de Vakcentralen en hij was secretaris van het Centraal Instituut voor Volkshuisvesting, de opvolger van de mislukte Federatie der Diocesane Woningbouwcentralen. Daarnaast was hij lid van de Ziekenfondsraad, hij zat in het dagelijks bestuur van het Rode Kruis, hij was voorzitter van de Raad van Commissarissen van de arbeidersverzekeringsmaatschappij Concordia en bestuurslid van het Museum van de Arbeid. Ook was hij lid van verschillende commissies van de Stichting van de Arbeid en van de Raad van Toezicht van de Verzekeringsbank. Zoals veel van zijn collega-bestuurders uit de katholieke arbeidersbeweging was Veldman politiek actief binnen de katholieke eenheidspartij. Hij behoorde tot de democratische vleugel en sympathiseerde met de Michaël-beweging van J.A. Veraart. In zijn woonplaats Zuilen was hij gemeenteraadslid. Tijdens de oorlog was Veldman geïnterneerd in St. Michielsgestel, waar hij voor zijn medegijzelaars lezingen hield over de katholieke sociale leer. Na de oorlog was hij enige tijd waarnemend burgemeester van Zuilen. Sinds 1927 was Veldman lid van de Provinciale Staten van Utrecht en van 1946 tot 1958 maakte hij deel uit van het college van Gedeputeerde Staten. Kuiper noemde Veldman een 'ernstig en zorgvol huisvader', zijn 'zekere stugge vastberadenheid' schreef hij toe aan diens Friese afkomst.

Archief: 

Archief Jos. Veltman, Katholiek Documentatie Centrum (Nijmegen).

Publicaties: 

Gedenkboek. Ontstaan en dertigjarige werkzaamheid van den diacesanen Bond van R.K. Werklieden- Vereenigingen in het Aartsbisdom Utrecht, 1893-1923 (Utrecht 1923); 'De nood onzer jeugdige werkloozen' in: Katholieke Jeugdwerkloozenzorg (Den Bosch 1933) 21-41; 'Bestrijding van de gevolgen der jeugdwerkloosheid bij jongens' in: Jeugdwerkloosheidsproblemen (Den Bosch 1935) 117-156.

Literatuur: 

C.J. Kuiper, Uit het rijk van den arbeid (Utrecht 1924-1953); 'Jos Veldman overleden' in: Ruim Zicht, 6.9.1971; J. van Meeuwen, Lijden aan eenheid. Katholieke arbeiders op zoek naar hun politiek recht (1897-1929) (Hilversum 1998).

Portret: 

J. Veldman, Katholiek Documentatie-Centrum (Nijmegen)

Auteur: 
Jos van Meeuwen
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 6 (1995), p. 227-229
Laatst gewijzigd: 

29-09-2006