VERSCHOOR, Anna Helena Margaretha

Anna Helena Margaretha Verschoor (Annie Romein-Verschoor)

(roepnamen: An, Annie, bekend als Annie Romein-Verschoor), marxistisch historica en schrijfster, is geboren te Nijmegen op 4 februari 1895 en overleden te Amsterdam op 5 februari 1978. Zij was de dochter van Jan Verschoor, marineofficier, en Anna Helena Margaretha Brakke, onderwijzeres. Op 14 augustus 1920 trad zij in het huwelijk met Jan Marius Romein, historicus, met wie zij een dochter en twee zoons kreeg.
Pseudoniemen: Alva-Betha, Anna.

Verschoors eerste elf levensjaren speelden zich achtereenvolgens af in Nijmegen, Vlissingen, Den Helder, Hellevoetsluis en opnieuw Den Helder. Haar kordate vader was als zeeman veel van huis. Dan regeerde de onevenwichtige, standsbewuste moeder. Zij maakte het haar kinderen niet gemakkelijk. Verschoors oudere zuster Triny fungeerde als buffer tussen moeder en dochter. Van 1906 tot eind 1910 woonde het inmiddels vijf kinderen tellende gezin in Soerabaja. Verschoors vader werkte er als technicus bij de marine. Zelf bezocht zij er de Hoogere Burger School (HBS). Behalve malaria, weerzin tegen het tropische klimaat en de Indische samenleving in het algemeen brachten deze jaren haar ook haar eerste publikatie. In december 1910 plaatste De Nieuwe Soerabaja Courant haar verhaal 'De val van Amandus Stutzman', ondertekend met het pseudoniem Alva-Betha. In 1911 keerde het gezin terug naar Den Helder, waar Verschoor haar HBS-opleiding voltooide. Daarna prepareerde zij zich thuis op het staatsexamen Grieks en Latijn, nodig om letteren te kunnen studeren. In oktober 1914 vertrok zij naar Leiden. Te serieus voor uitspattingen, genoot zij toch van de nieuw verworven vrijheid, de omgang met jongens en de 'tot diep nadenken dwingende' colleges van de roemruchte filosoof G.J.P.J. Bolland. Haar eigenlijke debuut als publiciste maakte zij in het studentenblad Minerva, waaraan zij in de jaren 1915-1920 een dertigtal bijdragen leverde. In haar eerste Minerva-artikel zocht zij naar sporen van de wereldoorlog in recente Nederlandse en Vlaamse literatuur. Haar eigen gevoel van onmacht vond zij weerspiegeld in de oorlogsdagboeken van Stijn Streuvels en de gedichten van Jacob Israël de Haan. Temidden van de oorlogsellende was er in haar, al maanden voordat het Russische tsarenbewind ineenstortte, een vast geloof in 'komende nieuwe groei'. Zij ervoer deze periode als 'een tijd van zoeken en meenen te vinden'. Met typerende relativering voegde de 21-jarige eraan toe: 'of ziet ieder jong geslacht zijn eigen tijd zoo?' Schrijvend over toneel en literatuur verkende zij thema's die haar levenslang bezighielden: verantwoordelijkheid, afkeer van censuur en zelfcensuur, de 'dubbele roeping' van de vrouw, de perverterende werking van de koloniale overheersing, de afwijzing van 'kunst omwille van de kunst'.

De Russische revolutie van 1917 werd voor haar en veel leeftijdgenoten, onder wie medestudent en vriend Jan Romein, 'een schok in de eigen verovering van de wereld', zoals zij het later omschreef. Hun idealisme en vernieuwingsdrang, tot dan toe op niets in het bijzonder gericht, kregen vorm en inhoud. Zij verdiepten zich in het marxisme, sloten zich aan bij organisaties van revolutionair-socialistische studenten en intellectuelen, vervolgens eind 1920 bij de Communistische Partij in Nederland (CPN). Verschoors verbintenis met Romein mondde datzelfde jaar uit in een huwelijk. In 1921 behaalde zij haar doctoraal Nederlands. Het paar vestigde zich in Amsterdam, waar Romein redacteur werd van De Tribune. Voor Romein-Verschoor stonden de jaren twintig in het teken van de 'dubbele roeping'. De zorg voor het huishouden en voor de drie kort na elkaar geboren kinderen kwam, zoals in de meeste gezinnen, op de moeder neer. Het belette haar niet artikelen, boekbesprekingen en vertalingen te blijven produceren. De betrokkenheid van de Romeins bij de CPN bleef nauw, in elk geval tot 1927, het jaar waarin Jan als aanhanger van David Wijnkoop geroyeerd werd. Enkele jaren nadien trad het echtpaar weer toe, totdat aan beider lidmaatschap omstreeks 1937 voorgoed een eind kwam. Romein-Verschoors activiteit voor de partij beperkte zich overigens tot enkele artikelen in De Tribune. Wel bevestigde het communisme in haar een houding die voordien al aanwezig was. Het besef van het immense algemene leed maakte het klagen over persoonlijke ellende in haar ogen bijna onfatsoenlijk. In een 'In memoriam Rosa Luxemburg' (1919) schreef zij: 'Een strijdende vrouw moet veel offeren van wat het mooiste in haar kon zijn; zachte vriendelijkheid, rust en harmonie, maar in een wereld vol schreeuwende tegenstellingen gaat het niet om aanbiddelijkheid.' Later zou zij Luxemburgs brieven uit de gevangenis vertalen. Luxemburg was voor haar een vrouw 'die boven haar eigen leed stond'. Wat het zwaarst was moest het zwaarst wegen, zowel in het persoonlijke leven als in de wetenschapsbeoefening. Marxisme betekende voor Romein-Verschoor en haar man niet in de laatste plaats de opdracht 'de grote samenhangen te zien'. De gedachte om een dissertatie-onderwerp in de vaderlandse geschiedenis te zoeken kwam aanvankelijk dan ook niet bij hen op. 'Dwaas natuurlijk', aldus Romein-Verschoor. 'Later zouden we gaan zien dat wie ernst wou maken met een historisch-materialistische geschiedbeschouwing juist op kleine schaal zou moeten beginnen om de historische samenhang van de menselijke leefgebieden op het spoor te komen.'

Zowel in hun historische belangstelling als op het politieke vlak brachten de jaren dertig een wending naar het nationale. Samen schreven de Romeins De lage landen bij de zee (Utrecht 1934) en Erflaters van onze beschaving. Nederlandse gestalten uit zes eeuwen (Amsterdam 1938-1940, vier delen). Beide werken oogstten lof, beleefden een reeks herdrukken en brachten hun auteurs nationale faam. Een vernieuwende poging tot het zien van samenhangen was ook de dissertatie waarop Romein-Verschoor in 1935 te Leiden promoveerde: De Nederlandsche romanschrijfster na 1880. Een literair-sociologische studie. Promotor was Albert Verwey, die haar waarschuwde voor 'een gevaarlijke neiging tot generaliseren'. Niettemin was de ontvangst van dit werk, waarvan onder de titel Vrouwenspiegel (Utrecht 1935; herdruk Nijmegen 1977) een handelseditie verscheen, overwegend gunstig. Op het politieke vlak werd de afstand tot de CPN in de jaren van de Moskouse processen (1936-1938) groter, maar niet heel groot. Intussen was Romein-Verschoor op persoonlijke titel actief in organisaties en bladen waarin intellectuelen en kunstenaars van verschillende opvattingen samenwerkten. Zij werd secretaris van de in 1935 opgerichte antifascistische Bond van Kunstenaars ter verdediging van Kulturele Rechten, speelde een rol in het antinazistische Comité van Waakzaamheid en schreef een brochure voor Hulp aan Spanje. In de oorlogsjaren was zij betrokken bij het illegale blad De Vrije Kunstenaar en bij plannen voor de organisatie van het naoorlogse kunstleven.

In 1946 werd zij redacteur an het eveneens in de illegaliteit ontstane blad De Vrije Katheder. Romein-Verschoor, ouder dan de meeste andere redacteuren, was iemand naar wie zij luisterden, maar die zij nu en dan ook erg lastig vonden. De periode van samenwerking en dialoog eindigde in 1950, wat Romein-Verschoor betrof onvrijwillig. De CPN wilde dat De Vrije Katheder resoluut koos voor de Sovjet-Unie. Die houding maakte de samenwerking van communisten en niet-communisten in het blad feitelijk onmogelijk. Het werd opgeheven. In een artikel in De Waarheid kreeg Romein-Verschoor de schuld. Zij werd voorgesteld als handlanger van de Amerikaanse oorlogshitsers. Anticommuniste werd zij hierdoor niet. Het voorkomen van een nieuwe oorlog stond voorop. De wereldvrede was in haar ogen niet gediend met onvoorwaardelijke steun aan een van beide machtsblokken in de Koude Oorlog. Toen zij in 1956 samen met andere voorstanders van een 'Derde Weg' stelling nam tegen de Russische interventie in Hongarije, werd in één adem het 'vrije westen' veroordeeld. Wat nog restte aan loyaliteitsgevoelens jegens het communisme belette haar niet kritiek uit te oefenen. Tegenover Theun de Vries kwam Romein-Verschoor op voor het recht op een afwijkende mening. Vloeiden in haar communistische tijd volzinnen over 'het naar zijn bevrijding worstelend proletariaat' uit haar pen, nu kritiseerde zij de idealisering van dat proletariaat in communistische kring. Zij nam het op voor Boris Pasternak en distantieerde zich van het Russische socialistisch realisme, dat ze een 'voortdurend vervormen van de realiteit naar de leer' noemde. Een verblijf samen met haar man in het nog maar pas onafhankelijke Indonesië betekende een weerzien met het land waar zij een deel van haar jeugd had beleefd. Zij schreef erover in Met eigen ogen. Heugenissen van een Indonesische reis (Amsterdam 1953). Na de dood van Romein in 1962 maakte zij zijn magnum opus Op het breukvlak van twee eeuwen (Leiden 1967) gereed voor publikatie: een laatste vrucht van hun langdurige, intensieve samenwerking. Behalve aan de geschiedschrijving en de literatuursociologie leverde zij met haar pen een belangrijke bijdrage aan het herlevende feminisme. De postuum verschenen bundel Vrouwenwijsheid (Amsterdam 1980) getuigt ervan. Ook op dit terrein toonde zij zich enerzijds erudiet en scherpzinnig, anderzijds te kritisch en weerbarstig om zonder reserve achter enige beweging of leuze aan te hollen. Voor haar was Anja Meulenbelts 'autobiografische roman' De schaamte voorbij (1976) 'een geval van paranoia'. In zekere zin had Romein-Verschoor zelf het onmogelijke gerealiseerd: eigen aspiraties jarenlang ondergeschikt makend aan de zorg voor een veeleisende man, huishouden en kinderen, had zij toch op eigen kracht naam gemaakt en een respectabel oeuvre bij elkaar geschreven. Dat feit maakte haar echter allesbehalve blind voor materiële en mentale factoren die de ontplooiing van vrouwen belemmerden.

Vanaf september 1969 woonde Romein-Verschoor in het Rosa Spierhuis te Laren. Ergernis over de manier waarop de samenleving met ouderen omspringt, inspireerde haar tot Ja vader, nee vader (Amsterdam 1974). Een bestseller werd haar opzienbarende tweedelige autobiografie Omzien in verwondering (Amsterdam 1970-1971). Een van haar laatste publikaties was een artikel in het blad Rekenschap. Zestig jaar na dato terugblikkend op 1917 betoogde zij hoe de Russische revolutie 'die weg zonder eind werd opgedreven van geweld tegen geweld'. Maar, voegde ze eraan toe, 'dat is een stuk later moeizaam veroverd inzicht'. Inzicht dat niet tot moedeloosheid leidde, wel tot een wegvallen van zekerheden. Wat overbleef was die ene zekerheid, 'dat er achter iedere nederlaag een nieuwe mogelijkheid ligt'. Op 2 februari 1978, de dag waarop de televisie een aan haar gewijd programma uitzond, trof haar een hersenbloeding. Drie dagen later stierf zij in het Burgerziekenhuis te Amsterdam.

Archief: 

Archief A.H.M. Romein-Verschoor in IISG (Amsterdam; vgl. Campfens2, 320); Archief A.H.M. Romein-Verschoor in Internationaal Informatiecentrum en Archief voor de Vrouwenbeweging (Amsterdam; vgl. Overzicht van de Archieven in het IIAV, 130131).

Publicaties: 

Aan den Oedjoeng (Santpoort 1928); Slib en wolken. Stromingen en gestalten van de nieuwste Nederlandse literatuur (Amsterdam 1947); Vaderland in de verte. Historische roman (Amsterdam 1948); De vruchtbare muze (Amsterdam 1949; herdruk Nijmegen 1978); Spelen met de tijd (Amsterdam 1957; herdruk Nijmegen 1979); Zedelijkheid en schijnheiligheid (Den Haag 1962); Drielandenpunt (Amsterdam 1975). Zie voorts: Annie Romein-Verschoor. Bibliografie 1910-1985. Boeken, vertalingen, artikelen, besprekingen (Amsterdam 1990).

Literatuur: 

De Groene Amsterdammer, 6.2.1965 (themanummer); Bibeb, interview in: Vrij Nederland, 2.1.1971; 'Markant - Annie Romein', tv-documentaire, NOS, 2 februari 1978; necrologieën in: de Volkskrant, 7.2.1978; De Waarheid, 7.2.1978; De Groene Amsterdammer, 8.2.1978 (A. Steenhuis); Vrij Nederland, 11.2.1978 (J. Rogier); Opzij, februari 1978 (J. Rogier); De Vrije Gedachte, nr. 84, 1978, 3-5 (A. Constandse); Bzzlletin, nr. 81, december 1980 (themanummer); A. Grever e.a., Van onze oudtantes... Vijf historie-schrijfsters in woord en beeld (Nijmegen 1987); A. Brandenburg, Annie Romein-Verschoor 1895-1978 (Amsterdam 1988; 2 delen); H.M. Beliën (red.), Vijftig jaar Erflaters. Een terugblik op De Erflaters van onze beschaving van Jan en Annie Romein (Rotterdam 1990); J. Perry, 'Een intellectueel van 1917' in: De Gids, 1991, 882-887.

Portret: 

Anna Helena Margaretha Verschoor (ca. 1952), IISG

Auteur: 
Jos Perry
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 7 (1998), p. 236-239
Laatst gewijzigd: 

13-02-2003