VISSER, Louis Leonardus Hendrikus de

Louis Leonardus Hendrikus de Visser

propagandist van de Sociaal-Democratische Partij en de Communistische Partij in Nederland en Kamerlid, is geboren te Delfshaven (Rotterdam) op 21 mei 1878 en omgekomen bij het bombardement van de Cap Arcona op 3 mei 1945. Hij was de zoon van Hendrikus Abraham Johannes de Visser, behanger en stoffeerder, en Jacoba Wilhelmina Kraan. Op 8 maart 1899 trad hij in het huwelijk met Wilhelmina Antonia Jacoba Peereboom, met wie hij vier dochters en een zoon kreeg.

De Visser stamde uit een protestants-christelijke familie, waartoe ook de christelijk-historische voorman J.Th. de Visser, zijn volle neef, behoord heeft. Zijn vader overleed toen Louis vier maanden oud was. Hij heeft weinig lager onderwijs genoten en moest al vroeg in allerlei baantjes de kost helpen verdienen. Hij nam dienst als reepschieter bij de haringvisserij en werd daarna glazenwasser te Den Haag. Zijn loopbaan in de arbeidersbeweging begon met de stichting van de plaatselijke glazenwassersvereniging Excelsior, die zich aansloot bij het op het Nationaal Arbeids-Secretariaat (NAS) georiënteerde Haagsche Vakcomité. Ook werd hij voorzitter van de landelijke glazenwassersbond die door het NAS werd gevormd. In 1899 trad hij toe tot de Haagse afdeling van de SDAP. Met grote inspanning werkte hij door zelfstudie aan eigen ontwikkeling. Van veel belang daarbij was de ontwikkelingsclub Nieuw Leven, waar figuren als Herman Gorter, Franc van der Goes en Henriette Roland Holst cursussen gaven voor Haagse arbeiders. In 1901 werd De Visser tot voorzitter van afdeling Den Haag I van de SDAP gekozen. Inmiddels was hij broodbezorger bij de coöperatie De Volharding geworden, al bleef hij aan het hoofd van de glazenwassersbond, die in 1902 een stakingsactie voerde. In dat jaar werd hij ondervoorzitter van het Haagsche Vakcomité, waar hij zijn bond vertegenwoordigde. Hij speelde een grote rol bij de totstandkoming van de Haagsche Bestuurdersbond in 1904. Met de Rotterdammer H. Spiekman had hij veelvuldig contact en hij deelde ook diens toenmalige standpunt inzake de mogelijkheid om binnen het kader van het NAS tot reorganisatie te komen.

De Visser was van 1904 tot 1910 secretaris van de Haagsche Bestuurdersbond en medewerker van het Bureau voor Arbeidsrecht (hij hield kantoor bij zich thuis). Vanaf 1905 werd hij voor de SDAP ook kandidaat gesteld voor de gemeenteraad, waarbij hij in 1907 in zijn district in herstemming kwam. In laatstgenoemd jaar werkte De Visser, die in de Haagse afdeling van de partij tot de marxistische stroming behoorde, aan de oprichting van het weekblad De Tribune mee. In deze tijd viel een incident voor dat in de afdeling, maar ook op het partijcongres van 1908 door J.H.A. Schaper tegen hem werd uitgespeeld. Toen Louis wegens overspanning enige maanden naar buiten moest, had hij een verzoekschrift aan de koningin getekend voor financiële steun. Schaper noemde dit 'een voetval voor het koningschap' van een marxist. Toch werd hij in 1908 weer gekandideerd voor de gemeenteraad. Bij de scheuring in de SDAP in 1909 werd De Visser, die in Den Haag een zekere aanhang voor De Tribune had weten te verzamelen, gekozen tot tweede voorzitter van de Sociaal-Democratische Partij (SDP). Hij werd toen niet herkozen in zijn functie van secretaris van de Haagsche Bestuurdersbond. Hij trad weer in dienst van De Volharding en werd actief propagandist van de nieuwe partij. Hij bleef bestuurslid van de Bakkersgezellenbond, als hoedanig het Kamerlid Schaper hem in 1912 niet wenste te ontvangen bij de behandeling van de Bakkerswet. In dat jaar leidde hij ook een bakkersstaking te Den Haag.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog had De Visser actief deel aan het optreden van de SDP en de met haar samenwerkende organisaties. In 1915 trad hij toe tot de Revolutionair Socialistische Vereeniging (RSV) rondom H. Roland Holst, die anders dan de SDP, wel deelnam aan de in dat jaar gehouden internationale conferentie van Zimmerwald. In 1916 verenigde de RSV zich echter met de SDP. Na een rumoerige betoging van het Revolutionair Socialistisch Comité tegen de oorlog te Den Haag in april 1918 werd De Visser gearresteerd en tijdens de verkiezingscampagne van dat jaar zat hij in preventieve hechtenis. Hij stond als derde op de kandidatenlijst van de SDP na D. Wijnkoop en W. van Ravesteyn, die gekozen werden. Van dit jaar af was hij bezoldigd propagandist van de partij, die weldra Communistische Partij in Nederland (CPN) ging heten. In 1919 werd hij gekozen tot lid van de gemeenteraad van Den Haag en van de Provinciale Staten van Zuid-Holland. In 1921 woonde hij met J. Ceton en H. Roland Holst het derde congres van de Communistische Internationale te Moskou bij. In dat jaar voegde hij zich op het congres van de CPN bij de minderheid die zich tegen de wijziging verklaarde in de vakverenigingspolitiek, waarbij meer afstand van het NAS werd genomen. Maar in 1923 ging hij als vertegenwoordiger van het partijbestuur weer naar Moskou, waar over de tegenstellingen in de Nederlandse partij werd beraadslaagd en in 1924 woonde hij daar met Wijnkoop het vijfde congres van de Komintern bij. In de SDP en ook in de CPN had De Visser tot 1925 nooit een positie ingenomen op het voorste plan, waar het bekende driemanschap domineerde. Bij de partijcrisis van 1925 trad hij als een van de weinige bestuursleden niet af en werd hij eerste kandidaat bij de Kamerverkiezingen. Zo begon dus het Kamerlidmaatschap van De Visser en zijn voorzitterschap van de CPN.

Ontplooide hij als parlementariër opmerkelijke kwaliteiten, gezegd moet worden dat hij ook na de val van Wijnkoop en Van Ravesteyn in zijn partij geen werkelijk leidende positie heeft gekregen. Hij was naar de woorden van P.J. Oud 'een propagandist van zeldzame welbespraaktheid', die het er graag dik oplegde, 'in de volksvergadering nog een beetje dikker dan in het parlement' (Het jongste verleden III, 19682, 34). Toch drukt Oud zijn bewondering uit voor de wijze waarop De Visser zijn standpunt in de Kamer wist uiteen te zetten. Hij behandelde er de meest uiteenlopende onderwerpen, onder andere de problematiek van Indonesië. Ook in het parlement had De Visser, die op politieke bijeenkomsten soms wel zijn toevlucht nam tot het wapen van de vuist, al dan niet uit zelfverweer, zich niet altijd in de hand. In 1927 dreigde in de Kamer reeds een handgemeen met R. Stenhuis en later moest hij eenmaal op voorstel van de voorzitter uit de zitting verwijderd worden. Sinds 1930 vormde hij een fractie met zijn oude mede- en tegenstander Wijnkoop. Als partijvoorzitter werd hij in 1935 opgevolgd door de jongere N. Beuzemaker, maar hij werd in dat jaar nog wel als lid van de executieve van de Internationale gekozen op haar zevende wereldcongres.

In zijn partij genoot De Visser grote populariteit en bij het bereiken van de zestigjarige leeftijd in 1938 werd hij gehuldigd. Kort daarna verschenen de Herinneringen uit mijn leven (over de periode tot 1914, geredigeerd door G.J.M. van het Reve (G. Vanter) (Amsterdam 1939). Als schrijver heeft De Visser niet zo veel geproduceerd, al kon hij de pen wel voeren. In 1940 door de partijleiding op non-actief geplaatst werd hij in juni 1941 gearresteerd door de Duitsers. Hij verbleef in de kampen te Schoorl, Amersfoort en vanaf 1942 te Hamburg-Neuengamme. Hij bedankte in een brief aan voorzitter J.R.H. van Schaik voor het lidmaatschap van de Kamer. De Visser doorstond de beproevingen van zijn gevangenschap, waaromtrent enige correspondentie bewaard is gebleven, maar kwam om bij de ramp van de Cap Arcona in mei 1945.

Publicaties: 

Behalve de genoemde Beknopt overzicht van de Nederlandsche arbeidersbeweging (Amsterdam 1935).

Literatuur: 

Th. de Vries, 'Louis de Visser vertelt' in: Politiek en Cultuur, juni 1938, 329-342; A.F. Mellink, 'Louis de Visser in Duitse gevangenschap' in: BNA, nr. 6, juni 1985, 24-34; C.A.M. Diepenhorst, De sociaal-democratie in de residentie (Den Haag 1932); A.A. de Jonge in: BWN I, 618-620; W.F.S. Pelt, Vrede door revolutie. De CPN tijdens het Molotov-Ribbentrop Pact (1939-1941) (Den Haag 1990); J.W. Stutje, De man die de weg wees. Leven en werk van Paul de Groot 1899-1986 (Amsterdam 2000); G. Voerman, De meridiaan van Moskou. De CPN en de Communistische Internationale (1919-1930) (Amsterdam 2001).

Portret: 

L.L.H. de Visser, IISG

Handtekening: 

Huwelijksakte van Kret/De Visser dd 16 april 1910. Serie A fol 8, akte 405; akteplaats ‘s Gravenhage. Als vader van de bruid.

Auteur: 
Albert F. Mellink
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 2 (1987), p. 168-171
Laatst gewijzigd: 

21-08-2002