VLIET jr., Pieter van

Pieter van Vliet jr.

voorzitter Nederlandsch Werkliedenverbond Patrimonium en anti-revolutionair Kamerlid, is geboren te Vrouwenparochie ('t Bildt) op 12 februari 1858 en overleden te Den Haag op 18 december 1941. Hij was de zoon van Pieter van Vliet, timmerman, en Minke Holwerda. Op 5 mei 1883 trad hij in het huwelijk met Grietje Grimm, met wie hij vijf dochters en vier zoons kreeg. Na haar overlijden (op 3 juli 1915) hertrouwde hij op 26 april 1918 met Anna Cecilia Bosschaart. Pseudoniem: Gabe de Fries.

Van Vliet Jr. was het oudste kind in een gezin, dat achtereenvolgens in de Friese dorpjes Vrouwenparochie, Oosternijkerk en Janum woonde en begin 1871 naar Leeuwarden verhuisde. Na de lagere school, op twaalfjarige leeftijd, ging hij als timmerman werken en later als winkelbediende. Bij de Leeuwarder Courant werkte hij van 1873 tot 1891 als kantoorbediende. Zijn militaire dienstplicht vervulde hij bij de zeemacht. Zijn geringe schoolkennis vulde hij aan met avondlessen. Bovendien las hij veel. Na de Doleantie in 1886 volgde hij Abraham Kuyper bij het overgaan naar de Gereformeerde Kerken. Zijn ouders bleven Nederlands Hervormd.

Toen Klaas Kater op 25 februari 1882 een propagandabezoek aan Leeuwarden bracht en daar een afdeling van Patrimonium oprichtte, werd de vader van Van Vliet Jr. penningmeester. Nadat de tot secretaris gekozen kandidaat zich teruggetrokken had, meende Van Vliet dat zijn zoon, gezien zijn administratieve functie, voor het secretariaat de geschikte persoon zou zijn. Deze voelde daar niet voor. Hij meende dat Patrimonium alleen voor 'arbeiders' was. Maar na enig aandringen gaf hij toe. Hij werd lid van de afdeling en zag zich tot secretaris gekozen. Tot zijn afscheid van de afdeling Leeuwarden in oktober 1892 zouden vader en zoon samen lid van het afdelingsbestuur blijven. Na het overlijden van de voorzitter werd Van Vliet Jr. in 1886 voorzitter. In hetzelfde jaar werd hij ook benoemd tot lid van het landelijk verbondsbestuur. In 1884 had hij gesolliciteerd naar de functie van agent (bezoldigd functionaris) van Patrimonium. Hij was uit 61 sollicitanten op een voordracht van drie geplaatst. Maar toen de benoeming op zich liet wachten, trok hij zich als gegadigde terug. Het bestuur van Patrimonium benoemde hem in 1885 in een commissie, die in de verstoorde samenwerking tussen Patrimonium (Kater en B. Poesiat) en De Werkmansvriend (J. Wolbers) moest bemiddelen. De Werkmansvriend fungeerde voor Patrimonium als officieel orgaan. Besloten werd een eigen blad uit te geven onder de naam Patrimonium. Onder de schuilnaam Gabe de Fries schreef Van Vliet Jr. er regelmatig artikelen in, soms afwijkend van de in Patrimonium heersende mening. In het nummer van 20 september 1890 schreef hij: 'niet iedere werkstaking is ongeoorloofd, het komt er maar op aan wat de aanleiding is geweest en men doet goed iedere werkstaking afzonderlijk en naar zijn aard te beoordelen'. Hij ging, soms samen met Kater, in de Noordelijke provincies voor Patrimonium op propagandapad. In verschillende plaatsen van Friesland werd een afdeling opgericht. Op den duur bestond er behoefte aan een provinciale organisatie. Deze kwam in 1891 tot stand onder voorzitterschap van Van Vliet Jr. Hij had er zeer voor geijverd, ondanks Kater's afwijzing van een dergelijk 'provincialisme'. In de Provinciale Friesche Bond van Patrimonium ontstond behoefte aan het houden van een enquête naar de toestand onder de arbeiders in navolging van de enquête die was ingesteld door de Friesche Volkspartij onder leiding van Oebele Stelling-werf, met wie een vriendschappelijke verstandhouding bestond. Naar aanleiding hiervan schreef Van Vliet Jr. voor De Standaard een drietal artikelen onder de titel 'Arm Friesland' (13, 15 en 17 september 1892). De situatie in Friesland was volgens hem onhoudbaar, vooral in de kleistreek'. De opbrengst van de verpachte landerijen kwam meestal terecht bij verpachters, die buiten Friesland woonden. Van Vliet Jr. nam kennis van brochures van J. Stoffel, de voorzitter van de Nederlandsche Bond voor Landnationalisatie. Hij kon zich geheel vinden in diens ideeën en bracht deze in de vergaderingen van Patrimonium over. In de afdeling Leeuwarden ontstond mede daardoor de wens te komen tot een sociaal program. Toen het verbondsbestuur van Patrimonium daaraan niet spoedig tegemoet kwam, stelde de Provinciale Friesche Bond een door dominee J. van Andel opgesteld eigen sociaal program vast. Het bodemvraagstuk werd daarin als eerste punt aan de orde gesteld. Na het Eerste Christelijk Sociaal Congres in 1891 besloot Patrimonium alsnog een sociaal program op te stellen. Van Vliet Jr. kwam in 1893 in een commissie, die het voorbereidende werk daarvoor moest verrichten. Het door Patrimonium in 1894 vastgestelde sociaal program bevatte in artikel 16 (het vraagstuk van het grondgebruik) nog kentekenen van zijn Friese afkomst. In 1898 werd Van Vliet Jr. penningmeester van Patrimonium, in 1899 tweede voorzitter en belast met de waarneming van het voorzitterschap. Binnen Patrimonium bestonden toen moeilijkheden als gevolg van de allesoverheersende positie van Kater en de andere koers die jongeren als Van Vliet Jr., J. van der Molen en A.S. Talma wilden inslaan. Toen Kater in 1900 terugtrad, werd Van Vliet Jr. voorzitter. Dit bleef hij tot 1927.

In het voorjaar van 1891 werd Van Vliet Jr. door de anti-revolutionairen te Franeker en Leeuwarden kandidaat gesteld voor het lidmaatschap van de Tweede Kamer. De strijd met de liberalen was hevig, vooral in het district Franeker. In een herstemming steunden de leiders van de Friesche Volkspartij, onder wie P.J. Troelstra, zijn kandidatuur. De liberale kandidaat werd gekozen. Nog hetzelfde jaar had een soortgelijke verkiezingsstrijd plaats in het district Schoterland. Ook hier werd Van Vliet ir. niet gekozen. Inmiddels was hem per 1 november 1891 ontslag aangezegd als boekhouder bij de Leeuwarder Courant. Zijn werkgever stond weliswaar welwillend tegenover hem maar meende niet anders te kunnen doen. Hij zwichtte voor de liberale aandrang de 'rode clericaal' te ontslaan, teneinde de zo nodige advertentie-inkomsten voor zijn krant niet te verliezen. In een door J.A. Wormser te Amsterdam in 1891 uitgegeven brochure vertelde Van Vliet Jr. over De houding der z.g. liberale partij tegenover de candidatuur van 'een man uit het volk' en mijn ontslag bij de Leeuwarder Courant. Een weerwoord werd gegeven door J.F. Jansen en N. Meijer in de door hen in hetzelfde jaar te Harlingen uitgegeven brochure Onze politieke conversatie in de districten Franeker en Schoterland met den heer P. van Vliet jr., ex-candidaat Kamerlid. Tot lid van de Provinciale Staten van Friesland werd Van Vliet Jr. in dat jaar wel gekozen. Op het Eerste Christelijk Sociaal Congres te Amsterdam in november 1891 hield Van Vliet Jr. een inleiding over wat het particulier initiatief vermag in het belang van de kleinhandel, de lagere ambtenaren, klerken en dienstboden. Een van zijn aanbevelingen was de toestand van lagere ambtenaren en klerken door onderlinge organisatie ('zelf help') te verbeteren. Na zijn ontslag bij de Leeuwarder Courant kon hij in zijn onderhoud voorzien door het houden van spreekbeurten op propagandatochten door het land voor Patrimonium en de Anti-Revolutionaire Partij. Daarnaast was hij van oktober 1892 af naast H. Pollema mederedacteur geworden van het in Sneek uitgegeven anti-revolutionaire blad Het Vaandel. Spoedig verschenen hierin artikelen van zijn hand over grondgebruik. Beide redacteuren verschilden op diverse maatschappelijke punten veel van mening, zodat in december 1893 de medewerking van Van Vliet Jr. werd beëindigd. In december 1892 werd hij gevraagd een reis naar Zuid-Afrika te maken om de mogelijkheden van emigratie naar dat land te bezien. Hij kwam na een moeilijke reis met negatieve berichten terug. Emigratie in grote aantallen was roekeloos. Hoogstens waren er mogelijkheden voor boerenzoons met enig kapitaal. Na terugkomst werd Van Vliet Jr. inspecteur voor een Amerikaanse Levensverzekeringsmaatschappij. Hij was met zijn gezin in november 1892 in Arnhem gaan wonen. Daar was hij eveneens voor Patrimonium actief. Het ledental van de afdeling verdubbelde. Hier ontstond een nauwe samenwerking met Talma, wiens idealen hij deelde. In 1897 werd hij lid van de gemeenteraad. In 1901 werd hij lid van de Tweede Kamer voor het district Doetinchem. In 1918 bedankte hij voor een nieuwe kandidatuur voor de Kamer in de mening dat het werk aan jongere krachten moest worden overgelaten, te meer daar door de invoering van de evenredige vertegenwoordiging de band met zijn district losser zou worden. Hij was in 1901 naar Rotterdam verhuisd en twee jaar later naar Rijswijk. In Rijswijk was hij lid van de gemeenteraad en van 1914 tot juli 1917 wethouder. In 1918 verhuisde hij naar Zeist, later naar Soest en naar Utrecht, waarna hij zich in Den Haag vestigde.

In zijn Friese periode is Van Vliet Jr. in Patrimonium en de politiek het duidelijkst naar voren getreden. Niet iedereen in eigen kring nam hem zijn vaak vooruitstrevende ideeën in dank af. Hij werd 'Rooie Piet' genoemd. Nadien bleef hij actief in Patrimonium en de politiek, maar minder toonaangevend dan voorheen. Hij voelde zich - en wilde dat ook zijn - 'een trouwe schildknaap van de ridder Talma'. Bij zijn aftreden in 1927 als voorzitter van Patrimonium werd hij tot erevoorzitter benoemd.

Publicaties: 

Over staatspensioneering (Leiden 1909; met W.C.J. Passtoors); Een held in volle wapenrusting; A.S. Talma en zijn arbeid (Rotterdam 1916; met C. Smeenk).

Literatuur: 

Verhoor van Pieter van Vliet, oud 34 jaar, 1e voorzitter van de afdeeling Leeuwarden van het Nederlandsch Werkliedenverbond Patrimonium te Leeuwarden' in: Enquête gehouden door de Staatscommissie benoemd krachtens de wet van 19 januari 1890 (Staatsblad nr. 1). (Tweede afdeeling) Friesland, 163-165; J.F. Jansen, N. Meijer, Onze politieke conversatie in de districten Franeker en Schoterland met den heer P. van Vliet Jr., ex-candidaat kamerlid (Harlingen 1894); F. Noordhof, Met God, vóór Oranje en Ons Recht! (Wageningen 1905); De Amsterdammer, Christelijk Dagblad voor het Nederlandsche Volk, 23.8.1924; R. Hagoort, Patrimonium (Kampen 1927); R. Hagoort, Het beginsel behouden (Kampen 1934); T. van der Wal, Op zoek naar een nieuwe vrijheid (Leiden 1972); B. Kruithof, Christelijk-Sociaal 1875-1905 (doctoraalscriptie Amsterdam 1976); J.J. Kalma, Er valt voor recht te strijden. De roerige dagen rond 1890 in Friesland (Den Haag 1978); B. Kruithof, 'Trouw aan het beginsel. De christelijke-sociale beweging in Nederland van 1875 tot 1909' in: TvSG, nr. 24, 1981, 347-373; G.J. Schutte (red.), Een arbeider is zijn loon waardig. Honderd jaar na Rerum Novarum en Christelijk-Sociaal Congres 1891; De ontwikkeling van het christelijk-sociale denken en handelen in Nederland 1891-1914 (Den Haag 1991).

Portret: 

P. van Vliet, uit: R. Hagoort, Patrimonium (Vaderlijk erfdeel) (z.pl. z.j.) t.o. 320

Auteur: 
J. van der Molen
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 3 (1988), p.218-221
Laatst gewijzigd: 

28-08-2002