VOO, Goose Wijnant van der

Goose Wijnant van der Voo

Saint Simonist en radicaal democraat, is geboren te Rotterdam op 6 april 1806 en aldaar overleden op 2 juni 1902. Hij was de zoon van Jan van der Voo, molenaarsknecht, en Christina Onrust. Omstreeks 1828 trad hij in België in het huwelijk met Philippine Josephe Ermel, met wie hij twee dochters en vijf zoons kreeg. Na haar overlijden (op 29 januari 1873) hertrouwde hij op 10 maart 1875 met Christina Hoogervorst, met wie hij drie zoons kreeg.
Pseudoniem: Cosmophilus II.

Van der Voo volgde de weg van veel intelligente arbeiderszonen in de negentiende eeuw en werd, waarschijnlijk mede vanwege zijn geringe postuur en zwakke gezondheid, opgeleid tot onderwijzer. In 1823 vertrok hij als hulponderwijzer naar Brussel. In 1830 was hij met vele Nederlandse ambtenaren gedwongen naar het Noorden terug te keren. Het gezegde dat arbeiderskinderen die onderwijzer werden volstrekte armoe door vergulde armoe vervingen, ging bij het grote gezin Van der Voo niet op. Omdat hij als huisonderwijzer en translateur in Rotterdam niet meer dan een zeer schamel inkomen verdiende, was zelfs van vergulde armoede geen sprake. Dat hij geen kans kreeg zich boven zijn milieu te verheffen, stelde hem teleur. Hij raakte enigszins verbitterd maar bleek ook ontvankelijk voor sociaal-utopische denkbeelden. Kort na zijn repatriëring maakte hij zich - mogelijk nog onder invloed van contacten uit Brussel - de leer van het Saint-Simonisme eigen die hij tot zijn dood trouw is gebleven. In 1838 was hij oprichter en secretaris van de afdeling Rotterdam van de Nederlandsche Vereeniging tot Afschaffing van het Gebruik van Sterken Drank. De afdeling stond algehele afschaffing voor omdat 'de onmatige toch eenmaal ook matig is geweest' en ondervinding had geleerd dat men 'heel goed kan leven zonder drank'. Zijn Saint-Simonistische denkbeelden zette Van der Voo uiteen in Mijn geloofsbelijdenis in 1840 (1840). Hij geloofde in de uiteindelijke overwinning van deze nieuwe leer maar meende dat deze in Nederland nog lang op zich zou laten wachten. In 1844 redigeerde hij met de eveneens onder de beklemming van zijn milieu lijdende hulponderwijzer op een Franse school J.Th. Dutillieux de Physiologie van Rotterdam door twee Rotterdammers (Den Haag 1844). In deze tijd verschenen meer fysiologieën waarin op ironische wijze het maatschappelijk leven geanalyseerd werd in grote steden als Amsterdam, Den Haag of Rotterdam en zelfs in een straat (de Amsterdamse Kalverstraat). In 1849 volgde Van der Voo W.S. Monté op, die onder het pseudoniem Cosmophilus redacteur was van de Zierikzeesche Nieuwsbode. Hij noemde zich naar zijn voorganger Cosmophilus II, maar zijn artikelen - hij gaf in een serie 'Het ware Socialismus' een overzicht van leven en leer van Claude Henri de Saint-Simon - stonden op een hoger peil.

Hoewel de samenwerking tussen Dutillieux en Van der Voo in 1844 goed was en zich nog jaren later zou herhalen (in 1869), was de verhouding tussen Van der Voo en hun Haagse uitgever P. Mingelen veel minder. Deze vond Van der Voo 'een nietig, brutaal, onbescheiden manneke, die de geleerdheid in pacht meende te hebben'. Ondanks deze karaktermoeilijkheden slaagde Van der Voo er in met de evenmin gemakkelijke Adriaan van Bevervoorde (en anderen, onder wie Mingelen) in 1850 de Democratische Hoofdvereeniging op te richten en Van Bevervoorde in de daarop volgende periode trouw te steunen in het streven naar democratie. Van Bevervoorde was in deze tijd de meest op de voorgrond tredende radicale publicist in Nederland. Zijn optreden als leider van de democratische beweging was echter vrij tragisch, ten eerste omdat hij in het laatste stadium van tuberculose verkeerde, ten tweede vanwege het kleine aantal en geringe gehalte van zijn medestanders (behalve dan van Van der Voo die een oprecht idealist en integere figuur was) en ten derde omdat de radicaal-democratische beweging haar beste tijd feitelijk achter zich had. Hoe slecht de situatie was, bleek uit een brief van 7 december 1850 van Van Bevervoorde aan de leider van de Franse democraten, A.A. Ledru-Rollin, toen emigrant te Londen: 'La démocratie ici repose entièrement sur mon digne ami Van der Voo et moi, et nous sommes tous deux pauvres, au point de devoir souvent recourir á des moyens pénibles pour faire paraître nos journaux. Père d'une nombreuse familie, notre ami Van der Voo s'est vu priver, ces derniers temps des emplois qu'il occupait, pour s'être mis en avant. Quant à moi, je dois soutenir avec les miens, la même lutte de tous ies instants contre toutes les adversités'. Bovendien ontstonden in de Democratische Hoofdvereeniging telkens interne moeilijkheden door het optreden van Van Bevervoorde, die dictatoriaal optrad en niet de geringste afwijking van de door hem gegeven richtlijnen gedoogde. Hij royeerde verschillende leden zodat de vereniging in januari 1851 nominaal slechts negen leden telde, van wie drie niets meer van zich lieten horen en twee om politieke redenen naar het buitenland waren gevlucht. De opheffing van de Hoofdvereeniging op 30 januari en zijn overlijden in mei betekenden het einde van de door Van Bevervoorde geleide democratische beweging. Ook met Van der Voo wilde hij ten slotte niet meer samenwerken, getuige zijn plan voor een nieuw blad, waarvan de strekking niet strookte met Van der Voo's Saint Simonistische overtuiging. In het blad Courrier Batave had Van der Voo lange artikelen geschreven om de denkbeelden van de Democratische Hoofdvereeniging toe te lichten en zijn eigen Saint Simonistische ideeën naar voren te brengen (overigens zonder dat dit daardoor een Saint-Simonistisch blad werd). Van vereniging, het maatschappelijk hoofddoel, zouden volgens Van der Voo allen, rijk en arm, voordeel hebben, terwijl concurrentie met als gevolg onderling wantrouwen tussen patroons en arbeiders en tussen kopers en verkopers onmogelijk zou zijn. Op financieel gebied pleitte hij voor leningen in plaats van belastingen. Zijn artikelen waren in een plechtige bijbelse taal gesteld, als van een profeet die tot zijn volgelingen sprak. Van der Voo was een overtuigd feminist die vrouwen op hun taak wees. Zij moesten beseffen dat zij niet minder dan mannen waren en dat zij door afwijzing van bruut geweld veel konden bijdragen tot de verbroedering van de volken. Eerder had hij de ware democraat groter genoemd dan Paulus die vrouwen van de tempel had uitgesloten. De ware democraat riep vrouwen op deel te nemen aan de wederopbouw van de maatschappij waarvan zij 'la plus sublime moitié' uitmaakten. Ook het christendom had tegenover vrouwen gefaald door hen in slavernij en ellende te laten, zoals bleek uit prostitutie en discriminerende wetgeving. Met financiële steun van een rijke weduwe maakte Van der Voo in 1856 een reis naar Frankrijk, waar hij leidende figuren uit de Saint-Simonistische beweging leerde kennen als B.P. Enfantin, Ch. Lambert en de gebroeders E. en 1. Péreire. Enfantin, wel als de 'paus van het Saint-Simonisme' aangeduid, stelde hem anderen voor als 'onze bisschop in de Nederlanden'. Sindsdien beschouwde Van der Voo zich als wij bisschop van het 'nieuwe Christendom' in Nederland, zoals hij het Saint-Simonisme graag noemde. In de jaren vijftig gaf hij met mr. A.J. Nieuwenhuis, een oom van F. Domela Nieuwenhuis, twee werken over het Saint-Simonisme uit: Ontvouwing van de leer van Saint-Simon en Het nieuwe Christendom (1856). Samen voerden zij bovendien actie tegen de gedwongen eedsaflegging en betoonden zich voorstander van invoering van jury-rechtspraak.

Eind jaren zestig herleefde de in 1851 ten onder gegane democratische beweging. Van der Voo, die destijds alleen was overgebleven, bracht in oktober 1868 het eerste nummer uit van het veertiendaagse blad De Rotterdamsche Lantaren. Dit verscheen nog vóór de afschaffing van het dagbladzegel in klein formaat. Dat Van der Voo niet alleen stond, bleek uit het feit dat groepen democratische medestanders dit blad lazen en bediscussieerden. Het kwam uit in dezelfde maand dat Jacob de Vletter ageerde tegen belasting- en huurverhogingen en het opnam voor van hun vaste standplaats verdreven handelaren, wat uitliep op flinke botsingen met de politie. Het harde vonnis over De Vletter, die in juli 1869 voor zijn aandeel in het oproer tot tien jaar tuchthuisstraf veroordeeld werd, wekte veel verontwaardiging en leidde tot hernieuwde samenwerking tussen Van der Voo en Dutillieux. Van der Voo riep in De Rotterdamsche Lantaren zijn medestanders op massaal een petitie aan de koning te richten ten gunste van De Vletter. Dutillieux schreef een felle brochure Quos Ego, Tien Jaren Tuchthuisstraf! (Rotterdam 1869). Onder inspiratie van Van der Voo ontstond in februari 1869 de Vereeniging Het Algemeen Stemregt, de eerste van deze aard in Nederland, met vanaf maart 1869 De Rotterdamsche Lantaren als orgaan. Van der Voo betoogde dat de ongeregeldheden in Rotterdam niet zouden zijn opgetreden als er algemeen stemrecht was geweest. Opnieuw stond hij vooraan in de gelederen van diegenen die zoals Van Bevervoorde en hij in 1850 democratische denkbeelden bepleitten. Het lukte echter niet bij de raadsverkiezingen van dat jaar voldoende stemmen te behalen. Van der Voo zelf kreeg er slechts negentien. Wel kwam er van andere zijde hulp. In 1856 was Van der Voo een van de stichters geweest van de Amsterdamse vrijdenkersvereniging De Dageraad, die in 1869 een groot aandeel had in de oprichting van een Nederlandse afdeling van de Eerste Internationale. Een jaar voordien had hij in Rotterdam op 14 oktober 1855 in De Lichtstraal een twintig Rotterdamse vrijdenkers verenigd, die zich in 1857 hij De Dageraad aansloten. Eerder dan de Amsterdammers was Van der Voo ervan overtuigd dat ook zij moesten werken aan maatschappelijke vooruitgang. In het blad De Dageraad was hij betrokken bij een discussie over het door Multatuli opgeworpen idee van een Derde partij. Op 9 mei 1869 voerde Multatuli het woord op een openbare vergadering van Algemeen Stemregt in Rotterdam en liet zich door de vereniging kandidaat voor de Tweede Kamer stellen, echter zonder succes. In 1870 werkte Van der Voo samen met Charles Rodenback (C.A. Monterossi) aan het blad De Toekomst, Orgaan der Democratie in Nederland, dat door Dageraadsmensen in het leven geroepen was. Op grond van deze verbindingen en activiteiten is Van der Voo te beschouwen als enige democratische aanhanger van Van Bevervoorde die invloed heeft uitgeoefend op de beweging rond 1870. Groot was deze invloed zeker niet, daarvoor was Van der Voo te veel een individualist die zich moeilijk in een bepaald gareel liet dwingen. Nadat de vrijdenkers in de jaren zeventig uiteengevallen waren, richtte hij in 1881 in Rotterdam samen met W. Meng en J. Hobbel Het Vrije Woord op. In hetzelfde jaar werkte hij mee aan Recht voor Allen. Van der Voo hield vast aan zijn Saint-Simonistische idealen, zoals blijkt uit een in 1888 door hem aan de vader van de Franse president M.F.S. Carnot geschreven brief. Door het geven van Franse lessen probeerde Van der Voo in zijn levensonderhoud te voorzien. Om zijn schamele inkomsten te vermeerderen gaf hij op hoge leeftijd nog zijn verzamelde werken uit. Toen hij in 1902 op 96-jarige leeftijd overleed, had hij zijn voornaamste medestander in de Democratische Hoofdvereeniging ruim een halve eeuw overleefd. Volgens W. van Ravesteyn miste deze typische idealist het volkstribuunachtige dat de andere radicalen uit zijn tijd zo vaak kenmerkte. Multatuli rekende hem tot de geestverwanten en medestanders voor wie hij achting had en prees hem in Idee 482 uit 1862 als een van degenen 'die smaad verdragen om den wille der waarheid'.

Publicaties: 

Mijne werken. 2 delen (Amsterdam 1887, 1892); 'Aan de vrouwen' in: Jaarboekje Algemeen Nederlandsch Werklieden-Verbond, 1884.

Literatuur: 

Bymholt, Geschiedenis, 62, 64, 294; De Dageraad. Geschiedenis, Herinneringen en Beschouwingen. 1856 - 1906 (Amsterdam 1906); K.F. Proost, Weg en werk (Utrecht 1941) 10-11; W. van Ravesteyn, Rotterdamsche Cultuur vóór honderd jaar (Leiden 1942); A.C.J. de Vrankrijker, Het wervende woord (Amsterdam 1950), 21-23; M.J.F. Robijns, Radicalen in Nederland (Leiden 1967); W. Heyting, 'Saint Simonisme in Nederland 1830 - 1840. G.Fr.J. van den Bergh en G.W. van der Voo' in: Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden, 1970, 315-336; J. Giele, 'De oppositie der "volksmannen"' in: TvSG, september 1975, 171-218; 'Van der Voo en andere vrijdenkers' in: Filosofen aan de Maas (Baarn 1991) 134-141; F. Kolman, Goose Wijnand van der Voo (1806-1902). Een keuzebibliografie (Amsterdam 1992); J. Houkes, 'Willem Meng en zijn verenigingen "Het Vrije Woord" en "Wie denkt Overwint"'', in: BNA, nr. 37, maart 1995, 19-40.

Portret: 

G.W. van der Voo, uit: M. Schouten, De Socialen zijn in aantogt (Amsterdam 1976) 31

Auteur: 
M.J.F. Robijns
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 5 (1992), p. 295-298
Laatst gewijzigd: 

13-02-2002