VORST, Hendrikus Johannes van

Hendrikus Johannes van Vorst

(roepnaam: Henry; kloosternaam: Coelestinus), pleitbezorger van R.K. vakorganisatie, later van SDAP en vrijdenkerij, is geboren te Dieden (Br.) op 26 december 1867 en overleden te Parijs op 7 januari 1927. Hij was de zoon van Theodorus van Vorst, onderwijzer, en Hermina Konings. Op 1 juli 1908 trad hij in het huwelijk met Helena Mumsen, met wie hij een dochter en een zoon kreeg. Dit huwelijk werd op 1 juli 1925 ontbonden.

Na de lagere en de Latijnse School behaalde Van Vorst de hulpakte voor onderwijzer. Op 23 april 1890 trad hij na een mislukte verloving als novice in het kapucijnenklooster te Babberich in. Op 2l december 1895 werd hij tot priester gewijd. Ondertussen had hij retorica, filosofie en theologie gestudeerd. Zijn ordeoversten honoreerden zijn wens om missionaris te worden aanvankelijk niet: hij zou niet gehoorzaam genoeg zijn. Uiteindelijk vertrok hij in april 1901 alsnog vanuit het Tilburgse klooster waar hij sinds 1892 woonde naar Syrië. Zijn ervaringen daar publiceerde hij in een aantal artikelen in het Zondagsblad voor het Katholieke Huisgezin. Na een diepgaand conflict met zijn overste in Syrië keerde Van Vorst in augustus 1902 zonder toestemming van de provinciaal-generaal terug naar Tilburg. Daar wijdde hij zich vooral aan de bijbelexegese. Zijn publikaties werden vanwege hun modernistische strekking in ultramontaanse kring hevig bekritiseerd. In 1905 verwierf Van Vorst grote populariteit als pleitbezorger van de katholieke vakorganisatie met spreekbeurten, een aantal artikelen onder de titel 'Christus in de Sociale Actie' in de Tilburgsche Courant en de brochure De Kerk en de Boterham (Tilburg 1905). Hij stelde dat de materiële levensomstandigheden van de arbeiders slechts verbeterd konden worden als men ook hun godsdienstig-zedelijke belangen niet uit het oog verloor. Daarom moesten de arbeiders zich in katholieke vakorganisaties verenigen. Het interconfessionalisme keurde hij af. Van Vorst was overwegend actief in Tilburg, al ging hij wel eens samen met L. Poell, geestelijk adviseur van de Bossche Diocesane Textielarbeidersbond, buiten deze gemeente op propagandatocht. Over een officiële positie van Van Vorst binnen de katholieke vakbeweging is niets bekend. Aanvankelijk leken Van Vorsts oversten hem te steunen bij zijn werkzaamheden voor de katholieke arbeidersbeweging, maar al spoedig was er sprake van tegenwerking. Zo verbood het geestelijk gezag eind mei 1905 een openbaar debat tussen Van Vorst en de Bredase priester-socialist J.A.H. van den Brink, met wie hij later bevriend zou raken. Ook een vanwege zijn enorme populariteit door de katholieke kiesvereniging aangeboden kandidatuur voor de Tweede Kamer moest hij laten varen, de vele protesten aan het adres van de kapucijnenorde ten spijt. De weerstand tegen het optreden van Van Vorst was te groot geworden, vooral onder de Tilburgse pastoors en notabelen. Van Vorsts kloosteroverste hoopte in mei 1905 dan ook dat deze zijn activiteiten spoedig zou staken: hij zou zich voor het karretje van Poell laten spannen, bovendien zou hij het, refererend aan de pastoors, over 'de heren wijnzuipers' hebben gehad. Van Vorst kreeg dan ook dezelfde maand nog een verbod om voor de Tilburgse arbeiders te spreken of contacten te onderhouden met de buitenwereld. Een lezing voor een Leidse R.K. studentenvereniging kon nog wel. In juni 1905 werd Van Vorst overgeplaatst naar het klooster in Den Bosch, zodat het rechtstreekse contact met de Tilburgse bevolking verloren ging. De gebeurtenissen maakten Van Vorst verbitterd. Zonder van iemand afscheid genomen te hebben vertrok hij op 28 augustus 1905 naar Rome. Hij reisde samen met de in de orde eveneens verdachte pater Aloysius (A.F.A. van den Bergh). Beiden reisden in burger, Van Vorst had de voor de kapucijnen zo kenmerkende baard afgeschoren. Twee weken later schreef hij zijn broer P. van Vorst, gemeentesecretaris van Eindhoven, dat hij en Aloysius het katholicisme vaarwel hadden gezegd en 'eenvoudig rationalist' waren geworden. Tevens vroeg hij zijn broer vijfduizend gulden te leen: ze wilden in Rome in boeken gaan handelen en wetenschappelijke publikaties gaan schrijven. Vanaf dat moment onderhield Van Vorsts broer nauwe contacten met de oversten van de kapucijnenorde, waarvan Van Vorst in naam lid bleef. Hij keurde de handelwijze van zijn 'ongelukkigen broeder' af en beloofde de orde niet aan diens verlangens te zullen toegeven. Al op 5 oktober 1905 had Van Vorst spijt en vroeg hij de ordeoverste in Nederland om vergiffenis. Nu begon een periode waarin hij veel verhuisde en diverse keren op ingenomen standpunten terugkwam. In 1906 was hij zelfs een tijdje lid van de hervormde gemeente in Frankfurt am Main. Uiteindelijk besloot hij zich ergens als seculier priester te vestigen. Omdat de bisschop van Den Bosch hem inmiddels het lezen van de mis had verboden, bleek dit een groot probleem. Hij gaf het plan dan ook spoedig op. Om in zijn onderhoud te voorzien ging hij vanaf juni 1907 de redactie voeren van een blaadje van een Belgische verzekeringsmaatschappij. Tegelijkertijd zocht hij naar een mogelijkheid om binnen de Nederlandse arbeidersbeweging iets te doen. In deze periode heeft hij vermoedelijk contact gehad met zowel Van den Brink als met Poell.

Op 14 december 1907 koos Van Vorst voor de SDAP en trad hij officieel uit de orde van de kapucijnen. Het eerste nummer van 1908 van het Brabantse SDAP orgaan De Eendracht meldde onder het kopje 'Belangrijk nieuws' dat het Tilburgse volk 'zijn verdediger en koene strijder' terugkreeg. Van Vorst verliet België en ging tijdelijk bij zijn broer in Eindhoven inwonen, in het bevolkingsregister daar werd hij als R.K. priester ingeschreven. Op 1 februari 1908 verhuisde hij naar Amsterdam, waar hij zonder beroep maar als katholiek in het bevolkingsregister werd ingeschreven. Ondertussen hield Van Vorst voor de SDAP enkele drukbezochte lezingen. Hij schreef in de partijpers en publiceerde de brochure Christendom en sociaal-democratie (Tilburg 1908). Onder socialisme verstond hij een economisch socialisme, waarbij centraal moest staan dat de produktiemiddelen in handen van de gemeenschap kwamen. Dit economisch socialisme kende niet het materialisme van Marx, dat de godsdienst als een gevolg van de economische verhoudingen zag en daarom na de revolutie wel zou verdwijnen. Volgens Van Vorst hadden godsdienst en socialisme niets met elkaar te maken. Godsdienst was een privézaak. Van Vorst wees er verder telkens op dat de Paus het economisch socialisme niet had veroordeeld. Dat de clerus het socialisme toch bestreed, was volgens hem om hun 'kapitalistische broodheren' ter wille te zijn. Van Vorsts katholieke tegenstanders verweten hem vooral dat hij zijn pij aan de wilgen had gehangen en dat hij niet inzag dat het materialisme inherent was aan het socialisme. Maar ook binnen de SDAP kreeg Van Vorst kritiek. F. van der Goes, J. Loopuit, M. Mendels en S. de Wolff verweten hem van het marxisme niets begrepen te hebben. De Wolff bekritiseerde Christendom en sociaal-democratie in De Tribune en Van der Goes stelde in april 1908 tijdens het Arnhemse SDAP-congres slechts te kunnen lachen om wat Van Vorst over het marxisme geschreven had. Mendels sprak van 'verderfelijke onzin'. De partijleiding daarentegen - die vooral de propagandistische waarde van een ex-priester in het katholieke Zuiden zag - kwam op voor Van Vorst. Tijdens het Arnhemse congres noemde W.H. Vliegen Van Vorsts overstap naar de SDAP een dappere daad, de kritiek op hem keurde hij af. Ondertussen werd er overleg gevoerd over een baan als propagandist voor Van Vorst. In Tilburg wilden ze hem graag hebben, en ook het partijbestuur (met name Vliegen) vond Van Vorst een uitstekende kandidaat. De zittende propagandist in Tilburg, A.F. Muller, zou dan eventueel naar Maastricht kunnen gaan. Bij een klein deel van de Tilburgse SDAP ontstond enige reserve toen bleek dat Van Vorst slecht debatteerde en zich steeds vaker antikathohiek ging opstellen. Hij publiceerde begin 1908 bijvoorbeeld drie antikatholieke artikelen in de Vrije Gedachte. Uiteindelijk bleek slechts een kleine meerderheid van het partijbestuur voor vestiging van Van Vorst in Tilburg. Deze gaf hierop te kennen liever naar Maastricht te gaan. Met ingang van juni begon hij daar zijn werkzaamheden als SDAP-propagandist. De redactie van het partijblad De Voorvechter was een van zijn taken. Onder Van Vorst kreeg het blad een sterk antiklerikale inslag. Zo publiceerde hij meteen het feuilleton 'Roomsche stichtelijkheden oftewel de Heerlijkheden der Roomsche kerk', waarin hij vooral de schandalen uit de geschiedenis van het katholicisme belichtte. Ook begon hij steeds meer publiekelijk te verklaren dat hij niet langer gelovig was en met de kerk had gebroken. In de brochure Waarom ik de Roomsche kerk verliet (Maastricht 1908) stelde hij vooral problemen te hebben met de zogenaamde 'goddelijke openbaring'. Enkel de menselijke rede was voor hem een goed uitgangspunt. Vanaf de kansel en met pamfletten werd de bevolking gewaarschuwd tegen deze 'afvallige priester'. Binnen de Maastrichtse SDAP had alleen W.C. de Jonge kritiek op de propaganda tactiek van Van Vorst. Toch had Van Vorst aanvankelijk succes. Er werden cursussen gegeven, er kwam een socialistische boekhandel en het ledental in Maastricht verdubbelde in korte tijd. Maar ook de katholieke reactie groeide sterk. In december 1908 werd vanaf de kansel het lezen van De Voorvechter verboden en werd er opgeroepen tot actie tegen de colportage met het blad. Vanaf oudejaarsdag 1908 werden socialistische colporteurs regelmatig belaagd door katholieke tegen demonstranten. Daarnaast werden er ook protest-vergaderingen tegen Van Vorst belegd. Vanaf februari 1909 gooide het katholieke scheldblaadje De Bessem olie op het vuur met een oproep Maastricht schoon te vegen. Door zijn steeds feller wordend antiklericalisme werd Van Vorst steeds meer persoonlijk het mikpunt van de katholieke reactie. In De Bessem stonden spotliedjes op zijn persoon en werden misintenties voor zijn bekering geplaatst. Op straat werd hij uitgescholden en persoonlijk belaagd, in en buiten Maastricht. In Tilburg moest de politie hem in juni 1909 zelfs ontzetten. Voorzichtig kwam ook in SDAP-kring kritiek op de propagandatactiek van Van Vorst. Zo noemde het Brabantse partijblad De Eendracht van januari 1909 het onverstandig om in katholieke streken over religieuze zaken te schrijven zoals dat in De Voorvechter gebeurde. Ook in Maastricht begon men geleidelijk aan in te zien dat de tactiek contraproduktief werkte. In mei 1909 kwam een al geruime tijd latent aanwezig conflict tussen Van Vorst en De Jonge tot uitbarsting. Van Vorst verweet De Jonge onder meer te veel 'heerszucht'. Het conflict leidde ertoe dat Van Vorst verklaarde in Tilburg als SDAP-propagandist voor Brabant te willen gaan werken. De Brabantse federatievergadering van 13 juni 1909 verkoos een colporteur boven Van Vorst als propagandist. Alleen de afdeling Tilburg zag Van Vorst graag komen. Na een gesprek met Van Vorst besloot het partijbestuur dat Van Vorst alsnog in Maastricht zou blijven. In een verklaring sprak het partijbestuur zijn steun aan Van Vorst uit. In de daaropvolgende maanden sloeg Van Vorst een gematigder toon aan, tot hij zich eind 1909 meer ging bezighouden met de vrijdenkersvereniging De Dageraad en besloot een antiklerikaal blad te gaan uitgeven. Dit blad, De Kruisspin, had de veelzeggende ondertitel 'Blad tegen godsdienst en priesterheerschappij' en kwam in januari 1910 voor het eerst uit. Nog voor het eerste nummer van De Kruisspin verscheen had het partijbestuur al besloten in te grijpen. Van Vorst werd voor de keus gesteld: óf uit de redactie van De Kruisspin, óf ontslag nemen als SDAP-propagandist. Van Vorst koos voor het laatste. Een krappe meerderheid van de Maastrichtse afdeling steunde het partijbestuur. Van Vorst stopte vervolgens met al zijn activiteiten binnen de SDAP. Hij verdedigde zijn antiklerikalisme met het argument dat de clerus in het Zuiden de socialistische propaganda frustreerde. Tijdens het partijcongres van Leeuwarden in 1910 steunde alleen A. van der Veen uit Tilburg de propagandatactiek van Van Vorst. Tot zijn vertrek eind april 1910 uit Maastricht naar Gent richtte Van Vorst zich helemaal op De Dageraad. Vanaf augustus 1910 woonde hij in het nabij Gent gelegen kunstenaarsdorp Sint-Martens-Latem. In 1910 en 1911 sprak hij regelmatig voor de Belgische Werkliedenpartij en de vrijdenkers.

In maart 1914 verhuisde Van Vorst met zijn gezin naar Den Haag, waar hij de kost verdiende als levensverzekeringsagent. Over zijn verdere activiteiten hier is weinig bekend. Waarschijnlijk onderhield hij veel contact met de inmiddels met zijn schoonzuster gehuwde Van den Brink. In oktober 1918 vertrok het gezin naar het Brabantse Ginneken, van mei 1922 tot augustus 1923 woonden ze tijdelijk in Maastricht. In beide plaatsen stond hij als journalist geregistreerd. Weer in Ginneken verklaarde Van Vorst eind 1923 terug te willen naar de katholieke kerk en zelfs naar de kapucijnen. Hij herriep in januari 1925 officieel zijn sinds 1907 'begane zonden'. Zijn twee kinderen en zijn van huis uit hervormde vrouw werden in april 1925 katholiek gedoopt. Zelf trok hij zich die maand terug in een benedictijnenklooster in Oosterhout. Omdat Van Vorst door zijn verhuizing naar het klooster de samenleving met zijn vrouw beëindigde sprak de rechtbank op haar verzoek een scheiding van tafel en bed uit. Van Vorst verscheen zelf niet ter zitting. Van juni tot november 1925 verbleef Van Vorst weer bij de kapucijnen, maar vond kennelijk ook daar niet wat hij zocht. In februari 1926 werd hij formeel tot leek verklaard, onder de voorwaarde dat hij zijn kuisheid bewaarde. Ondertussen was hij na een kort verblijf in Antwerpen eind 1925 naar Parijs vertrokken, waar hij koster van een parochie werd. Hij dreef er tegelijkertijd een winkeltje met lectuur en lingerie. Zijn vrouw bleef met hun kinderen in Nederland, waar de kapucijnen erover waakten dat ze niet te veel onder de invloed van haar hervormde familie kwam. Pater Pancratius schreef aan de Nederlandse provinciaal in janurai 1927 dat hij had vernomen dat Van Vorst in Parijs (aan maagkanker) was overleden: 'Zoo gaarne hadden we hem een eervolle plaats willen geven op ons kloosterkerkhof... Intussen is er alle reden tot groote dankbaarheid nu hij ... de laatste H. Sacramenten der Kerk heeft mogen ontvangen. Wij mogen ook blijde zijn wijl nu alle bezorgdheid nopens de toekomst is opgeheven.'

Publicaties: 

Behalve de genoemde: Casus Theologiae Moralis (Roermond 1902); (met J. Aertnijs) De imprecatione Deus damnet me. Dissertatio theologica et apologetica. Accedit casus conscientiae (Gulpen 1902); Het aardsche paradijs. Hoe het was en waar het lag (Tilburg 1903); Geluk en Val van Adam en Eva (Tilburg 1903); Iets over het Bijbelsch Scheppingsverhaal (Tilburg 1903); Over Inspiratie. Een Pauselijk Voorschrift. Bronnen in Genesis (Tilburg 1904); Wat en hoe in onze geloofsverdediging (Utrecht 1905); De vrouw, de biecht en Prof Dr A. Forel (Amsterdam 1908); Roomsche Stichtelijjkheden oftewel De Heerlijkheden der Roomsche Kerk (Maastricht 1909); Domheid en Misdrijf in het Katholieke Zuiden, of van biechtstoel tot misdaad (Maastricht 1910); daarnaast artikelen in onder meer: Nederlandsche Katholieke Stemmen, Het Volk en Rede. Orgaan van de Vlaamsche Vrijdenkersfederatie van België.

Literatuur: 

Vliegen, Kracht II; H. Heijman, Henry van Vorst. Een rusteloze zoeker (ongepubliceerde scriptie, 1974); S. de Wolff, Voor het land van belofte (Nijmegen 1978); J. Perry, Roomsche kinine tegen roode koorts (Nijmegen 1983); G.J.M. Wentholt, Een arbeidersbeweging en haar priesters (Nijmegen 1984); P. van Dun, "... onder welke helaas een afvallig priester". De in 1909 te Tilburg gehouden nationale betoging en meeting voor de moderne vakbeweging' in: Tilburg, 1992, nr. 2, 28-36; H.M.T.M. Giebels, Katholicisme en socialisme. Het zelfbeeld van de Eindhovense christen-socialisten in het spanningsveld tussen traditie en moderniteit 1885-1920 (Tilburg 1994).

Portret: 

H.J. van Vorst, Gemeentearchief Tilburg

Auteur: 
Paul van Dun
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 6 (1995), p. 230-234
Laatst gewijzigd: 

13-02-2003