VOS, Petrus Josephus Wilhelmus de

Petrus Josephus Wilhelmus de Vos

(roepnaam: Piet), uitgever/redacteur en voorloper van de arbeidersbeweging, is geboren te Amsterdam op 12 november 1805 en overleden te Arnhem op 2 november 1866. Hij was de zoon van Cornelis de Vos, portretschilder, en Adriana Schoonenberg. Op 22 oktober 1823 trad hij in het huwelijk met Susanna Gerrardina Schottelink, platenscheurster, met wie hij zes dochters en een zoon kreeg. Na haar overlijden op 13 december 1856 te Amsterdam trad hij op 13 maart 1861 in het huwelijk met Sophia Catharina Thomassen, winkelierster, met wie hij een zoon kreeg.

Over het leven van De Vos vóór hij in 1842 een uitgeverij oprichtte, is weinig bekend. Hij kwam uit een gegoed, gereformeerd gezin. Zijn vader, die in 1770 in Hoorn werd geboren, was portretschilder te Amsterdam. Toen De Vos twaalf jaar was, overleed zijn vader. Zijn moeder, die uit Maassluis stamde, verhuisde daarop van het Rokin naar 't Water (nu Damrak) bij de Korenbeurs. Aannemelijk is dat De Vos bij haar bleef wonen totdat hij in 1823 trouwde. Omdat hij nog geen achttien jaar was - de bruid, dochter van een commissionair, was twee jaar ouder - moest koninklijke dispensatie het huwelijk mogelijk maken. Zes weken na de huwelijkssluiting werd de eerste dochter geboren. In het bevolkingsregister van Amsterdam staat De Vos ingeschreven als kunstschilder, maar geen van zijn werken is bekend gebleven. In 1826 werden twee landschappen van zijn hand op de jaarlijkse Tentoonstelling van Levende Meesters in Amsterdam geëxposeerd. Een succesvol kunstenaar lijkt De Vos niet te zijn geweest. Daarop duidt zijn aanstelling, in januari 1830, tot bewaarder en opzoeker bij de Stads Bank van Leening. Geldnood heeft hem vermoedelijk tot deze baan gedreven. Naast die baan begon hij in 1842 een uitgeverijtje. Het opzetten daarvan markeerde de ommekeer in zijn leven. Aanvankelijk was hij nog een keurige uitgever van historisch getinte boeken, zoals blijkt uit Brinkmans Alphabetische naamlijst van boeken. Behalve als uitgever werkte De Vos ook als vertaler en schrijver, maar ook dat is niet geheel zeker omdat geen van de door Brinkman genoemde uitgaven bewaard is gebleven. Op 5 februari 1844 verscheen de eerste aflevering van het weekblad Waarachtige physiologie van Amsterdam en van de meest bekende van Amstels ingezetenen. Uitgever en redacteur was P.J.W. de Vos. Het blaadje behoorde tot de zogenoemde 'lilliputters', de verzamelnaam van drukwerken die van zegel (belasting) waren vrijgesteld omdat ze niet groter waren dan maximaal twee vierkante palmen (decimeter). Fysiologieën vormden binnen de lilliputters een apart, uit Frankrijk afkomstig genre. Ze floreerden uitsluitend in grotere steden en hadden één ding gemeen. De autoriteiten hielden deze angstvallig in de gaten, omdat de blaadjes de autoriteiten belachelijk of te schande maakten en omdat zij inspeelden op ontevredenheid onder het volk. In het eerste nummer maakte De Vos zijn bedoelingen duidelijk. Hij zal bieden 'karakterschetsen, even als elk romanschrijver doet, met dit onderscheid, dat wij onze modellen uit de stad onzer inwoning zullen kiezen'. Kennelijk beseffend dat zijn werkwijze reacties zou oproepen, dekte hij zich bij voorbaat in: 'Zoo wij dezelve getrouw naar de natuur schilderen, zullen zij wel door velen herkend worden, doch zal dit onze schuld zijn?'. Al bij de eerste aflevering was het raak. Het duurde nog geen vier dagen of de eerste gedrukte reactie op De Vos' publikatie verscheen bij een andere Amsterdamse uitgever. Kritiek op medeburgers was geoorloofd, hen te schande maken niet.

De aanval stimuleerde De Vos tot het uitbouwen van zijn blad tot een 'chronique scandaleuse'. Hij nodigde zijn lezers uit op waarheid berustende verhalen anoniem in te zenden. Het stadsbestuur keek met toenemende zorg naar het succes van het periodiek. Eerst waarschuwde de burgemeester zijn ambtenaar De Vos te zullen ontslaan wanneer deze hem persoonlijk zou aanvallen. Kort daarna, toen een raadslid in het blaadje te kijk was gezet, stelde de burgemeester De Vos een ultimatum: stoppen met de uitgave van het blad of ontslag krijgen. De Vos nam ontslag. Het werd hem per 1 mei 1844 eervol verleend. Hij had nu de vrije hand. De 'uitgever (op de) Outewalerweg, buiten de Muiderpoort, op het buitenverblijf Weizigt', zoals hij zichzelf aanduidde in nummer 15 van zijn blad, zou thans niemand meer ontzien en nam zich voor in het bijzonder 'misdaden, gebreken, ja ligtere feilen te fnuiken' van de meest notabele en patricische families. Ook stelde hij zijn lezers op de hoogte van zijn voornemen om per 1 juli 1844 een nieuwe, maandelijkse kroniek uit te brengen: de Physiologie van het Koninkrijk der Nederlanden, van deszelfs staatsregeling en meest bekende inwoners, met uitzondering van die der hoofdstad. Deze nieuwe kroniek lijkt de aanzet tot de serieuzere aanpak, die het latere werk van De Vos kenmerkte en waarmee hij zich schaarde in het koor van critici op het beleid van het stadbestuur en de Haagse regering. De maandkroniek was geen schotschrift. Er stonden artikelen in over de constitutionele geschiedenis van verscheidende landen en artikelen waarin stelling werd genomen in de in die tijd hooglopende discussie over herziening van de Nederlandse Grondwet. De Vos kwam echter in financiële problemen. Hij werd vanwege schulden gegijzeld en vervolgens failliet verklaard. Het (voorlopig) laatste nummer van de Waarachtige physiologie, nummer 32, verscheen op 9 september 1844. De Physiologie van het Koninkrijk was al na drie nummers ter ziele gegaan. Tijdens zijn gijzeling werd door zeven in de Waarachtige Physiologie van Amsterdam aangevallen Amsterdammers, een klacht 'wegens lasterlijke aantijgingen' tegen hem ingediend. Op grond daarvan werd hij op 4 december 1844 veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf, duizend gulden boete en tien jaar ontzegging uit de burgerrechten.

De Vos week uit naar Duitsland en vestigde zich even over de grens in Hoog-Elten. Op 1 augustus 1846 huurde De Vos van Justizrath Wenzel Höijnck in Emmerik op de Eltenberg het Salmsche Haus voor 80 Thaler per jaar. Zijn publicitaire activiteiten in Nederland waren bekend en vormden geen beletsel voor het huren van het huis voor hem en zijn gezin. Het is verleidelijk te veronderstellen dat er verband bestond tussen De Vos' verblijf in Duitsland en de aanwezigheid van een redelijk aantal politiek actieve Duitse handwerkslieden in Amsterdam, door de commissaris der koningin in Noord-Holland in een brief aan Willem II 'de communistische club van Duitsche arbeiders te Amsterdam' genoemd. Enig bewijs daarvoor bestaat echter niet. Het blijft dus raden naar de ontwikkeling, die De Vos doormaakte van kroniekschrijver van schandaaltjes tot voorvechter van de werklieden. Al op 18 maart 1845 keerde de Waarachtige Physiologie van Amsterdam terug, bij een andere uitgever maar wel met medewerking van De Vos, vanuit Hoog-Elten. Op het elfde nummer sinds de herverschijning stond De Vos als hoofdredacteur vermeld. De schandaaltjes bleven de kolommen vullen, maar werden steeds vaker afgewisseld met politieke artikelen, gericht tegen de regering en in het bijzonder de gehate minister van Financiën, F.A. van Hall. Daarmee schaarde de kroniek zich onder de oppositiebladen.

In oktober 1846 riep De Vos voor de eerste maal de werklieden op zich te verenigen tegen zijn 'onderdrukkers'. 'Door uwe tweedragt zijn zij sterk, terwijl zij als een bende bloedgierige moordenaars u langzamerhand geheel uitzuigen'. Verwijzend naar de Ierse vrijheidsstrijder Daniel O'Connell verzekerde hij niet te zullen rusten voordat 'wij het zoover gebragt hebben, dat er ook in Nederland een tweede O'Connell opstaat, die manmoedig, langs wettelijke middelen, zijne natuurgenoten wil te hulp komen'. De Vos speelde in deze en latere publikaties openlijk met de gedachte de arbeiders te organiseren. Hij zag daarbij voor zichzelf een leidende rol weggelegd. 'Voor het oogenblik kunnen wij nog niets dan u raden, eenmaal evenwel daagt welligt de tijd, dat wij ons wettelijk aan uw hoofd stellen'.

Meer en meer ontwikkelde De Vos zich tot agitator en daarmee tot een van de voorlopers van de arbeidersbeweging. In zijn weekblad van 26 oktober 1846 schreef hij: 'Een woord aan de Stedelijke regering van Amsterdam', waarin hij verzocht een ieder werk te verschaffen tegen zeventig centen daags. De reeks artikelen culmineerde in de oproep van 16 november 1846 aan 'den handwerksman en geringen burgerstand' om in actie te komen, recht en brood te eisen. Dit is waarschijnlijk de eerste oproep tot actie van werklozen. De Vos zette nauwkeurig uiteen hoe de actie zou moeten verlopen: 'op den 1en Januarij 1847 rustig en bedaard, zonder eenig kenteeken of voornemen tot oproer, plundering of geweld, verzamelen op den Dam, voor uw oud stadhuis'. Daar zouden de demonstranten hun woordvoeders moeten kiezen, 'die met bezadigdheid en gezond verstand uwe wenschen aan uwen Burgervader kunnen overbrengen'. Hoe ook het antwoord van de burgemeester uit zou vallen, in elk geval moest ook aan de koning verzocht worden 'het volk te verlossen van de tegenwoordige ministers' en een algehele verandering van de Grondwet tot stand te brengen om 'de natie de voordelen der regtstreeksche verkiezingen in de onbeperkste zin des woords' te doen deelachtig worden. Zou de burgemeester op de eisen ingaan, dan kon in de opvatting van De Vos met het verzoek aan de koning gewacht worden tot het moment waarop hij volgens gebruik in het voorjaar enige dagen in Amsterdam zou doorbrengen. Maar als de burgemeester op 1 januari 'niet handelbaar' zou zijn, dan, zo stelde De Vos voor, zouden de arbeiders zich op 1 februari moeten verzamelen om in een hongermars naar Den Haag te trekken. 'Dan gaat het regelregt naar Den Haag, naar de verblijfplaats van den ook van u geld trekkenden Koning'. In de aflevering van 21 december 1846 deed De Vos met revolutionaire slogans nogmaals een beroep op de massa. 'Staat op als één man en toon uwe onderdrukkers, dat de Hollander nog niet ontaard is'. 'Werk of dood, anders kan en anders mag er voor U geen uitkomst zijn'. Ondanks alle agitatorische ijver van De Vos bleef het doodstil op de Dam op Nieuwjaarsdag 1847. Wellicht ook omdat het stadsbestuur geen enkele aandacht aan de oproep had besteed. De oproep was als zaad in onvruchtbare bodem gevallen. Het zou tot maart van het revolutiejaar 1848 duren voordat de massa in beweging kwam. Maar toen had het stadsbestuur wel gewaarschuwd tegen de oproerkraaiers. De in februari 1847 door in Amsterdam werkende Duitse immigranten opgerichte Vereeniging tot Zedelijke Beschaving der Arbeidende Klasse gebruikte de methode van De Vos om tot actie aan te zetten. Er is echter niets dat wijst op contacten tussen De Vos en voormannen van deze vereniging. Nog twee nummers van de Waarachtige Physiologie verschenen in januari 1847. Echter zonder enige verwijzing naar de mislukte actie. Daarna werd de uitgave gestaakt.

Uit de verdere levensloop van Petrus de Vos, die toen nog maar 41 jaar was, is weinig bekend. In 1846 had hij een huis gehuurd in het Duitse Emmerik, waar hij met vrouw en vijf kinderen kwam wonen. Tegenover de verhuurster had hij verklaard dat hij vanwege zijn geschriften tegen de regering enige tijd het land moest verlaten. Zijn vrouw en kinderen keerden in 1852 terug naar Amsterdam, waar zijn echtgenote in 1856 overleed. In 1857 kreeg De Vos in Elten een zoon met Sophia Thomassen, met wie hij in 1861 in Arnhem trouwde en hun kind wettigde. Hij werkte daar als kantoorschrijver en overleed er in 1866.

Literatuur: 

Chr. Kramm, De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders. Deel VI (Amsterdam 1863) 1799; A. von Wurzbach, Niederländisches Künstler-Lexikon. Deel II (Leipzig 1910) 822; H.F. Wijnman, 'P.J.W. de Vos en zijn "Waarachtige physiologie van Amsterdam". Een onbekende episode uit de geschiedenis der Amsterdamsche arbeidersbeweging' in: Jaarboek van het Genootschap Amstelodamum, nr. 34 (Amsterdam 1937) 235-54; H. Stein, 'Der Amsterdamer Arbeidersbildungsverein von 1847 und die Vorläufer der modernen sozialen Bewegung in Westeuropa' in: International Review for Social History, 2, 1937, 105-70; 'P.J.W. de Vos, kunstschilder, schrijver, ambtenaar, journalist en arbeidersleider' in: Volksdagblad, 6.12.1938; J.A.J.C. Rüter (red.), Rapporten van de gouverneurs in de provinciën 1840-1849. Derde deel (Utrecht 1950) 26, 372-3; J. Giele, De pen in aanslag (Bussum 1968; Purmerend 19982); J.J. Giele, De Eerste Internationale in Nederland (Nijmegen 1973); M. Schouten, De socialen zijn in aantocht (Amsterdam 1976); M.J.F. Robijns, Radicalen in Nederland (Leiden 1967) 214-6.

Portret: 

Petrus Josephus Wilhelmus de Vos, IISG

Auteur: 
Max de Bok
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 8 (2001), p. 315-318
Laatst gewijzigd: 

09-09-2009 (Persoonsgegevens aangevuld); 18-1-2014 (Levensloop na 1846 aangevuld)