WACHT, Jan

Jan Wacht

bestuurder van de Algemeene Nederlandsche Metaalbewerkersbond, is geboren te Wildervank op 19 september 1885 en overleden te Rotterdam op 11 september 1967. Hij was de zoon van Jacob Wacht, landarbeider, en Willemtje Pot. Op 24 september 1909 trad hij in het huwelijk met Anna Frederika Kuhlmann, met wie hij een dochter kreeg. Dit huwelijk werd ontbonden op 20 maart 1917. Op 25 juli 1917 hertrouwde hij met Rebecca Scheermes, met wie hij een zoon kreeg. Dit huwelijk werd ontbonden op 13 april 1933. Op 3 oktober 1934 trad hij in het huwelijk met Kornelia Jacoba de Goedeen, met wie hij een dochter kreeg.

Wacht groeide op in de Groningse veenkoloniën en voelde zich door de erbarmelijke sociale omstandigheden voor het leven getekend. Zijn vader, zelf landarbeider, genoot onder de landarbeiders in Oost-Groningen een zeker vertrouwen. Hem werd regelmatig gevraagd of het aangeboden loon voldeed. Wacht sr. hanteerde voor zijn beoordeling een index aan de hand van de prijzen van meel en aardappelen. Zijn vertrouwenspositie betekende dat hij na enige tijd bij geen enkele boer meer werk kreeg. Deze ervaring en de harde opstelling van een ouderling van de kerk zorgden ervoor dat Wacht sr. socialist werd. Al op jeugdige leeftijd kreeg Wacht arbeidersbladen als De Arbeider en De Volksstrijd onder ogen. Op elfjarige leeftijd ging hij in de leer bij smederij Baas in Wildervank. Als jongmaatje werkte hij twaalf tot dertien uur per dag voor de 'beloning' van drie gulden per maand. Op zijn zestiende raakte hij bevriend met de tien jaar oudere Frans Spiekman, een neef van Hendrik Spiekman, en werd hij lid van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP). In 1903 werd hij geheelonthouder. Op 17 december 1905 richtte hij te Stadskanaal, waar hij als twintigjarige metaaldraaier werkte, een afdeling van de Algemeene Nederlandsche Metaalbewerkersbond (ANMB) op, die in 1905 nog nauwelijks enige omvang had (800 leden verdeeld over 21 afdelingen, vrijwel uitsluitend in het Westen van het land). In Groningen zag Wacht geen toekomst voor zichzelf. Zijn vertrek naar Assen was de start van een jarenlange omzwerving door het land. In 1906 woonde hij in Amsterdam, waar hij al snel deel van het ANMB-bestuur uitmaakte. Het bondscongres wees in die tijd nog de plaats aan voor de zetel van het hoofdbestuur. Het plaatselijk bestuur was dan tevens hoofdbestuur. Vanaf 1906 was dat opnieuw Amsterdam. Wacht werd naast afdelingsbestuurder tevens hoofdbestuurder. Hij werkte als draaier bij Spijker maar werd in 1908 vanwege de verkoop van propagandamateriaal ontslagen. Hij kwam in Amsterdam op de 'zwarte lijst' en vertrok naar Delft. Door zijn propagandistische activiteiten kwam hij ook in Delft zonder werk. Wacht werkte achtereenvolgens in Rotterdam, Eindhoven en Hoorn. Door zijn kritische, mogelijk ook wel dwarse houding kwam Wacht, actief voor de SDAP, in de hoek van de Tribunisten terecht. In 1909 was hij samen met onder meer David Wijnkoop medeoprichter van de Sociaal-Democratische Partij (SDP). Na een meningsverschil met Wijnkoop over de wijze waarop deze de SDP contacten in de vakbeweging wilde laten leggen (Wacht weigerde 'contactman' te zijn binnen de ANMB), keerde hij in 1915 terug naar de SDAP. Deze ervaring verklaart mogelijk Wachts latere afkeer van communisten. Begin 1910 was Wacht terug in de hoofdstad en maakte opnieuw deel uit van het Amsterdamse bestuur van de ANMB, eerst als penningmeester, een jaar later als voorzitter. Tot zijn aanstelling bij de bond, op 10 februari 1916, maakte hij in de functie van tweede voorzitter deel uit van het hoofdbestuur. Door de ledengroei kon de ANMB zich een groter bezoldigdencorps permitteren. Wacht werd betaald bestuurder (in het bevolkingsregister van Groningen wordt als beroep propagandist genoteerd) en keerde terug naar zijn geboortestreek. Van april 1915 tot maart 1916 was hij redacteur van het blad De Jonge Metaalbewerker.

Tijdens de grote metaalbewerkersstaking van 1921 lag het zwaartepunt van de staking in Rotterdam. Van de 1,4 miljoen gulden die de ANMB aan zijn stakende leden betaalde, werd bijna 0,8 miljoen gulden daar uitgekeerd. In verband met de staking werd Wacht tijdelijk naar Rotterdam overgeplaatst. Samen met een collega moest hij elke vrijdag een cheque van 85.000 gulden verzilveren. De 'bankjes van duizend' werden bij De Nederlandsche Bnk gewisseld in 'tientjes' en muntgeld voor de zaterdagse uitkering aan de stakers. Ondanks de ijzig strenge winter vond de betaling plaats in een onverwarmd pakhuis. Na een dag uitbetalen waren de bestuurders ijsklompen. Eenmaal ontstond een incident met het verzilveren van de cheque. De bankklerk had het geld voor twee klanten van tevoren uitgeteld en er lagen dus twee rollen met bankbiljetten klaar. Wacht telde het na en schoof de rol terug met de mededeling: 'deze is niet voor ons'. De klerk beweerde van wel en de geldrol schoof zo enige malen door het loket. De bankdirecteur kwam tussenbeide en bij het natellen bleek er 110.000 gulden in de geldrol te zitten. De klerk had de rollen verwisseld. De vraag of dit een vergissing betrof of dat de bond op de proef werd gesteld, is altijd blijven bestaan. De 'tijdelijke' plaatsing in Rotterdam, die tot aan zijn pensioen zou duren, maakte een eind aan Wachts omzwervingen. Met een onderbreking tijdens de oorlog bleef hij 27 jaar in dienst van de Rotterdamse metaalbewerkers. Van secretaris-penningmeester werd hij afdelingsvoorzitter. Vanaf 1930 combineerde hij deze functie met die van hoofdbestuurder. Onder zijn voorzitterschap groeide de Rotterdamse afdeling naar meer dan 10.000 leden in 1939 op een totaal van 50.000 voor de hele bond. In de jaren twintig en dertig gaf Wacht leiding aan acties en stakingen bij met name de werven. In 1929 leidde hij ook de staking van de loodgieters in Rotterdam. Deze staking, die de Rotterdammers samen met vakgenoten in Amsterdam, Haarlem en Den Haag negentien weken volhielden, leverde vier dagen vakantie op en kreeg in andere vakken navolging. Wacht was van mening dat de sociale strijd niet alleen uit vakactie diende te bestaan maar ook uit politieke activiteit. Al in Groningen maakte hij voor de SDAP deel uit van de gemeenteraad (van 1917 tot 1921). Van 1930 tot 1940 was hij gemeenteraadslid te Rotterdam, totdat de Duitse bezetter de raad ontbond. In februari 1941 werd Wacht opgepakt om 'inlichtingen' te geven. Het vermoeden bestond dat hij bij de Februaristaking betrokken was. Het tegendeel was echter het geval. Wacht moest niets hebben van de communisten die achter de staking zaten. Een circulaire die opriep om in staking te gaan had hij van de muur gescheurd en in zijn zak gestoken. Het bezit van dit pamflet had hem zuur kunnen opbreken als de politieagent, aan wie hij alles wat hij bij zich droeg moest afgeven, dit pamflet niet voor de Duitsers had achtergehouden. Toen het Nederlandsch Arbeidsfront van H.J. Woudenberg in 1942 het Nederlands Verbond van Vakverenigingen voortzette, nam Wacht ontslag als bestuurder. Hij werd gegijzeld in St. Michielsgestel tot eind 1942. In mei 1945 stortte Wacht zich met grote energie op de organisatorische wederopbouw van de bond, die vanuit het niets weer moest worden opgebouwd. Opnieuw was hij voorzitter van de afdeling en lid van het hoofdbestuur tot hij op 1 februari 1948 met pensioen ging. Op een grote afscheidsbijeenkomst in de Rivièra-hal nam hij afscheid met: 'Vecht, vecht voor je geluk, kameraden'. Wacht was een typische organisatieman. Hij bleef zijn hele leven de ANMB trouw. Hij was een zakelijk mens, vastberaden, maar met een innerlijke onrust die altijd weer aanzette tot nieuwe, vooral organisatorische initiatieven. Hij legde de geschiedenis van de ANMB in Rotterdam vast in het gedenkboek Heet voor de vuren, Een halve eeuw ontvoogdingsstrijd der Rotterdamse metaalbewerkers (Rotterdam 1954). Het boek verscheen ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van de afdeling. De waarde ervan ligt in de plaatselijke geschiedschrijving van een bond, wat toen nog een vrij zeldzame activiteit was. Het boek geeft inzicht in de ontwikkeling van de metaalbewerkers en hun organisaties in de stad aan de Maas tot aan de Tweede Wereldoorlog. Het deel dat handelt over de jaren na de oorlog is nogal opsommerig. Wacht was, toen hij het boek schreef, 68 jaar oud en bleef de ontwikkelingen in de bond op de voet volgen. Dat deed hij tot zijn dood in 1967.

Archief: 

Archief J. Wacht in IISG (Amsterdam; vgl. Campfens2, 351).

Literatuur: 

ANMB Verslag 1920-1921 (Amsterdam 1922); P. Danz, De grote strijd in de metaalindustrie (Amsterdam 1922); J.G. Sikkema, Onze Bond. Zijn verleden en heden (Amsterdam 1930); G. van der Houven, Een halve eeuw (Amsterdam 1936); De Metaalbewerker, 24.1.1948; H.A. Brasz, Levensloop van een oud-districtbestuurder van de vakbeweging (metaal) (1954; in archief J. Wacht); De Metaalbewerker, 22.9.1967; G. Harmsen, B. Reinalda, Voor de bevrijding van de arbeid (Nijmegen 1975); L. Brug e.a., Organisatie in het ijzeren tijdperk (Amsterdam 1995) 85-7.

Portret: 

Jan Wacht, IISG

Auteur: 
Dik Nas
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 8 (2001), p. 318-321
Laatst gewijzigd: 

13-02-2003