WESSELS, Adriaan Cornelis

Adriaan Cornelis Wessels

(roepnaam: Janus), bestuurder van havenarbeidersvakorganisaties en stakingsleider tijdens de haven- en spoorwegstakingen van 1903, is geboren te Goes op 30 november 1867 en overleden te Hilversum op 22 augustus 1960. Hij was de zoon van Diederik Quirinus Wessels, apothekersbediende, en Catharina Hamelink. Op 30 januari 1901 trad hij in het huwelijk met Anna Margretha Nieuwenhuis, met wie hij zeven dochters en een zoon kreeg.

Wessels was het middelste van vijf kinderen in het Nederlands hervormde gezin. Zijn vader moet als apothekersbediende op zijn minst enige scholing gehad hebben, terwijl zijn moeder voor haar huwelijk als dienstmeid werkte. Het gezin verhuisde enkele malen voordat het zich in 1888 definitief in Amsterdam vestigde. Wessels bezocht in Goes de Kweekschool voor Onderwijzers en was enige tijd in het onderwijs werkzaam. In de jaren negentig was hij in Amsterdam werkzaam als havenarbeider. Onder zijn collega's moet hij zich toen enig prestige hebben verworven, want in 1898 werd hij bij de oprichting secretaris van de Amsterdamsche Scheeps- en Bootwerkersvereeniging 'Recht en Plicht'. Wessels was 'vol initiatief, strijdvaardig, temperamentvol en ondernemend' (J. Brautigam) en bezat 'een buitengewone intelligentie, volharding en bovenal kennis van den aard der bootwerkers' (J. Oudegeest). De oprichting van 'Recht en Plicht' was het begin van een duurzame vakorganisatie onder deze groep arbeiders. Eind 1899 fuseerde de Amsterdamse vereniging met de Zaanse bootwerkersvereniging 'Eensgezindheid' tot de Nederlandsche Scheeps- en Bootwerkersbond (NS&BB). In 1900 zouden zich daar in Amsterdam nog vakorganisaties van houtwerkers, korenwegers en -dragers en doken veemarbeiders bij aansluiten, in Zaandam bovendien nog een vereniging van houtwerkers, terwijl in datzelfde jaar ook afdelingen werden opgericht in IJmuiden en Harlingen, in 1901 gevolgd door een afdeling in Rotterdam. Bij de oprichting van de NS&BB was Wessels gekozen tot (gesalarieerd) secretaris, daarnaast voerde hij ook de redactie van het vanaf augustus 1900 verschijnende bondsorgaan De Propagandist, dat in 1903 werd omgedoopt tot De Havenarbeider. De NS&BB wilde openstaan voor arbeiders van alle richtingen en stelde zich nadrukkelijk op een onafhankelijk standpunt: de bevordering van de belangen van zijn leden mocht niet ondergeschikt gemaakt worden aan politieke of godsdienstige doeleinden. De bond had zich bij zijn oprichting aangesloten bij het Nationaal Arbeids-Secretariaat (NAS) en met het NAS deelde de NS&BB de opvatting dat de klassenstrijd vooral door de vakbonden gestreden diende te worden, hoewel de NS&BB tegelijkertijd wel degelijk iets verwachtte van het ijveren voor sociale wetgeving. Vooral een goede ongevallenwet en het instellen van een arbeidsinspectie stonden hoog in zijn vaandel geschreven. Anderzijds wees de NS&BB de organisatieprincipes van de 'moderne' richting in de vakbeweging af. Want, zo stelde Wessels in 1901 in een polemiek met H. Polak in diens Weekblad van de Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkersbond: havenarbeiders dienden de vrijheid te hebben zelf tot actie te besluiten, onafhankelijk van het oordeel van een centraal bondsbestuur. De aard van het havenbedrijf bepaalde volgens Wessels deze tactiek van 'directe actie'. Door de havenarbeiders werd bovendien het nut van sterke stakingskassen en de daaraan verbonden hoge contributies niet ingezien: de tactiek was immers gericht op overrompeling van en niet op een langdurige confrontatie met de werkgevers. Vermoedelijk weerspiegelde de onafhankelijke opstelling van de NS&BB zich in de politieke overtuiging van Wessels zelf. Hoewel hem ook vrij-socialistische sympathieën werden toegeschreven liet hij zich in 1902 door de vrijzinnig-democraten kandidaat stellen voor de Amsterdamse gemeenteraad. Polak verweet hem daarom verloochening van zijn principes, maar ook al had Wessels in zijn jongere jaren wellicht radicalere standpunten gehuldigd, zijn opstelling als bondsbestuurder leek evenwel altijd te verenigen met een vrijzinnig-democratische overtuiging.

De eerste maanden van zijn bestaan waren voor de NS&BB buitengewoon succesvol. Stakingen bij de Stoomvaartmaatschappij 'Oceaan' en bij de Koninklijke Nederlandsche Stoomboot-Maatschappij leverden een verhoging van het uurloon alsmede een toeslag bij zondags- en avondwerk op. Van de andere in Amsterdam gevestigde rederijen werd door de NS&BB vervolgens eenzelfde loonsverhoging geëist. Opnieuw kwam het tot een staking, die in maart bijna de gehele Amsterdamse haven platlegde en vrijwel alle werkgevers deed toegeven, op de Hollandsche Stoomboot Maatschappij (HSM) na, die op Texel onderkruipers had geworven en de stakers uitgesloten. De staking bij de HSM werd zeven weken volgehouden, maar uiteindelijk verloren. Eens te meer waren zowel de kracht als de zwakte van het optreden van de havenarbeiders aan het licht getreden en Wessels poogde uit dit inzicht organisatorische consequenties te trekken. Op 10 maart 1900 bepleitte hij in een artikel in het Volksdagblad de aaneensluiting van alle bij het havenbedrijf betrokken vakorganisaties in een federatie, die door een besmetverklaring de overige havenarbeiders er toe zou moeten bewegen geen werk te verrichten bij een firma waar gestaakt werd. Bovendien kon zo'n federatie, zoals Wessels ook in de een later dat jaar verschenen brochure De Federatie der bedrijven betrokken bij het Watertransport (Amsterdam 1900) betoogde, tot solidariteitsstakingen oproepen, waarbij het vooruitzicht dat elk afzonderlijk arbeidsconflict kon uitgroeien tot een algemene havenstaking de mogelijkheid bood de ondernemers tegen elkaar uit te spelen. Met steun van het NAS kwam de Federatie van Bedrijven betrokken bij het Watertransport snel tot stand. Behalve de in Amsterdam al bij de NS&BB aangesloten vakverenigingen maakten ook organisaties van binnenschippers, machinisten, stokers en schuitenvoerders deel uit van deze federatie. In 1902 kwam een nog bredere samenwerking tot stand, toen de vereniging van tractiepersoneel van de Hollandsche IJzeren Spoorwegmaatschappij 'Ons Aller Belang' en de Algemeene Nederlandsche Zeemansbond zich met de Amsterdamse federatie verenigde tot de Nationale Federatie van Transportarbeiders betrokken bij het vervoer van goederen en personen te water en te land. Wessels zag in deze vorm van federatieve aaneensluiting een oplossing voor de organisatorische problemen van de Nederlandse vakbeweging als geheel en propageerde haar als alternatief voor een vakcentrale op 'moderne' grondslag zoals Polak die voorstond. Maar ondanks hun successen in het voorjaar van 1900 verloren de arbeiders in de Amsterdamse haven vooralsnog het initiatief. In 1901 werden stakingen van kolenwerkers en graanwerkers verloren zonder dat het tot grote solidariteitsstakingen kwam. Het ledental van de NS&BB, dat in 1900 alleen al in Amsterdam boven de tweeduizend had gelegen, begon te dalen en het bestuur zon op initiatieven om het tij te keren. In die situatie kwam Wessels met het plan om uit solidariteit met de Zuidafrikaanse Boeren een boycot van Engelse schepen te organiseren. Op zijn initiatief werd in 1901 een propagandacomité tot boycot van Engelse schepen opgericht, maar door een conflict met het NAS, dat deze actie ondergeschikt wilde maken aan de propaganda voor de algemene werkstaking, kwam van het plan niets terecht.

In de Amsterdamse haven nam eind 1902 de bedrijvigheid weer toe en dat had zijn weerslag op de strijdlust van de havenarbeiders. Acties voor het verplichte lidmaatschap van een vakorganisatie van alle havenarbeiders leidden uiteindelijk tot de grote haven- en spoorwegstakingen van 1903. Toen kort na de eerste, succesvol verlopen staking de overheid kwam met wetsvoorstellen ter inperking van het stakingsrecht van met name spoorwegpersoneel vormde zich het Comité van Verweer, dat uit vertegenwoordigers van alle richtingen in de arbeidersbeweging was samengesteld en dat tot taak had het aannemen van de 'worgwetten' te verhinderen. Wessels was een van de zeven leden van het Comité. Tussen de voor voorzichtigheid pleitende sociaal-democratisch ingestelde leden als W.H. Vliegen en Oudegeest en de een algemene werkstaking propagerende leden G. Rijnders, P.H. Meijer en A. van den Berg nam Wessels een middenpositie in, waarbij hij zich bewust was van het gevaar van een algemene werkstaking. Toen zo'n algemene werkstaking er toch kwam en uitliep op een nederlaag nam Wessels krachtig stelling tegen de door F. Domela Nieuwenhuis en zijn aanhangers geuite beschuldigingen van verraad van de kant van de sociaal-democraten. Toen het mislukken van de tweede spoorwegstaking veel arbeiders op ontslag kwam te staan trad Wessels op de voorgrond bij de hulp aan de uitgeslotenen. Hij was een van de oprichters en bestuurslid van de Nederlandsche Coöperatieve Arbeiders-Transito-Maatschappij, die zowel de bevrachting als het laden en lossen van schepen ter hand ging nemen en daarvoor vooral uitgesloten veemarbeiders in dienst nam. Tot de nasleep van de stakingen van 1903 behoorde voor Wessels ook een gevangenisstraf wegens 'opruiing'. In een artikel in het bootwerkersorgaan De Propagandist had hij eind 1902 opgeroepen tot het hinderlijk volgen van werkgevers. Na een lange weg door de juridische instanties tot aan de Hoge Raad werd hij uiteindelijk veroordeeld tot drie maanden cel, die hij van 16 mei tot 14 augustus 1904 uitzat. Vanuit zijn gevangenschap schreef hij een wekelijks verslag 'Van onzen correspondent aan den Amstelveenschen weg' in De Havenarbeider. Intussen verliep het herstel van de vakverenigingen van havenarbeiders, die na de spoorwegstakingen waren leeggestroomd, uiterst moeizaam, ook al omdat er van de Rotterdamse haven concurrentie uitging. Daar was de groep losse arbeiders naar verhouding groter en de organisatiegraad beduidend lager. Op de jaarvergadering van de NS&BB werd daarom besloten alles in het werk te stellen om de Rotterdamse havenarbeiders te organiseren. Daartoe werd ook het kantoor van de bond naar Rotterdam verplaatst. Wessels verhuisde mee en ging voortvarend aan de slag. Hij slaagde erin de twee bestaande verenigingen van bootwerkers te laten samengaan in de Algemene Havenarbeidersvereniging 'Streven naar Verbetering' (AHAV). Namens deze nieuwe vereniging deed hij in april 1905 de Noodkreet verschijnen, die in de vorm van twee open brieven (aan de minister van Binnenlandse Zaken en aan de burgemeester van Rotterdam) een aanklacht bevatte 'tegen de bestendigers van den ellendigen toestand in onzen haven'. De Noodkreet bevatte een uitgebreide opsomming van de grieven en klachten van de havenarbeiders en miste zijn uitwerking niet. Er kwam overleg tussen enerzijds het bestuur van de AHAV en anderzijds de burgemeester van Rotterdam en de voorzitter van de Kamer van Koophandel aldaar. Nog geen twee maanden na het verschijnen van de Noodkreet kon Wessels zijn opwachting maken bij minister A. Kuyper. Het overleg resulteerde in de aanstelling per 1 augustus 1905 van twee controleurs in de Rotterdamse haven, in 1906 en 1907 gevolgd door aanstellingen in de belangrijkste andere havensteden. Zo'n functie van havencontroleur ambieerde Wessels zelf ook, omdat hij als zodanig de misstanden in de haven beter dacht te kunnen bestrijden dan als bondsbestuurder. Daar kwam nog bij, dat hij na de oprichting van het NVV waarschijnlijk steeds minder perspectief zag voor de onafhankelijke vakbeweging. Het NVV was voor hem te zeer met de SDAP verbonden, terwijl hij bij het NAS een te sterke invloed van vrije socialisten en communisten constateerde. Met het oog op een sollicitatie naar de controleursfunctie nam Wessels in 1906 ontslag bij de NS&BB. Hij verhuisde naar Amsterdam, waar hij om aan de eis van recente praktijkervaring te voldoen eerst nog een jaar lang als havenarbeider ging werken. In 1907 volgde zijn benoeming. Hij zette zich als havencontroleur onder meer in voor een betere arbeidsbemiddeling in de haven, ten behoeve waarvan hij de oprichting van een centrale arbeidsbeurs bepleitte. Daardoor zou in ieder geval bevorderd worden, dat de 'meer geoefende' en zich altijd 'disponibel' stellende arbeiders geregeld aan werk konden worden geholpen, ten koste van de vele, uit andere bedrijfstakken afkomstige 'gelegenheidshavenarbeiders', waarvan Wessels het aantal liefst zoveel mogelijk beperkt zag. Waarschijnlijk is Wessels ook als adviseur betrokken geweest bij de totstandkoming van de Stuwadoorswet van 1914. In 1912 trad Wessels in dienst bij de Stoomvaart-Maatschappij Nederland en in 1917 werd hij, tot onbegrip van veel havenarbeiders, benoemd tot directeur van de in Amsterdam ingestelde Havenarbeidsreserve, een functie die hij tot aan zijn pensionering in 1932 zou blijven uitoefenen.

Publicaties: 

Behalve de genoemde en een groot aantal artikelen in De Propagandist en De Havenarbeider: 'Op- en aanmerkingen betreffende het Prae-advies-De Fremery: Moet de Arbeidsbemiddeling in het Havenbedrijf worden geregeld?' in: Tijdschrift der Nationale Vereeniging tegen de Werkloosheid, 1914, 339-348.

Literatuur: 

Nederl. Coöperatieve Transito-Maatschappij. Overzicht van het ontstaan, oprichting en voornaamste feiten, gebeurtenissen en werkzaamheden (z.pl. 1913); J. Oudegeest, De geschiedenis der zelfstandige vakbeweging in Nederland (Amsterdam 1926); M.G. de Boer, De haven van Amsterdam (Amsterdam 1926); A.J.C. Rüter, De spoorwegstakingen van 1903 (Leiden 1935); J. Brautigam, Langs de havens en op de schepen (Amsterdam 1956); G. Harmsen, Hamer of aambeeld? (Amsterdam, 1979); G. Harmsen, F. van Gelder, Onderweg. Uit een eeuw actie- en organisatiegeschiedenis van de Vervoersbonden (Baarn 1986); M. Buschman, Tussen revolutie en modernisme. Geschiedenis van het Nationaal Arbeids-Secretariaat in Nederland 1893-1907 (Den Haag 1993).

Portret: 

A.C. Wessels, uit: Vliegen, Kracht I

Auteur: 
Jaap Haag
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 6 (1995), p. 237-241
Laatst gewijzigd: 

13-02-2003