WIT, Anna Augusta Henriette de

Anna Augusta Henriette de Wit

(bekend als Augusta de Wit; roepnaam: Gusta), schrijfster en journaliste, actief voor de Communistische Partij in Nederland, is geboren te Siboga (nu Sibolga), Sumatra, op 25 november 1864 en overleden te Baarn op 9 februari 1939. Zij was de dochter van Jan Carel de Wit, resident van achtereenvolgens Tapanoelie, de Padangsche Bovenlanden en Timor, en Anna Maria Johanna de la Couture.
Pseudoniem: G. (of George of Georges) W. Sylvius.

't Is schandelijk zooals je je leven verbrokkelt' schreef Henriette Roland Holst omstreeks 1926 aan Augusta de Wit. Een overzicht van De Wit's levensloop verduidelijkt de verzuchting van haar vriendin, collega en politieke medestander. Augusta de Wit bracht haar jeugd als dochter van een hoge ambtenaar door in diverse plaatsen op Sumatra en Timor, onderbroken door een verblijf van twee jaar in Nederland. In 1874 keerde de familie De Wit definitief terug naar Nederland en woonde achtereenvolgens in Helvoirt, Utrecht en Oosterbeek. Van 1888 tot 1890 studeerde De Wit aan het Bedford College te Londen en het Girton College te Cambridge. Van 1894 tot 1896 gaf zij Duits, Engels en geschiedenis aan de Hoogere Burgerschool voor Meisjes in Batavia. Zij schreef reisreportages voor de Singapore Straits Times, die in 1898 in Singapore gebundeld verschenen onder de titel Facts and Fancies about Java. Als literator debuteerde zij in 1895 en 1896 onder pseudoniem in Eigen Haard en De Gids met verhalen in de traditie van de Tachtigers, die in 1899 in Verborgen bronnen werden verzameld. In 1903 volgden haar bekendste boek, de novelle Orpheus in de dessa, en de roman De godin die wacht, beide met Indische thema's. Rond de eeuwwisseling begon De Wit's reizende en 'verbrokkelde' leven als correspondente voornamelijk op literair gebied - van het Utrechtsch Dagblad, de Javabode en de Nieuwe Rotterdamsche Courant (NRC). Zij woonde korte of langere tijd in onder meer Berlijn, Laren, Amsterdam (diverse adressen), Amersfoort, Lerici (Italië), Mittenwald en Fürstenfeldbruck (beide Beieren), Weimar, Oosterbeek, Freiburg im Breisgau, Zürich, Parijs en Granow/Neumark (Pruisen, waar haar zuster woonde). De literaire produktie ging, zij het in een langzaam tempo, door. In 1907 verscheen de roman Het dure moederschap, De Wit's enige boek dat kan worden beschouwd als 'sociale belletrie' en dat zich afspeelt in het milieu van het Gooise textielproletariaat. In 1918 en 1920 verschenen verhalenbundels met opnieuw Indische thema's: De wake bij de brug en De drie vrouwen in het Heilige Woud. Bovendien bundelde zij na een bijna driejarig verblijf van begin 1911 tot eind 1913 in Nederlands-Indië haar reisreportages voor de NRC: Natuur en menschen in Indië (Amsterdam 1914).

Van 1914 tot 1921 woonde zij voornamelijk in Nederland, en uit deze periode dateren ook haar voornaamste politieke activiteiten. Zij waren zeer incidenteel en speelden zich zelden in de openbaarheid af. Van vóór 1904 is alleen te vermelden dat Herman Gorter haar in april 1904 per brief (zij woonde op dat moment in Berlijn) vroeg 'bijgaand rapport over de Algemeene Staking zoo spoedig als het U mogelijk is, te vertalen en dan de vertaling aan Kautsky te zenden'. De Wit heeft dit blijkbaar gedaan, want in juni 1904 publiceerde Karl Kautsky het rapport in zijn tijdschrift Die Neue Zeit, zonder vermelding van de vertaler. In april 1914 hield zij samen met Henriette Roland Holst in Groningen een spreekbeurt voor het Vera-Figner-Comité, dat zich inzette voor de verbannen Russische revolutionaire. Voor Gorter maakte zij in 1915 opnieuw een vertaling in het Duits, en wel van diens brochure Het imperialisme, de wereldoorlog en de sociaal-democratie uit 1914. Een eerdere vertaling door Anton Pannekoek was door Gorter afgekeurd, omdat Pannekoek volgens hem te veel in zijn tekst had ingegrepen. De Wit's vertaling verscheen in 1915 in Amsterdam als uitgave van de Sociaal-Democratische Partij (SDP) onder de titel Der Imperialismus, der Weltkrieg und die Sozialdemokratie. Gorter verontschuldigde zich in een voorwoordje voor de door de oorlogssituatie veroorzaakte gebreken van de vertaling.

In 1916 werd De Wit lid van de voorloper van de Communistische Partij in Nederland (CPN), de SDP, en van de Revolutionair-Socialistische Vereeniging. In het eerste nummer van 1917 van het SDP-orgaan De Nieuwe Tijd trad zij voor het eerst met haar politieke overtuiging in de openbaarheid met de curieuze autobiografisch-allegorische tekst 'Woorden vliegen als bijen uit', over een 'Hollandsche vrouw', die 'ver van Holland' onder een meidoorn staat en door 'woord-bijen' tot revolutionair handelen wordt bekeerd. 'En van gene zij en van deze te samen', zo eindigt de tekst, 'van uit verten ongezien, steeg op millioenen wieken het lied dat in alle landen viert werkers strijd en broederschap. De vrouw in den Meidoorn vernam het, door 't bonzen heen van haar hart ... En zieke hoop stond op en genas aan ... o! de ziels-artsenij van het woord, dat uitvliegt als de bijen.' Waarmee een indruk is gegeven van De Wit's karakteristieke stijl en van de opvatting van haar taak binnen de socialistische beweging. In een brief aan Willem van Ravesteyn formuleerde zij het in 1916 zo: 'Dit soort werk, litteratuur te maken tot een voertuig van socialistische gezindheid, is het eenige dat ik voor de zaak kan doen. Ik ben onwetend aangaande de socialistische leer; ik kan, zelfs afgescheiden van die onwetendheid, niet debatteeren, als ervaring mij heeft geleerd. Ik kan alleen socialistisch gevoel laten zien als iets zeer schoons, en zoodoende, liefde daarvoor ontsteken. Het is niet veel, ik weet het wel. Maar het is alles wat een "gevoelssocialist" kan.' Eind 1919 of begin 1920 meldde De Wit zich aan bij de Bond van Revolutionair-Socialistische Intellectueelen. Begin 1920 kwam De Wit's CPN-lidmaatschap landelijk in de openbaarheid toen De Telegraaf en de NRC - haar voornaamste werkgever - berichtten over haar deelname aan de geheime Amsterdamse conferentie van het 'West-Europeesch Bureau', een ontmoeting van communisten uit verschillende landen. De hoofdredacteur van de NRC wilde een schriftelijke toezegging dat zij in zijn krant geen propaganda zou maken voor haar denkbeelden. De Wit antwoordde per kerende post dat zij die toezegging 'gereedelijk [kon] geven, te meer, wijl niets veranderd wordt in de houding die ik sedert mijn officieel toetreden tot de Communistische Partij in 1916 in acht heb genomen'. Zij voegde er nog aan toe, dat zij niet als gedelegeerde van de CPN maar 'enkel op uitnoodiging en als tolk' aan de conferentie had deelgenomen. Gevolgen bleven uit: zij zou nog tot het midden van de jaren dertig voor de NRC schrijven. Schrijven voor de partij deed zij daarentegen nauwelijks nog, de laatste van haar zeven bijdragen (onder meer over Multatuli) aan De Nieuwe Tijd verscheen in 1921. Verdere activiteiten voor de CPN of een andere politieke partij zijn hierna niet bekend. Wel meldde zij zich in 1928 bij Henriette Roland Holst aan als abonnee van Klassenstrijd. In 1934 schreef zij in een brief aan de Belgische socialist Julien Kuypers: 'Het socialisme van Uw landgenoot Hendrik de Man, dát is het mijne. Het socialisme van de Religieus-Socialisten hier te lande.' Zij, wellicht eerder een fellow-traveller van Henriette Roland Holst dan van het communisme, volgde ook in dit opzicht haar vriendin. Uit diezelfde brief aan Kuypers blijkt ook, dat zij als 'gevoelssocialiste' haar hele literaire werk vanaf Orpheus in de Dessa als 'socialistisch' beschouwde: 'toen ik Orpheus in de Dessa schreef, wist ik niets van het socialisme. Maar ik moet al "socialistisch" gevoeld hebben, in deze zin althans, dat ik de huidige inrichting van de maatschappij besefte onrechtvaardig te zijn en een oorzaak van leed. Later werd mij dat alles duidelijker, en dat is ook wel te zien aan mijn later werk, vooral aan De Wake bij de Brug en aan De drie vrouwen in het Heilige Woud. In deze verhalenbundels met Indische thema's komt De Wit's overtuiging naar voren, dat de oplossing voor onrechtvaardigheid en leed alleen tot stand kon komen met behulp van de wel- en 'ethisch' denkende Nederlanders. Een opvatting die zij deelde met andere vertegenwoordigers van de zogenoemde ethische richting in de Nederlands-Indische letterkunde maar die niet strookte met de dekolonisatie-ideeën van de partij waarvan zij lid was. Het belette haar niet voor de Surinaamse communistische schrijver Anton de Kom diens boek Wij slaven van Suriname (1934) in het Duits te vertalen. De geautoriseerde vertaling verscheen in 1935 resp. 1936 bij de Moskouse Verlagsgenossenschaft ausländischer Arbeiter in der UdSSR en de eveneens aan de Komintern gelieerde Ring-Verlag in Zürich onder de titel Wir Sklaven von Surinam.

In de aan De Wit gewijde necrologieën werd weinig of niet gesproken over haar politieke activiteiten. Elisabeth Augustin hield het op 'warme menschelijke sociale gevoelens' en Roland Holst noemde haar iemand 'die zich in de sociale beweging van onze tijd heeft geweerd'. Theun de Vries was in zijn van respect vooral voor de literaire kwaliteiten getuigende artikel in Het Volksdagblad het duidelijkst: 'Augusta de Wit heeft, als vele intellectuelen en kunstenaars, in de bewogen revolutiejaren na de wereldoorlog 1914-'18, wel de roep van het socialisme gehoord; zij kwam zelfs na tot het communisme; maar zij was toch in wezen te zeer de schoonheidsverheerlijkster, om de wereldbeschouwing van een Marx, Engels, een Lenin, te verstaan. Zij was "Tachtiger" - krachtens afkomst, aanleg en karakter, hetgeen bleek, toen de machtige vloeden van de revolutionaire beweging weer terug-ebden, en zij als zoveel anderen binnen de perken van de burgerlijke literatuur - en levensleer terugkeerde'.

Archief: 

Collectie A.A.H. de Wit in Nederlands Letterkundig Museum en Documentatie-centrum (Den Haag).

Publicaties: 

Behalve de genoemde: Het gulden sprookjesboek. Dertig volkssprookjes van verschillende herkomst, naverteld (Amsterdam 1910); Een Javaan (Amsterdam 1923); De avonturen van den muzikant (Amsterdam 1927); De wijdere wereld (Amsterdam 1930); Gods goochelaartjes (Amsterdam 1932); 'Liefde en geweld langs den Barito' in: Drie novellen (Amsterdam 1939, Boekenweekgeschenk); Een witte angora en enige mensen (Amsterdam 1961).

Literatuur: 

M.H. van Campen, 'Augusta de Wit' in: De Gids 1915 /II, 457-491, 1915/III, 88-118, ook in Nederlandsche romancières van onzen tijd (Haarlem 1921); G. Brom, Java in onze kunst (Rotterdam 1931); A. Romein-Verschoor, De Nederlandsche romanschrijfster na 1880 (Leiden 1935, in 1936 en 1977 herdrukt als Vrouwenspiegel) 47-50; E. Augustin, 'Augusta de Wit' in: Critisch Bulletin, 1939, 92-95; J. Kuypers, 'Het Socialisme van Augusta de Wit (1864-1939)' in: Leiding, 1939, 476-478; H. Roland Holst, 'Augusta de Wit j' in: Tijd en Taak, 25.2.1939, ook in: Vrienden ter Gedachtenis (Amsterdam 1955); Th. de Vries, 'Augusta de Wit. Schoonheidsverheerlijking in grote stijl. Een rijk talent uit de school van '80' in: Het Volksdagblad, 17.2.1939; R. Nieuwenhuys, Oost-Indische Spiegel (Amsterdam 19783) 323-329; H.A. Wage in: BWN II, 626-627; R. Nieuwenhuys, 'Augusta de Wit 1864-1939' in: 't Is vol van schatten hier. Deel 1: Nederlandse literatuur van 1700 tot 1940 tentoongesteld in het Letterkundig Museum (Amsterdam 1986) 173-174; T. Pollmann, 'Inleiding' in: A. de Wit, De godin die wacht (Schoorl 1989) 5-12; T. Pollmann, 'Inleiding' in: A. de Wit, De drie vrouwen in het Heilige Woud (Schoorl 1989) 7-15; W. Bierman, Brieven / Augusta de Wit & Rainer Maria Rilke (Apeldoorn 1999); J. Bel, Nederlandse literatuur in het fin de siècle (Amsterdam 1993) ); J. Grave, Zulk vertalen is een werk van liefde. Bemiddelaars van Nederlandstalige literatuur in Duitsland 1890-1914 (Nijmegen 2001); M. Kemperink, Het verloren paradijs. De literatuur en de cultuur van het Nederlandse fin de siècle (Amsterdam 2001).

Portret: 

A.A.H. de Wit, Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum

Auteur: 
Jan Gielkens
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 4 (1990), p. 219-222
Laatst gewijzigd: 

12-08-2002