WOLBERS, Julien

Julien Wolbers

redacteur van De Werkmansvriend en mede-oprichter van Patrimonium, is geboren te Heemstede op 26 juli 1819 en overleden te Utrecht op 22 september 1889. Hij was de zoon van Hermanus Gerhardus Wolbers, schilder, en Maria Magdalena Peschar. Op 29 november 1837 trad hij in het huwelijk met Albertina Stoffels. Dit huwelijk bleef kinderloos.

Wolbers' moeder overleed enige weken na zijn geboorte. Zijn vader, die een glazenmakerij en schildersbedrijf had, bleef met zes jonge kinderen achter en hertrouwde spoedig. Na zijn schooltijd kwam Wolbers bij zijn vader in de zaak, die hij met zijn broer na het overlijden van de vader in 1843 overnam. De plaatselijke predikant Nicolaas Beets bracht hem in contact met het Réveil, een groep theologen, letterkundigen en politici die in niet-georganiseerd verband een herleving op kerkelijk en vooral geestelijk gebied wensten. Door het stichten van opvangtehuizen voor jongens en meisjes, brei- en naaischolen, alsmede diaconessenhuizen stonden zij op praktisch-filantropische wijze verbetering van maatschappelijk slechte omstandigheden voor. In de jaren 1845-1854 hielden zij twee keer per jaar bijeenkomsten in Amsterdam ter bespreking van godsdienstige en maatschappelijke problemen. Naar aanleiding van deze discussies schreef Wolbers enkele brochures, onder meer over de afschaffing van de slavernij in Suriname.

Opvattingen over afschaffing van de slavernij drongen in Nederland door dankzij propagandacampagnes vanuit het Verenigd Koninkrijk. Begin jaren veertig sprak de Engelse activiste Elisabeth Fry enkele malen op bijeenkomsten van het Réveil. Zij riep op tot het stichten van een antislavernijvereniging, maar de Réveil-mensen stonden hier aanvankelijk afwijzend tegenover. Isaäc da Costa noemde het abolitionisme zelfs een van de gevaren van hun tijd. In de Bijbel stond immers geen veroordeling tot het houden van slaven en bovendien was het aan de koning erover te beslissen. Over de wreedheden en misstanden op de slavenplantages raakte echter langzaam het een en ander bekend, waardoor de stemming binnen het Réveil omsloeg, vooral dankzij mensen als Wolbers en Guillaume Groen van Prinsterer. De laatste zocht contact met al bestaande kleine comités in de Engelse gemeenschap in Rotterdam en onder liberalen. De Nederlandse abolitionisten kwamen eind 1841 bijeen en besloten een petitie aan de koning te sturen om een vereniging op te richten. Maar de liberalen stapten op toen Groen van Prinsterer voor die vereniging statuten had voorbereid met een protestants-christelijke grondslag. Willem II kreeg vervolgens drie petities onder ogen, één ondertekend door 128 Rotterdamse vrouwen voornamelijk uit de Engelse gemeenschap, één ondertekend door 125 liberalen en één ondertekend door 56 Réveil-mannen. De vereniging kwam er niet. Minister J.C. de Rijk antwoordde in juni 1842 dat de slavernij op termijn zou moeten worden afgeschaft, maar dat stappen daartoe niet in gevaar mochten worden gebracht door de zaak in de publiciteit te brengen. Voor veel liberalen en Réveil-mensen was daarmee het doel bereikt. Wolbers echter reageerde anders. Hij bleef onder de indruk van de Britse parlementariër William Wilberforce, die langdurig de strijd voor afschaffing van de slavernij in het Verenigd Koninkrijk in 1833 had geleid. Hij las het boek De negerhut van oom Tom (1852) van de Amerikaanse schrijfster Harriet Beecher Stowe en luisterde naar voordrachten van mensen die de situatie in Suriname uit eigen waarneming kenden. In 1853 publiceerde hij zijn brochure met de duidelijke ondertitel De slavernij in Suriname, of dezelfde gruwelen der slavernij, die in de ‘Negerhut’ geschetst zijn bestaan ook in onze West-Indische Koloniën!, een jaar later gevolgd door de brochure De Surinaamse negerslaaf. In de jaren 1853-1855 richtte hij met andere abolitionisten petities aan de overheid. Vanaf 1856 echter verzwakte de strijdbaarheid. Wolbers daarentegen bleef moreel verontwaardigd en bleef pleiten voor emancipatie en zending in Suriname. Als vorm van praktisch protest stelde hij de aankoop van een plantage voor. In 1858 stuurde hij met anderen petities naar de regering en de Kamer ter ondersteuning van het eerste wetsvoorstel tot afschaffing van de slavernij, dat in 1863 zijn beslag kreeg. In 1861 schreef hij dat tot zijn teleurstelling de afschaffing van de slavernij in Nederland, anders dan in het Verenigd Koninkrijk, geen volkszaak was geworden

In januari 1850 werd Wolbers benoemd tot regent-armmeester van het wees- en armhuis te Heemstede, een gemeentelijke inrichting voor zowel protestanten als rooms-katholieken. Het college van regenten achtte werkverschaffing het beste middel om armoede te lenigen en te voorkomen. Medio 1850 stelde het de plaatselijke bevolking voor om met behulp van vrijwillige bijdragen en een jaarlijkse loterij een Fonds van Werkverschaffing te vormen. In 1856 verliet Wolbers de schilderszaak en vestigde zich als rentenier in Utrecht, waar hij zijn tijd aan studie en schrijven besteedde. Hij zette zich aan een verdere bestudering van Suriname en raadpleegde daarvoor archieven in Den Haag en Engeland. In 1861 verscheen Wolbers' meer dan 850 pagina’s dikke Geschiedenis van Suriname. Koning Willem III aanvaardde zijn geschiedenis welwillend en benoemde hem in 1862 tot ridder in de (Luxemburgse) orde van de Eikenkroon. In 1970 werd dit boek herdrukt (zie www.dbnl.org/tekst/wolb002gesc01_01/). Toen de wijze van bestuur op Java, het zogeheten cultuurstelsel, in de publieke aandacht kwam, nam hij met enige brochures aan de discussies deel. Dit leidde tot een studie over de geschiedenis van Java. In 1868 en 1869 verschenen twee delen maar het vervolg (over de geschiedenis na 1677) kwam niet tot stand. Wolbers was een van de oprichters en bestuursleden van de Anti-Revolutionaire Kiesvereeniging 'Nederland en Oranje' te Utrecht in januari 1868. Toen in 1878 het ledental en de werkkracht van de vereniging sterk waren verminderd, kwam mede door hem een plan tot reorganisatie tot stand waardoor ook niet-kiesgerechtigden tot de kiesvereniging konden toetreden. Het jaar daarop werd hij secretaris van de vernieuwde vereniging en bleef dit tot 1881. Bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer in 1871 werd hij kandidaat gesteld in het district Amersfoort. Deze kandidaatstelling was niet in overeenstemming met de zienswijze van Groen van Prinsterer, die meende dat slechts drie door hem voorgedragen personen van de anti-revolutionaire richting kandidaat gesteld konden worden. Wolbers werd niet verkozen. In mei 1884 koos het district Breukelen Wolbers tot lid van de Provinciale Staten van Utrecht, welke functie hij tot zijn overlijden uitoefende. Als goed Réveil-man was Wolbers ook sociaal actief. Vooral op zijn initiatief kwam ter vervanging van het ouderlijk thuis en de kroeg in 1870 te Utrecht het eerste militair tehuis in Nederland tot stand. Nadat ook in andere plaatsen militaire tehuizen waren gekomen, werd als overkoepelend orgaan in oktober 1874 de Nederlandsche Militaire Bond opgericht, waarvan Wolbers hoofdbestuurslid werd. In 1884 werd hij hoofdredacteur van het door de bond uitgegeven kwartaalblad Nederlandsche Krijgsman. Mede op zijn initiatief kwam in 1871 te Utrecht een werkinrichting voor blinden tot stand. Ook hier stond de gedachte voorop dat werkverschaffing het beste middel was om armoede te lenigen.

In De Volksbode van juli 1870 drong Wolbers aan op afschaffing van het coalitie-verbod, omdat dit de mogelijkheden van arbeiders zich te verenigen beperkte. Door de oprichting in april 1871 van de Vaderlandsche Werkmansvereeniging 'Orde, Vrijheid en Recht' te Utrecht raakte Wolbers meer bij de arbeidersbeweging betrokken. Deze vereniging was opgericht als een nationale vereniging voor de werkende stand en tegenhanger van de radicale (Eerste) Internationale. Zowel patroons als werklieden konden lid of donateur worden. Zij verbonden zich niet deel te nemen aan handelingen in strijd met de christelijke zedeleer. Daar zich niet voldoende patroons en donateurs meldden, werd Wolbers belast met werving. Op 28 juli 1871 verscheen het eerste nummer van De Werkmansvriend met als ondertitel 'Een weekblad voor het volk'. Oude vrienden van het Réveil gaven financiële hulp voor het blad, waarvan Wolbers hoofdredacteur was en J. Witmond journalistiek medewerker. Wolbers stelde vooral ingezonden stukken van werklieden op prijs. K. Kater en W.C. Beeremans maakten van deze mogelijkheid gebruik en het Algemeen Nederlandsch Werklieden-Verbond (ANWV) besloot in oktober 1871 om, zolang het nog geen eigen orgaan had, gebruik te maken van De Werkmansvriend. Wolbers zag zijn blad als contactorgaan tussen werkliedenverenigingen die op 'goede' grondslag berustten. Revolutionaire bewegingen ontbeerden een dergelijke grondslag. De verbetering van de toestand van de arbeiders zou volgens hem 'langs geleidelijke weg van orde en recht, zonder gewelddadige schokken, wars van de misdadige woelingen van de Internationale' dienen te geschieden. Een christelijke arbeiders-vereniging die alleen voor een bepaalde godsdienstige richting werkzaam was, achtte hij onjuist omdat een werkliedenvereniging anders dan een zendings- of evangelisatievereniging niet kerkelijk gericht maar algemeen, dat wil zeggen, voor iedereen moest zijn. Toen Wolbers tot de overtuiging kwam dat het ANWV het bij de oprichting ingenomen neutrale standpunt had verlaten, werd hij voorstander van een christelijke organisatie. Met Kater, Beeremans en Witmond, die tot dezelfde overtuiging waren gekomen, besprak hij de mogelijkheden daartoe. Op 3 januari 1876 werd onder zijn voorzitterschap het Nederlandsch Werkliedenverbond Patrimonium opgericht. Door het landelijk verbond Patrimonium werd hij in 1880 tot erevoorzitter benoemd. De statuten bepaalden dat De Werkmansvriend het officiële orgaan van de vereniging was, zonder dat de verhouding tussen beide werd uitgewerkt. In 1885 kwam het hierdoor tot een conflict tussen Wolbers en Kater. In juli en augustus plaatste Wolbers een serie artikelen waarbij hij instemmend schreef over het ingediende wetsontwerp tot uitbreiding van de werking van het Kinderwetje-Van Houten tot kinderen van twaalf tot zestien jaar. Namens het verbondsbestuur van Patrimonium plaatste het blad een afwijzend artikel. Kater en ook B. Poesiat vreesden een ongeoorloofde toeneming van de staatsbemoeienis in strijd met de rechten van ouders en stonden een voorziening in het Wetboek van Strafrecht tegen het misdadig exploiteren van kinderen voor. Een tweede conflict betrof het feit dat Kater voor zijn artikelen in De Werkmansvriend geen vergoeding ontving. Wolbers stelde de jaarvergadering van Patrimonium in 1885 voor dat Patrimonium Kater daarvoor zou betalen. Dit werd hem echter niet in dank afgenomen, omdat De Werkmansvriend meer dan Patrimonium bij Katers artikelen gebaat zou zijn. Volgens Patrimonium diende Wolbers een vergoeding te geven. De twee conflicten leidden tot het instellen van een commissie om de verhouding tussen Patrimonium en De Werkmansvriend nader te regelen. Patrimonium besloot in 1886 echter tot oprichting van een eigen orgaan, waarvan het eerste nummer op 5 november 1886 verscheen. De Werkmansvriend bleef tot 26 oktober 1888 nog verschijnen. Tussen Kater, die over een beginselkwestie sprak, en Wolbers, die meende dat het een persoonlijke aangelegenheid was, maar een werkmansvriend bleef, kwam het ten slotte tot een verzoening. Vanaf 3 november 1888 verscheen Patrimonium in een nieuwe opmaak onder redactie van J. Wolbers en K. Kater.

Publicaties: 

Zie voor bibliografie: Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek. Deel IX (Amsterdam 1974) 1287 en Anti-Revolutionaire Staatkunde, 1963, 7-28; verder: De Protestantsche Militaire Vereeniging. Vreest God, Eert den Koning. Rede (Utrecht 1870); Robert Owen. De vader van het socialisme in Engeland (Utrecht 1878).

Literatuur: 

Biografisch Woordenboek der Noord- en Zuid-Nederlandsche Letterkunde (Deventer 1878) 654; J.A. Wormser, Een man uit en voor het volk. Het leven van Klaas Kater (Nijkerk 1908); Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek. Deel IX (Amsterdam 1974) 1287; Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indie ('s-Gravenhage 1914-1917) 753; D.E. van Lennep, Schets der geschiedenis van de kerk der Nederduitsche Hervormde gemeente van Heemstede (Haarlem 1925); R. Hagoort, Patrimonium (Vaderlijk Erfdeel) (Kampen 1927); R. Hagoort, Tot zegen geleid. Gedenkschrift bij het 60-jarig bestaan der AR-kiesvereniging 'Nederland en Oranje' te Utrecht (Utrecht 1928); G. van Duinen, Het wees- en armhuis te Heemstede (1796-1861) (z.pl. 1952); E.T. Waaldijk, Die Rolle der Niederländische Publizistiek bei der Meinungsbildung hinsichtlich der Aufhebung der Sklaverei in den Westindische Kolonien (Münster 1959); R. Reinsma, 'Julien Wolbers (1819-1889). De man in de schaduw' in: Anti-Revolutionaire Staatkunde, 1963, 7-29; A.J.C. Rüter, Historische studies over mens en samenleving (Assen 1967) 52-54, 138-140; H. Krol, Heemsteedse gemeentepolitiek in de jaren tussen omstreeks 1750 en 1900 (Heemstede 1989) 69-84; J. Aalbers e.a. (red.), Utrechtse Biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Utrechters (Utrecht 1994) 202-204; P.D. 't Hart, Stakers en onruststokers in de Domstad. Uit de beginjaren van arbeidersbeweging en socialisme in Utrecht tussen 1870 en 1895 (Utrecht 1996); 'Julien Wolbers (1819-1889). De beste geschiedschrijver van Suriname' in: E. Vanvugt, Nestbevuilers. 400 jaar Nederlandse critici van het koloniale bewind in de Oost en de West (Amsterdam 1996) 102-105; M. Janse, De afschaffers. Publieke opinie, organisatie en politiek in Nederland 1840-1880 (Amsterdam 2007).

Portret: 

J. Wolbers, uit: R. Hagoort, Patrimonium (Kampen 1927)

Auteur: 
J. van der Molen
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 4 (1990), p. 222-226
Laatst gewijzigd: 

15-04-2014 (zin over afschaffing uitgebreid tot alinea).
22-09-2014 (in uitbreiding over afschaffing slavernij zijn jaar van uitkomen van de Geschiedenis van Suriname en de koninklijke onderscheiding gecorrigeerd).