WOLFF, Salomon de

Salomon (Sam) de Wolff

(roepnaam: Sam), socialistisch theoreticus en zionist, is geboren te Sneek op 13 augustus 1878 en overleden te Amsterdam op 24 november 1960. Hij was de zoon van Abraham de Wolff, koopman, en Goudtje de Vries. Op 7 mei 1910 trad hij in het huwelijk met Sara Veldman, met wie hij een zoon kreeg. Na haar overlijden op 11 december 1941 hertrouwde hij op 31 januari 1946 met Anna Maria Gruntjes, verpleegkundige.
Pseudoniemen: Globalis, N.A. Chevé, Poster.

Een 'typische Amsterdammer, Fries van geboorte', zo luidde W.H. Vliegens karakteristiek van zijn weerbarstige partijgenoot De Wolff. Zelf zou De Wolff later zonder twijfel zijn joodse identiteit in plaats van de Friese gezet hebben. De Wolff groeide op in Sneek in een bemiddeld joods milieu. Zijn vader, die een handel in manufacturen dreef, hing de burgerlijk-radicale beweging aan. De Wolff was het middelste van negen kinderen en had als bijnaam 'Recht voor Allen'. Zijn zendingsdrift en sterke wil brachten hem vaak in botsing met zijn vader. Hij hechtte meer betekenis aan de opvoeding door zijn joodse godsdienstonderwijzer, die hem over een land van belofte vertelde en hem gevoel voor sociale rechtvaardigheid bijbracht. Na het Sneker gymnasium deed De Wolff in 1898 zijn intrede op de Universiteit van Amsterdam, maar niet in de door hemzelf vurig gewenste studierichting wiskunde. Op last van zijn vader moest hij medicijnen studeren. Hij brak deze studie voortijdig af en hield daar het pseudoniem N.A. Chevé (Frans: inachevé - onvoltooid) aan over en een belangrijke vriendschap: met de latere apotheker en demograaf J. van der Wijk. Ook leerde hij tijdens zijn studie het werk van de socialistische theoreticus Karl Kautsky kennen, voor wie hij een ongebreidelde bewondering ging koesteren. Kautsky's werk 'verschafte de zekerheid van een nieuw mensengeluk'. De Wolff combineerde diens historisch-materialistische maatschappijconceptie met de een tijdlang populaire monistische filosofie van J. Dietzgen (hij vertaalde in 1910 een aan Dietzgen gewijde monografie van H. Roland Holst uit het Duits) - en noemde zich bij herhaling een aanhanger van het hiermee verwante spinozisme. In 1898 werd De Wolff lid van de SDAP. Met een zestal anderen richtte hij op 11 september 1899 een partijafdeling in Sneek op. Dit betekende de definitieve breuk met zijn vader, die dertig jaar zou duren. Zonder bron van inkomsten modderde De Wolff enige jaren voort in Amsterdam, vaak op de rand van de honger. In 1903 probeerde hij zijn geluk in Londen, maar hetzelfde jaar nog keerde hij terug, even berooid als toen hij vertrok. In het Londense East End was hij korte tijd lid van de Social Democratic Federation. Terug in Amsterdam was hij als bestuurder actief in de SDAP-afdeling III en in het federatiebestuur. In 1904 nam zijn leven door toeval een belangrijke wending. Een diamantair vroeg De Wolff zijn dochter bijles boekhouden te geven. Zonder enig verstand van de materie te hebben accepteerde hij de baan en dook in de boeken om zijn leerlinge voor te blijven. Zijn intensieve zelfstudie leidde ertoe dat hij in 1907 een accountantskantoor opende. In 1904 was hij agent geworden van De Centrale Arbeiders-Verzekerings- en Deposito-Bank. Als voorzitter van het vakbondje Vereeniging van Agenten in het Verzekeringsbedrijf (1906) kreeg hij te maken met een onverkwikkelijk conflict tussen zijn medeagenten en partijgenoten D.J. Wijnkoop en F.W.N. Hugenholtz. Als bestuurder van de 'marxistische' afdeling Amsterdam III werd De Wolff met argusogen bekeken door de partijleiding. Hij behoorde tot de Tribunisten van het eerste uur en verliet in 1909 de SDAP om tot de Sociaal-Democratische Partij (SDP) toe te treden. Samen met W. van Ravesteyn en P. Wiedijk schreef hij het beginselprogram dat op het congres in 1912 werd aangenomen. Wiedijk beschreef De Wolff met zijn kompanen aan de vooravond van het congres in Américain: 'een jonge kameel, die zich geduldig liet belasten met den gezamenlijken voorraad van ons drieën aan anti-revisionistische wijsheid, bij elk programmapunt met nieuwe balen praatstof en versche zakken spraakwater als voor een eindeloozen woestijntocht'. Toch beviel het werken in een sektarische kleine partij als de SDP De Wolff maar matig. Hij vond het zinvoller om in een grote beweging voor zijn gelijk te strijden. In 1913, kort voor of, zoals sommigen beweerden, kort na de voor de SDAP zeer succesvol verlopende verkiezingen, keerde hij terug naar die partij. De Wolff, die zich al tijdens zijn jeugd aangetrokken voelde tot het zionisme, nam in de SDAP als zodanig een aparte positie in, net zoals hij als socialist een vreemde verschijning was in de Nederlandsche Zionistenbond, waarvan hij in eerste instantie dan ook maar twee jaar (1902-1904) lid was. De sociaal-democratie beschouwde het zionisme in die tijd onder aanvoering van Jos Loopuit als een burgerlijk-reactionaire beweging. Volgens De Wolff was juist Palestina een ideaal proeflaboratorium voor de klassenstrijd. Zijn pogingen om een socialistisch-zionistische organisatie leven in te blazen hadden pas in 1933 succes met de oprichting van een Nederlandse afdeling van Poale Zion. De internationale sociaal-democratie had toen al lang haar afwijzende houding ten opzichte van het zionisme laten varen.

De Wolff was geen man voor de praktische politiek. Hij kon geen compromissen sluiten. In 1921 maakte hij één week deel uit van de Amsterdamse gemeenteraadsfractie. Als lid van de Provinciale Staten van Noord-Holland hield hij het langer vol: van 1927 tot 1932. In de jaren dertig was hij actief als redacteur van De Socialistische Gids. Van de mede door hem opgerichte Socialistische Vereeniging tot bevordering van de Studie van Maatschappelijke Vraagstukken was hij enige tijd voorzitter. Hier hield hij talloze voordrachten over economische vraagstukken, een terrein waarop hij zichzelf verder had bekwaamd. In 1915 bekritiseerde hij bijvoorbeeld in een artikelenserie over 'Accumulatie en crisis' in De Nieuwe Tijd Rosa Luxemburg naar aanleiding van haar boek Akkumulation und Kapital (1913). De Wolff was het niet eens met Luxemburgs kritiek op Marx, dat het kapitalisme niet in 'Reinkultur' kon functioneren en alleen voortbestond dankzij de export naar niet-kapitalistische landen. Hiermee leverde hij een van de weinige bijdragen van Nederlandse marxisten aan de sociaal-democratische economiediscussie op Europees niveau. Deze kritische analyse vormde een opstapje naar De Wolffs conjunctuurtheorie. Het pleidooi van zijn vroegere studiegenoot J. van der Wijk (in 1921 in zijn serie artikelen 'Wetmatigheid in natuur en maatschappij') voor een aan de exacte natuurwetenschappen ontleende wiskundige benadering van de politieke economie was voortaan voor De Wolff richtinggevend. Het resultaat was Het economisch getij. Bijdrage tot de verklaring van het conjunctuurverschijnsel (Amsterdam 1929). De theorie van de zonnevlekken, die W.S. Jevons in The theory of political economy (1871) had ontwikkeld ter verklaring van de conjuctuurbeweging, verwierp De Wolff voor een hoogontwikkelde kapitalistische economie geheel. Deze had volgens hem eigen interne wetten ontwikkeld, los van wat zich in de natuur afspeelde. De gemiddelde levensduur van de lange en korte golf had zijn speciale belangstelling, en hoewel op zijn berekeningen volgens critici het nodige viel aan te merken, wist De Wolff een aantal malen opmerkelijk juist economische bewegingen te voorspellen: in 1920 de crisis van 1921, in 1928 die van 1929, een opleving in 1932 en een naderende depressie in 1937. De New York Times van 27 december 1931 bevatte het geruststellende bericht dat De Wolff, 'a man who predicted the present world crisis a year before its outbreak ... now sees the end of the depression in 1932'. Onder Nederlandse economen ontmoette zijn boek meer kritiek dan instemming. Met hangen en wurgen bemachtigde De Wolff in 1930 een privaatdocentschap in de conjunctuurleer aan de Universiteit van Amsterdam. Bij het uitspreken van zijn rede was geen enkele econoom uit de wereld van de wetenschap aanwezig. Als publicist op economisch, sociologisch en historisch terrein liet De Wolff zich onveranderlijk als marxist kennen, maar aan de kwalificatie 'orthodox' had hij een grondige hekel. Toch was hij orthodox in die zin dat hij de komst van het socialisme het eerst verwachtte in het hoogst ontwikkelde kapitalistische land. Zijn opvatting van het historisch materialisme bleek duidelijk uit een artikel in 1906 in De Nieuwe Tijd over de centrale rol van de zestiende-eeuwse stedelijke arbeidersbevolking in het begin van de opstand tegen Spanje. Niet alleen hanteerde hij daarin het begrip proletariaat anachronistisch, hij beperkte zich ook tot de Beeldenstorm van 1566 en daardoor ontging hem de belangrijke militaire rol van de boerenbevolking. Wat dit betrof bleef hij bij zijn leermeester Kautsky achter. Dertig jaar later gaf hij zijn aantekenschrift over dit thema aan de bevriende Duitse emigrant E. Kuttner, wiens Het hongerjaar 1566 (1949) op De Wolffs notities en adviezen gebaseerd is. Ook een andere emigrantenfamilie, de in 1938 aanvankelijk in zijn huis in Amsterdam neergestreken Kautsky's, stond hij moreel en materieel ter zijde.

Tijdens de Duitse bezetting dook De Wolff niet onder. Hij doceerde in huiskamerbijeenkomsten over joodse thema's aan jonge zionisten en zorgde voor de illegale duplicering en verspreiding van een Hebreeuws-Nederlands woordenboek. In 1943 werd hij opgepakt en naar Bergen-Belsen afgevoerd. Met een 'Palestina-certificaat' werd hij in juli 1944 ingeruild tegen Duitsers in Palestina, waar hij kort voor de oorlog al eerder geweest was. In Tel-Aviv doceerde hij economie aan de High School for Law and Economics. Hij meende er als econoom de erkenning te vinden die hij in Nederland miste. Begin 1945 schreef hij in Jeruzalem Geschiedenis der joden in Nederland. Laatste bedrijf (Amsterdam 1946), een schets van de jaren 1940-1943 en een poging om een sociologische verklaring te vinden voor het noodlot van de joden. In Palestina kreeg De Wolff het bericht dat zijn enig kind Leo eind april 1945 was omgekomen. Zijn vrouw was eerder in de oorlog een natuurlijke dood gestorven. Met zijn zoon had hij in Palestina een bestaan willen opbouwen, nu keerde hij in november 1945 terug naar Nederland. 'Hoop de laatste jaren van mijn leven in Palestina door te brengen', schreef hij eenmaal terug in Amsterdam en hertrouwd. Desondanks bleef hij tot zijn dood in Nederland. De SDAP wenste de veteraan De Wolff eind 1945 op een stenciltje voor algemeen gebruik geluk met zijn behouden terugkeer. De Wolff was van mening dat de SDAP het middelpunt van een werkelijk volksfront moest zijn, waartoe ook tot democraten bijgeschaafde revolutionaire socialisten en communisten en tot socialisten bijgeschaafde aanhangers van de Nederlandse Volksbeweging moesten behoren. Hij betreurde het al lang dat het zwaartepunt in de sociaal-democratie rechts was komen te liggen, een ontwikkeling die hij in 1933 dateerde. Eind 1945 trad De Wolff toe tot de redactie van De Vlam, waartoe op dat moment onder meer H. Roland Holst, W. Romijn, P.J. Meertens en T. Rot behoorden. De redactie fungeerde ook als podium voor een aantal ontevreden sociaal-democraten, die uiteindelijk op 17 maart 1946 het Sociaal-Democratisch Centrum in de PvdA (SDC) oprichtten. De Wolff was initiatiefnemer en voorzitter van deze bundeling van dakloze socialisten en ontevredenen in de PvdA, ongeveer 100 à 150 personen. Het SDC, bedoeld als een 'apparaat voor innerlijke zending', ijverde voor 'herstel van de verhouding tussen de partij en de arbeidersklasse' en samenwerking met de communisten. Het streefde naar de status van erkende werkgemeenschap binnen de PvdA, vergelijkbaar met de katholieke of protestants-christelijke. Het partijbestuur weigerde echter hierop in te gaan, wel nodigde het De Wolff bij wijze van pacificatie in september 1946 uit voor de Commissie Beginselprogram. De Wolff accepteerde de uitnodiging omdat hij het ook nu beter vond een brede beweging de goede kant op te duwen dan er buiten te gaan staan. Maar hetzelfde jaar schreef hij al: 'Ik ben lid van de PvdA. Ik moet toegeven, dat dit lidmaatschap mij zelf even vreemd voorkomt ... men heeft geen andere keus.' Uiteindelijk was het de Indonesië-politiek die hem opbrak. Voor het SDC bracht de partijlijn bij de eerste militaire actie in augustus 1947 ook de organisatorische vraag naar voren: moesten de SDC'ers uit de PvdA treden of juist niet? Nu liet de PvdA op haar beurt het SDC los. Op 9 september 1947 zegde De Wolff zijn lidmaatschap op. Pas midden 1952 zou hij zich weer aanmelden. In 1954 begon hij voor een nieuw Sociaal-Democratisch Centrum te ijveren, dat op 12 februari 1955, weer onder zijn leiding, werd opgericht. Ook hier bepleitte hij socialisatie van produktiemiddelen, klassenstrijd en internationale solidariteit. Het tweede SDC vormde een basis voor een groep trotskisten die al enkele jaren als geheime cel binnen de partij opereerde, voor pacifistische christen-socialisten als J.J. Buskes en marxisten als De Wolff zelf. De repressie van de zijde van het partijbestuur was ditmaal sterker, mede vanwege de trotskistische invloed. Van oppositiepartij wilde de PvdA immers weer een respectabele, homogene regeringspartij worden. Geen moment was er serieus sprake van het verkrijgen van de status van 'sociaal-democratische werkgemeenschap', waarnaar het SDC streefde. In 1959 dwong het PvdA-congres het SDC zichzelf op te heffen. Landelijke bekendheid kreeg De Wolff in de naoorlogse jaren als forumlid naast A. Romein-Verschoor en G. Stuiveling in het radiodiscussieprogramma Radiolympus (1946-1954), waarin hij ook door zijn opmerkelijke stemgeluid opviel.

De Wolff was een man van beginselen en het idee een stap terug te doen kwam nooit in hem op. In zijn archief zitten de sporen van talloze, in venijnige brieven uitgevochten conflicten. In 1950 trok hij zich terug uit de Vrijdenkersvereniging De Dageraad, na een hevige ruzie met zijn collegabestuursleden over het herschrijven van het beginselprogram. Zes jaar later werd hij desondanks tot erelid van De Dageraad benoemd. In 1951 botste hij met Rot en D. Schilp in een serie van verdachtmakingen rond de financiën van De Vlam, waarop hij in 1952 opstapte. In 1955 wilde hij niets meer met de Wiardi Beckman Stichting te maken hebben omdat hij zich gepasseerd voelde door J.M. den Uyl. In hetzelfde jaar zegde hij zijn abonnement op Het Parool op wegens een 'perfide recensie van de heer Pam' van zijn autobiografie Voor het land van belofte (Bussum 1955, reprint Nijmegen 1978). Hetzelfde lot trof een jaar later De Groene, Vrij Nederland en het Algemeen Handelsblad. Weer een jaar later verliet hij de Derde Weg-beweging uit boosheid over haar houding ten aanzien van Israël. Met de voorzitter van zijn PvdA-afdeling Zuid lag hij overhoop omdat die De Wolff met al zijn interrupties tijdens vergaderingen de mond probeerde te snoeren. De Wolffs ijveren voor het behoud van de Hollandsche Schouwburg als museum en gedenkplaats voor de jodenvervolging was in die jaren vijftig nog niet zo vanzelfsprekend en hij riep er ook in joodse kring weerstand mee op. Vriend en vijand karakteriseerden hem als een breedsprakige, geestige, emotionele en vooral ijdele man. Het zal zijn ijdelheid niet gestreeld hebben dat van zijn autobiografie in twee jaar tijd slechts 516 exemplaren verkocht werden. In feite bevat dit boek slechts enkele autobiografische passages, waaruit de lezer dan nog weinig over de hoofdpersoon te weten komt. Voor het grootste deel gaf De Wolff sociaal-economische achtergronden en beschouwingen over de socialistische beweging, economische verhandelingen en polemische uiteenzettingen. In zijn publikaties herhaalde De Wolff zichzelf meer dan eens. Hij nam in april 1958 afscheid van 'al zijn publieke functies' - het waren er ondertussen al niet zoveel meer - om zich te wijden aan een studie over de oorsprong van de joodse mystiek. Bij deze laatste huldiging liet De Wolff zijn tranen de vrije loop. H. Vos sprak namens het partijbestuur en B. Luteraan roemde De Wolff 'niet als marxist, niet als historicus, econoom of socioloog, maar als statisticus'. In oktober 1994 werd ter hoogte van De Wolffs geboortehuis in Sneek een gedenksteen in het plaveisel aangebracht, voorstellend zijn door A. Hahn jr. ontworpen ex-libris: een bebrilde, lezende wolf, omkaderd door de Davidster.

Archief: 

Archief S. de Wolff in IISG (Amsterdam; vgl. Campfens2, 358-359).

Publicaties: 

Prosperitäts- und Depressionperioden' in: O. Jenssen (red.), Der lebendige Marxismus (Jena 1924) 13-43; De huidige conjunctuur (Amsterdam 1930); De crisis (Amsterdam 1932); Crisis in permanentie (Amsterdam 1932); Het heldenleven en de levende leer van Karl Marx (Amsterdam 1933); voorwoord in: E. de Nève, Spanje, dapper Spanje (Amsterdam 1937); inleiding in: K. Marx, Het kapitaal (Amsterdam 1934); 'De sociale achtergrond bij de Joodse profeten' in: H. Heymans, Menorah 5702 (Amsterdam 1941) 40-48; Van eerstelingen tot late oogst. Opstellen (Amsterdam 1948); 'Henri Polak als jood' in: O. Montagne e.a. (red.), Doctor Henri Polak (Amsterdam 1948) 169-182; En toch! Driekwart eeuw socialisme in vogelvlucht (Amsterdam 1951); 'Wat de 1 meidag voor mij heeft betekend' in: Mededelingenblad, nr. 5, november 1954, 3-4; 'Was Karl Kautsky uns lehrte' in: Ein Leben für den Sozialismus. Erinnerungen an Karl Kautsky (Hannover 1954) 61-68; artikelen in onder meer: De Vrouw, Het Leven, Het Volk, Het Weekblad, De Nieuwe Tijd, De Kroniek, De Tribune, De Socialistische Gids, De Sociaal Democraat, De Vlam, Perspectief, Koemie Orie; vertalingen: K. Kautsky, De dictatuur van het proletariaat (Amsterdam 1919) en (met E. Boekman) H. Roland Holst, De philosophie van Dietzgen en hare beteekenis voor het proletariaat (Rotterdam 1910).

Literatuur: 

W.H. Vliegen, Kracht II, 139, 266, 267; Kracht III, 301-304; Strijdenskracht door wetensmacht. Opstellen aangeboden aan S. de Wolff ter gelegenheid van zijn 60e verjaardag (Amsterdam 1938); J.W. Matthijsen, 'Over Sam de Wolff en zijn werk' in: S. de Wolff, Van eerstelingen tot late oogst (Amsterdam 1948) 7-22; 'Sam de Wolff 70 jaar' in: Dewar Hachaloetsim, augustus 1948; interview in: Het Parool, 12.8.1948; J. Meijer, 'Sam de Wolff 70 jaar' in: Nieuw Israëlitisch Weekblad, 13.8.1948; B. Kautsky, 'Een levend heden' in: De Vlam, 14.8.1948; A. Treurniet, 'Sam de Wolff 70 jaar' in: De Vlam, 14.8.1948; J.J. Buskes, 'Sam de Wolff' in: Het Vrije Volk, 14.8.1948; I. Spetter, 'Sam de Wolff jubileerde' in: De Joodsche Wachter, 27.8.1948; Het Parool, 20.1.1955; F. Kief in: De Groene Amsterdammer, 22.1.1955; J.J. Buskes in: Tijd en Taak, 5.2.1955; W. Banning in: Het Vrije Volk, 12.2.1955; 'Voor het land van belofte' in: De Vrijdenker, 5.3.1955; 'De gedenkschriften van Sam de Wolff' in: Nieuwe Rotterdamse Courant, 21.5.1955; G. Stuiveling, 'Memoires van een polemist' in: Het boek van Nu, mei 1955; B.W. Schaper, 'In het voetspoor der profeten' in: Mens en Wereld, 25.6.1955; F. de Jong Edz., 'Sam de Wolff's vooruitziende terugblik' in: Critisch bulletin, september 1955, 417-420; B. van Tijn, 'Sam de Wolffs memoires' in: De Joodse Wachter, 1955, 10-11; F. Baruch, 'Twee landen van belofte?' in: Politiek en Cultuur, juli 1956, 426-427; H. Lange, 'Sam Sam 80' in: Politeia, 1958, nr. 2; 'Afscheid van veteraan Sam de Wolff' in: Nieuw Israëlitisch Weekblad, 18.4.1958; 'De Wolff 80 jaren is bijna 80 jaren dezelfde De Wolff' in: Het Vrije Volk, 19.4.1958; 'Sam de Wolff neemt afscheid van zijn politieke functies' in: Socialistisch Perspectief, 1.5.1958; 'Geschreven portret' in: Het Parool, 3.5.1958; J.J. Buskes, 'Het voorbeeld op de berg' in: Tijd en Taak, 19.5.1958; F. Kief in: De Groene Amsterdammer, 9.8.1958; F. Kief in: De Groene Amsterdammer, 3.12.1960; W. Drees in: Socialisme en Democratie, 1961, 530-533; F. de Jong Edz. in: De Nieuwe Stem, 1961, 1-4; J. de Kadt, Uit mijn communistentijd (Amsterdam 1965); C.H. Wiedijk, Sam de Wolff en het ontstaan van het Sociaal-Democratisch Centrum in de Partij van de Arbeid (Haarlem 1971); Een leven lang Ben Sajet, verteld aan Hans Fels (Baarn 1977) 48; M. van Amerongen, 'Het leven van Sam de Wolff, alleenvertegenwoordiger van het marxisme voor Nederland en Koloniën' in: Vrij Nederland, 9. en 16.9.1978; M. Grunell, J. Westerbeek van Eerten, 'Terug op Marx en verder' in: F. Bovenkerk e.a. (red.), Toen en thans (Amsterdam 1978) 236-247; B. van Tijn, 'De Wolff, profeet van betere tijden' in: Het Parool, 8.5.1980; Th. van Tijn, 'Koude oorlog in de PvdA. Het Sociaal Democratisch Centrum 1955-1959' in: Het verbleekte ideaal (Amsterdam 1982) 69-77; I. Cornelissen, Van Zwolle tot Brest Litovsk (Amsterdam 1983); L. de Jonge, J. Lagendijk, Links-socialisme in Nederland 1944-1947 (doctoraalscriptie Utrecht 1983); M.H.J. Dullaart, Regeling of vrijheid. Nederlands economisch denken tussen de wereldoorlogen (Alblasserdam 1984); A.A. de Jonge, 'Wolff, Salomon (Sam) de' in: BWN II (1985) 628-630; L.J. Zimmerman, 'Sam de Wolff' in: Maandschrift Economie, 1986, 334-340; H.W. Plasmeijer, 'Overschatting en onderwaardering. Over de politieke economie van Sam de Wolff (1878-1960)' in: H.W. Plasmeijer (red.), De theoretische grondslagen van het economisch beleid (Groningen 1988); Th. Koning, Voor een kosjere partij, een schets van het leven van Sam de Wolff (doctoraalscriptie Groningen 1990); M. van der Linden (red.), Die Rezeption der Marxschen Theorie in den Niederlanden (Trier 1992); M. Schrevel, 'Als socialist, niet als israëliet. De SDAP en het "joodse vraagstuk"' in: De Gids, 1993, 501-510; F. Kalshoven, Over marxistische economie in Nederland 1883-1939 (Amsterdam 1993); J.C.H. Blom e.a. (red.), Geschiedenis van de joden in Nederland (Amsterdam 1995); E. Gans, De kleine verschillen die het leven uitmaken. Een historische studie naar joodse sociaal-democraten en socialistisch-zionisten in Nederland (Amsterdam 1999).

Portret: 

Salomon de Wolff, IISG

Auteur: 
Margreet Schrevel, Ger Harmsen
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 7 (1998), p. 257-263
Laatst gewijzigd: 

13-02-2003