WOLLRING, Hendrik Herman

Hendrik Herman Wollring

(roepnaam: Henri), voorman timmerliedenverenigingen en gemeenteraadslid voor de SDAP te Amsterdam, is geboren te Amsterdam op 18 februari 1869 en overleden te Zandvoort op 24 maart 1939. Hij was de zoon van Johannes Hendricus Franciscus Hermanus Wollring, typograaf, en Cornelia Antoinette Vislaake. Op 10 april 1895 trad hij in het huwelijk met Johanna Catherina Hendrika Hulskamp, met wie hij twee zoons kreeg.

Wollring groeide op in Amsterdam. Toen hij acht jaar was, werd zijn moeder opgenomen in het psychiatrisch ziekenhuis in Santpoort. Nadien kreeg zij verpleging in het Belgische Geel. Toen hij tien jaar was, vertrok ook zijn vader - die in 1869 mede-oprichter was geweest van de Nederlandse sectie van de Eerste Internationale - naar België. Wollring bleef in Amsterdam achter bij zijn grootmoeder, die hem een rooms-katholieke opvoeding gaf. Na de lagere school bezocht hij de Kunstnijverheidsschool Quellinus met als doel architect te worden. Hij werd echter timmerman. Door zijn school en zijn grote leeslust (van vooral katholieke geschriften) kreeg hij een goede algemene vorming. Verontwaardiging over het politieoptreden tijdens het Palingoproer in 1886, waarin hij per ongeluk verzeild raakte, maakte bij hem belangstelling los voor het socialisme. Pas na hevige innerlijke strijd verruilde hij het katholicisme voor het socialisme. Uiteindelijk zou Henri Polak hem er begin jaren negentig toe overhalen lid te worden van de Sociaal-Democratische Bond (SDB). Als timmerman was hij al vanaf 1890 georganiseerd, eerst in Constantia, later in de met kerst 1892 gevormde Algemeene Nederlandsche Timmerliedenbond (ANTB). Binnen de ANTB hoorde hij aanvankelijk tot de afdeling Door Eendracht Verbetering en vanaf 1899 tot Concordia Inter Nos, waarvan hij van 1904 tot 1919 het voorzitterschap bekleedde. Voor de ANTB in Amsterdam was hij vele jaren 'looncommissaris' en redacteur van De Timmerman. In dit blad schreef hij veel artikelen, vaak ironisch van toon. Behalve over arbeidsgeschillen in Amsterdam schreef hij over politieke en historische onderwerpen. Zijn grote algemene ontwikkeling die hieruit bleek, stelde hem in staat op zijn 24e in het Sociaal Weekblad een polemiek met M.W.F. Treub aan te gaan. Wollring was een veelgevraagd spreker, ook voor de SDB. Hiervoor sprak hij onder anderen samen met F. Domela Nieuwenhuis grote aantallen mensen toe.

In de jaren negentig was Wollring ervan overtuigd dat het socialisme een zaak van geleidelijke economische hervormingen was, waarbij de arbeidersklasse op eigen kracht door middel van vakorganisatie en produktieve coöperatie de produktiemiddelen moest veroveren. Om zoveel mogelijk arbeiders te verenigen dienden de vakorganisaties strikt neutraal te zijn. Hoewel hij voorstander van deelneming aan verkiezingen was - wat hem met Domela Nieuwenhuis in conflict bracht - achtte hij de politieke strijd van minder belang voor het bereiken van het socialisme dan de economische strijd. In 1898 verklaarde hij echter misschien wel te optimistisch te zijn geweest over de 'zelfverheffing' van de arbeidersklasse. Mede door zijn ervaringen met een mislukte timmerliedenstaking in het Van Lennepkwartier werd hij voorstander van omvorming van de ANTB in 'moderne' zin, dat wil zeggen met bezoldigde bestuurders en een sterke weerstandskas. Volgens W.H. Vliegen raakte Wollring er in deze jaren geleidelijk aan meer van overtuigd dat politieke actie noodzakelijk was. Hij kwam daarmee 'op een naar de S.D.A.P. toehellend vlak'. Als gevolg van het herenigingscongres van de Socialistenbond en de SDAP werd Wollring in 1900 SDAP-lid. Voor de partij was hij volgens Vliegen 'een nuttig propagandist'. Na verschillende kandidaatstellingen werd hij in 1907 voor district IX in de Amsterdamse gemeenteraad gekozen, waar hij zich vooral met volkshuisvesting bezighield. Vanaf 1902 was hij voorzitter van de Amsterdamsche Bestuurdersbond, maar na een conflict met de aangesloten verenigingen legde hij deze functie in 1913 neer. Ook was hij lid van de Raad van Beroep voor de Ongevallenwet.

Rond 1920 zag Wollring zich door ernstige ziekte van zijn vrouw gedwongen terug te treden uit het openbare leven. Bij zijn aftreden als voorzitter van Concordia Inter Nos in 1919 speelde echter ook mee dat onder de leden wrevel over zijn voorzitterschap bestond. Vanaf 1921 trok hij zich nog verder terug en weigerde hij ondanks aandrang vanuit de partij - zich opnieuw kandidaat voor de gemeenteraad te stellen. Hij verbrak de contacten en stuurde zelfs J. Oudegeest niet de biografische gegevens die deze voor zijn boek over de Nederlandse vakbeweging verzamelde. Door dit vrijwel volledige terugtrekken raakte Wollring - die tot 1911 als timmerman werkte bij de produktiecoöperatie N.V. De Bouwersbond en nadien bij de Amsterdamsche Woningbouwvereeniging 'Rochdale' - snel in de vergetelheid.

Archief: 

Archief H.H. Wollring in IISG (Amsterdam; vgl. Campfens2, 359).

Publicaties: 

Overzicht van den werkkring van den looncommissaris, in verband met de Amsterdamsche weerstandskas voor Timmerlieden vanaf 1 februari tot 27 juni 1897 (Amsterdam 1897); (met anderen) Rapport over de volkshuisvesting in de nieuwe stad te Amsterdam, uitgebracht door eene commissie uit den Amsterdamschen woningraad (Amsterdam 1909).

Literatuur: 

Vliegen, Dageraad II, 434, 438; Kracht I, 123, 226, 424, 430; Kracht II, 92, 242; H.J. Scheffer, Het Volksdagblad (Den Haag 1981); P. Hofland, Leden van de Raad. De Amsterdamse gemeenteraad 1814-1941 (Amsterdam 1998); D. Bos, Waarachtige volksvrienden. De vroege socialistische beweging in Amsterdam 1848-1894 (Amsterdam 2001); H. Wals, Makers en stakers. Amsterdamse bouwvakarbeiders en hun bestaansstrategieën in het eerste kwart van de twintigste eeuw (Amsterdam 2001).

Portret: 

H.H. Wollring als timmerman in het bondsgebouw van de A.N.D.B., ca. 1904, IISG.

Auteur: 
Hans Luiten
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 4 (1990), p. 226-227
Laatst gewijzigd: 

12-08-2002