ZEE, Daniël van der

Daniël van der Zee

(roepnaam: Daan), pionier van het christen-socialisme, is geboren te Schiedam op 16 juni 1880 en overleden te Den Haag op 10 juli 1969. Hij was de zoon van Bernardus van der Zee, kurkenfabrikant, en Lena de Koning. Op 11 augustus 1904 trad hij in het huwelijk met Maria Catharina Eijsberg, onderwijzeres, met wie hij twee dochters en een zoon kreeg.

Van der Zee was afkomstig uit een kleinburgerlijk protestants-christelijk milieu. Hij volgde een ambtelijke loopbaan allereerst op de gemeentesecretarie te Schiedam (1896-1902), daarna te Apeldoorn (tot 1904) en in Gorinchem (tot 1914). In 1903 publiceerde hij een eerste letterkundige verhandeling. Hij behoorde tot een generatie van protestants-christelijke schrijvers, die in verzet tegen de na 1880 opgekomen letterkunde van die groepering, deze meer open wilde stellen voor nieuwe literatuuruitingen, zoals van de Tachtigers. Voor Van der Zee's overgang naar het christen-socialisme is deze periode erg belangrijk geweest. Zij betekende een verruiming van zijn horizon. Voorts leerde hij in deze tijd de onderwijzeres Anke van der Vlies, bekend onder het pseudoniem Enka, kennen. Onder haar invloed werd hij christen-socialist. De weerslag van deze overgang is te vinden in zijn eerste roman Godsonteering uit 1907.

Van der Zee behoorde met Enka tot de oprichters op 13 juli 1907 van de Bond van Christen-Socialisten (BCS), die aanvankelijk een orthodox-protestantse signatuur had en zich primair als doel stelde propaganda te maken voor het socialisme onder rechtzinnige christenen. Van der Zee heeft voor de BCS grote betekenis gehad, zowel organisatorisch, propagandistisch als wat betreft de theoretische doordenking van het christen-socialisme. Van 1907 tot 1914 was hij bestuurslid, vanaf 1909 voorzitter. Voorts was hij redacteur van het Bondsorgaan Opwaarts. Op vele propagandabijeenkomsten, in talloze artikelen en in een aantal brochures en boeken heeft hij het christen-socialisme bepleit. Hij zag hierin de economische vormgeving van het christelijk liefdesgebod. Hij streed zowel tegen de velen in christelijke kring, die het socialisme afwezen als tegen de SDAP, die een eigen christen-socialisme het bestaansrecht ontzegde. Van der Zee verdedigde een zelfstandig christen-socialisme naast de sociaal-democratie, omdat er volgens hem verschillen waren in grondslag (de christelijke ethiek), in doelstelling (de christelijke maatschappij) en in strijdwijze (de rechtsstrijd). Ook de benadering van de christelijk-sociale stroming wees hij af, omdat deze niet de fundamenten van het kapitalistisch stelsel ter discussie stelde. Wel beriep Van der Zee zich veel op de 'jonge' Abraham Kuyper, vooral op diens rede op het Eerste Christelijk Sociaal Congres (1891). Van der Zee was betrokken bij de oprichting in 1912 van het Socialistisch Verbond, dat een samenwerking tussen religieus-socialisten wilde bewerkstelligen en was daarvan voorzitter van 1912 tot 1914. Van het orgaan daarvan, De Samen werking, was hij redactiesecretaris. Ook was hij betrokken bij een hernieuwde poging tot samenwerking, welke begin 1915 resulteerde in het Religieus-Socialistisch Verbond, waarvan hij bestuurslid werd.

Inmiddels was Van der Zee in 1911 vanwege zijn christen-socialisme gepasseerd als gemeentesecretaris van Gorinchem en zag hij naar een andere betrekking uit. Begin 1914 werd hij mededirecteur van de door hemzelf in 1911 opgezette drukkerij en uitgeverij De Toekomst, waar Opwaarts en andere schrifturen van de BCS werden gedrukt. Omdat hij besefte dat een nieuwe lichting in de BCS rond Bart de Ligt steeds meer de leiding overnam, trok hij zich als voorzitter in de periode maart/april 1914 terug. Tijdens de oorlog werd hij opgeroepen als militair. Na zijn demobilisatie trad hij in dienst bij het Koninklijk Nationaal Steuncomité (november 1915). Van der Zee had intussen sterke onvrede met de koers van de BCS. Deze richtte zich te zeer op individuele levensvernieuwing, zoals militaire dienstweigering, en te weinig op politieke machtsvorming. Hoewel hij nog lid was van de commissie die een nieuw politiek programma ontwierp, werd de verwijdering steeds groter. Ook bestreed hij de toenadering tot de Sociaal-Democratische Partij. Het afscheid van de BCS kwam, toen hij in mei 1916 naar Nederlands-Indië vertrok. Aanvankelijk werkzaam op het Departement van Onderwijs en Eredienst trad hij in 1919 bij de gemeente Batavia in dienst, waar hij van 1920 tot 1928 gemeentesecretaris was. In deze laatste positie had hij een grote invloed op het stadsbestuur. Beseffende dat de politieke verhoudingen in Indië anders lagen, sloot hij zich aan bij de Indische afdeling van de SDAP, die kort daarna een eigen organisatie kreeg in de Indische Sociaal-Democratische Partij, waarvan hij tweede voorzitter zou worden. Ook was hij redactielid van Het Indische Volk.

Na zijn pensionering in 1928 vestigde Van der Zee zich in Den Haag. Hij werd lid van de SDAP en was van deze partij één van de Indië-kenners. Als zodanig leverde hij regelmatig bijdragen aan Het Volk en was secretaris van de commissie die een nieuw koloniaal beginselprogramma ontwierp, dat werd aanvaard in 1930. Van der Zee was voorstander van onafhankelijkheid van Nederlands-Indië. Hij plaatste het streven daarnaar in de strijd tegen het kapitalisme en verwierp de ethische politiek. Van 1931 tot 1941 was hij gemeenteraadslid in Den Haag. In 1929 was hij bestuurslid van de Haagse afdeling van het Instituut voor Arbeidersontwikkeling (IvAO) geworden. Voor het IvAO schreef Van der Zee de brochure Het fascisme naar wezen en beteekenis (1933), waarin hij, hoewel hij tegen het opkomend fascisme waarschuwde, een merkwaardig begrip voor het Italiaanse fascisme aan de dag legde. Hij beoordeelde dit minder ongunstig dan het Duitse nationaal-socialisme. In 1938 werd hij lid van het landelijk centraal en dagelijks bestuur. Bij de discussie in 1940 over opheffing van het IvAO of doorgaan behoorde Van der Zee tot diegenen die het werk wilden voortzetten, omdat zij meenden dit zonder te veel inmenging van de bezetter te kunnen blijven doen, maar dit al snel moesten opgeven. In 1945 was hij een van de oprichters van het Haags Instituut voor Volksontwikkeling, waarvan hij vice-voorzitter werd. Na de oorlog heeft Van der Zee, hoewel lid geworden van de PvdA, geen politieke rol meer gespeeld.

Archief: 

Archief D. van der Zee in Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum (Den Haag).

Publicaties: 

Van der Zee heeft veel gepubliceerd op literair, ambtelijk en politiek gebied. Een door hemzelf vervaardigd overzicht van zijn publikaties bevindt zich in het Letterkundig Museum en Documentatiecentrum (Den Haag). Tot zijn politieke werk behoren: Een nieuwe stem (Amsterdam 1910); Het Christen-Socialisme (Schiedam 1914); De SDAP en Indonesië (Amsterdam 1929); De wereld vrij! Socialistische beschouwingen over het koloniale probleem (Amsterdam 1931); Een tijdsverschijnsel. De voormalige Bond van Christen-Socialisten (Den Haag 1966).

Literatuur: 

H.C.M. Michielse, Socialistische vorming (Nijmegen 1980) 162-163; R. Verwoerd in: BWN II, 638-639; H. Noordegraaf, 'Het Christensocialisme van Daan van der Zee' in: BNA, nr. 11, december 1986, 53-79; J. en H. Noordegraaf (red.), Herleefd verleden. Uit het Schiedamse leven rond 1900. Henri Hartog, Daan van der Zee (Schiedam 1988).

Portret: 

D. van der Zee, 1907, particulier bezit

Auteur: 
Herman Noordegraaf
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 2 (1987), p. 189-191
Laatst gewijzigd: 

05-06-2002