ZUTPHEN, Johannes Andries van

Johannes Andries van Zutphen

(roepnamen: Jan, Ome Jan), secretaris Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkersbond en voorzitter sanatorium Zonnestraal, is geboren te Utrecht op 7 oktober 1863 en overleden te Hilversum op 7 juni 1958. Hij was de zoon van Johannes Anthonius van Zutphen, wijnkopersknecht, en Elisabeth Maria Grossenbach. Op 10 februari 1887 trad hij in het huwelijk met Emmetje Lamme, met wie hij twee dochters en twee zoons kreeg. Na haar overlijden (op 1 mei 1911) hertrouwde hij op 17december 1919 met Bernardina Johanna Greger, met wie hij een dochter en een zoon kreeg.
Pseudoniem: Brinio.

Zijn lange leven lang bleef Van Zutphen een typisch Amsterdamse volksman, die van zijn hart geen moordkuil maakte en zich ook niet schaamde zijn tranen de vrije loop te laten als zijn gemoed geraakt werd door kommer en kwel van mede-proletariërs. Hij werd geboren in Utrecht maar groeide op in de Amsterdamse volksbuurt Kattenburg, waarvan de bewoners zich al in de dagen van de Bijltjes onderscheidden door hun vrijheidszin. In zijn kinderjaren werd Van Zutphen geconfronteerd met de gruwelijke uitbuiting van jonge en oude buurtgenoten, hun bittere armoede en de daarmee gepaard gaande eindeloze reeks ziektes. Zijn overigens zeer verstandige ouders vonden het vanzelfsprekend dat hij al op zesjarige leeftijd tussen vier en acht uur 's ochtends voor een kleine bijverdienste zorgde door samen met honderden andere kinderen door zeewater stijf geworden touw te ontrafelen. Doordat zijn vader als meesterknecht van een wijnkoper geregeld werk had, bleef het gezin gespaard voor werkelijke ontberingen. Van Zutphens ouders beleden een vrijzinnige menslievende vorm van christendom, wat met zich meebracht dat zij hun kinderen - in tegenstelling tot de strenge calvinisten -tegen de pokken lieten inenten. Zodoende had deze ziekte in de periode 1870 tot 1874, toen speciaal in de Amsterdamse volkswijken veel orthodox-protestanten aan de pokken bezweken, geen vat op het gezin Van Zutphen. Dat was echter wel het geval met de volksziekte bij uitstek: de tuberculose. Van bijzondere betekenis voor Jan van Zutphens latere levensloop werd dan ook het feit dat zijn moeder en oudste zuster aan tbc stierven toen hij respectievelijk tien en elf jaar oud was. Later zou ook zijn eerste vrouw aan deze ziekte overlijden. Het hierop volgende verblijf samen met zijn broer in een streng-calvinistisch pleeggezin, bezorgde hem een grondige afkeer van elke vorm van godsdienstig fanatisme.

Na het doorlopen van de lagere school maakte Van Zutphen als leerling-timmerman kennis met de nogal ruige wereld van de bouwvakkers. 's Avonds bezocht hij de avondschool, waar hij niet alleen projectietekenen leerde - hij droomde ervan architect te worden - maar ook onderwijs kreeg in Nederlands en geschiedenis. Dertien jaar oud werd hij door een val van een stellage zo ernstig aan zijn benen gewond dat hij negen maanden lang rust moest houden. Op aanraden van zijn bezorgde vader, die al voor Jans geboorte drie kinderen had verloren, koos hij het veiliger beroep van diamantslijper. Dank zij zijn voortreffelijk vakmanschap werd hij op twintigjarige leeftijd briljantslijpersbaas. Het typische mengsel van lief en leed, dat Van Zutphen in zijn jeugd ondervond, en zijn door het ouderlijk milieu gestimuleerde romantisch-idealistische inslag maakten hem welhaast bij voorbaat ontvankelijk voor F. Domela Nieuwenhuis' gevoelssocialisme. Niet armoede of verbittering dreef Van Zutphen naar het socialisme toen hij in 1883 lid werd van de Sociaal-Democratische Bond (SDB) had hij als slijpersbaas een behoorlijk inkomen maar de innerlijke drang om mee te werken aan de emancipatie van de Nederlandse arbeidersklasse. Eenmaal bekeerd tot het socialisme duurde het toch nog vrij lang voordat Van Zutphen een actieve rol in de arbeidersbeweging ging spelen. In oktober 1888 werd hij 25 jaar oud min of meer automatisch voorzitter van de volgens een partijbesluit als aparte vakgroep van de SDB-afdeling Amsterdam opgerichte Sociaal-Democratische Diamantbewerkersvereeniging, een weidse naam voor een clubje van vijftien politieke geestverwanten. Omdat de vereniging door zijn uitgesproken socialistisch karakter geen weerklank vond bij de overwegend joodse diamantbewerkers, werd zij in 1889 onder de naam Nederlandsche Diamantbewerkers Vereeniging losgekoppeld van de SDB. Deze vakbond, die een kwijnend bestaan leidde, bliezen socialisten als Henri Polak, Dolf de Levita en Herman Kuijper in 1892 nieuw leven in. Van Zutphen liet slechts incidenteel van zich horen. Ook in de SDB ontplooide hij in deze jaren weinig activiteit.

In november 1894 ontpopte hij zich geheel onverwacht als man van de daad en bleek hij in staat leiding te geven aan een plotseling opkomende massabeweging. Binnen twee dagen maakte hij van een niet door hemzelf ontketende chipsslijpersstaking van beperkte omvang al improviserend een algemene diamantbewerkersstaking, waaraan circa tienduizend vakgenoten in Amsterdam deelnamen. Dat de in meerderheid joodse diamantbewerkers zich aansloten bij de staking van christenchipsbewerkers is echter eveneens te danken aan het feit dat Henri Polak als bestuurder van de Nederlandsche Diamantbewerkers Vereeniging meteen zitting nam in het stakingscomité. Nog tijdens de staking, die binnen een paar dagen een éclatant succes opleverde, besloten Van Zutphen en Polak een algemene diamantbewerkersbond op te richten met een voorlopig neutraal karakter. In deze een week na de staking opgerichte Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkersbond (ANDB) liet Van Zutphen de leiding over aan Polak en nam zelf aanvankelijk genoegen met de positie van tweede voorzitter. Tot mei 1940 trad Polak op als bondsvoorzitter en tevens als redacteur van het Weekblad van de ANDB. Van Zutphen werd in 1898 als bondssecretaris Polaks rechterhand en bleef dit tot 1928. Vanaf 1905 had hij bovendien zitting in het dagelijks bestuur van het Wereldverbond van Diamantbewerkers. Hoe groot Van Zupthens aandeel was in groei en bloei van de ANDB - weldra het paradepaardje van de moderne vakbeweging - valt niet nauwkeurig te bepalen. Vast staat dat hij - in tegenstelling tot zijn voorganger als bondssecretaris Herman Kuijper - Polak niet een eigen visie omtrent de te volgen tactiek trachtte op te dringen. Hij erkende Polaks intellectuele superioriteit en liet hem overwegend de koers van de diamantbewerkersbond bepalen.

Van Zutphen beschikte echter over bijzondere contactuele kwaliteiten, waardoor hij binnen de bond en later ook elders geregeld tegenstellingen kon overbruggen en conflicten hielp oplossen. Met zijn overredingskracht, sociale bewogenheid, gevoel voor fair play en bezielend enthousiasme had hij als propagandist zijn weerga niet. Zeer treffend vergeleek Jan Oudegeest in De geschiedenis der zelfstandige vakbeweging in Nederland voorzitter Polak met Mozes 'die de Joden steeds murmureerend en opstandig' door de woestijn naar het Beloofde Land leidde en secretaris Van Zutphen met 'Aaron, de hoogepriester, de zielverzorger, de idealist, de biechtvader van groot en klein'. Door zijn volkse directheid en onbekrompenheid maakte Van Zutphen zich vooral bij de Belgische vakbroeders, die in hem niets van de stijve Hollander bespeurden, zeer geliefd. De basis voor zijn bijzondere relatie tot de Belgen werd gelegd in 1904 tijdens het vier maanden durende arbeidsconflict in de Amsterdamse en Antwerpse diamantnijverheid. Doordat op dat moment de voorzitter van de Belgische Algemeene Diamantbewerkersbond (ADB) Jan Bartels een gevangenisstraf uitzat en secretaris Jef Groesser zich aan gevangenneming onttrok door naar Nederland uit te wijken, werd Van Zutphen een tijd lang de feitelijke leider van de stakende Antwerpse diamantbewerkers. Vooral zijn toespraak tot de vrouwen van de stakers in het Hippodroom-paleis maakte toen indruk. Eind 1909, begin 1910 hielp hij samen met Camille Huysmans een zich jarenlang voortslepend conflict in de Belgische vakbeweging oplossen. In 1913 slaagde hij er in alweer samen met Huysmans de eenheid te herstellen onder de hopeloos verdeeld geraakte Antwerpse diamantbewerkers.

Gedeeltelijk in het kielzog van Polak, maar grotendeels op eigen wijze blies Van Zutphen in de turbulente jaren na de eeuwwisseling ook buiten de ANDB zijn partij in de Nederlandse arbeidersbeweging. In 1903 nam hij voor de ANDB zitting in de uit vrije socialisten en moderne vakbondsbestuurders samengestelde commissie, die onderzocht of sociaal-democraten al of niet terecht door Domela Nieuwenhuis en de zijnen van verraad tijdens de aprilstaking waren beschuldigd. Bij deze gelegenheid keerde Van Zutphen zich met voor zijn doen ongekende felheid in een artikelenreeks in Het Volk tegen de voormannen van het vrije socialisme met voorop Domela Nieuwenhuis, de man die hem eens de weg naar het socialisme had gewezen. In 1905 trad Van Zutphen op als secretaris in de vergadering die het historische besluit nam een Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen (NVV) op te richten. Toen Polak in 1909 uit protest tegen de uitdrijving van de marxisten op het Deventer congres alle openbare functies neerlegde, waarbij hij met leden van de SDAP Kamerfractie moest samenwerken, nam Van Zutphen zijn plaats in het dagelijks bestuur van het NVV en de Commissie van Beheer van Het Volk in. Vanaf 1907 vertegenwoordigde hij met een korte onderbreking twintig jaar lang de SDAP in de Provinciale Staten van Noord-Holland. Slechts één jaar trad hij op als SDAP afgevaardigde in de Amsterdamse gemeenteraad.

Noch in de SDB noch in de SDAP, van welke partij hij pas in augustus 1897 lid werd, heeft Van Zutphen ooit een rol van werkelijke betekenis gespeeld. Meer dan de politiek trok hem het op de praktijk van het dagelijks leven gerichte vakbonds-en sociale werk aan. De arbeid op sociaal en sociaal-medisch terrein, waarbij aan mensen in nood onmiddellijke hulp kon worden verleend, kreeg uiteindelijk Van Zutphens grootste aandacht. Hij trachtte in organisatorisch verband de nood te lenigen van bejaarden, weduwen, wezen en verwaarloosde kinderen en sprong geregeld in de bres voor mensen die individueel om zijn hulp of bemiddeling vroegen. Dat waren er zeer velen, zoals blijkt uit de zich in de archieven van Van Zutphen en de ANDB bevindende correspondentiemappen. Vanaf het begin van de eeuw namen de bestuursfuncties die Van Zutphen bij sociale instellingen bekleedde gestaag in aantal toe. Hiertoe behoorden het lidmaatschap van de Commissie van het Congres Kinderbescherming van de Nationale Vrouwenraad in 1904, het Vacantie-Kinderfeest, de Voogdijraad, de Stichting Amsterdamse Kolonieverpleging van kinderen, het Burgerlijk Armbestuur, de Commissie Burgerlijk Armbestuur van Huiszittende Armen, de Centrale ter behartiging van maatschappelijke belangen van zenuw- en zielszieken, het Algemeen Steuncomité 1914 en het Nederlandsch Comité tot Rheumatiekbestrijding. Van Zutphen, die zelf nogal eens aan ischias leed, was van de laatste organisatie vice-voorzitter. Aan het bestuurswerk van deze instellingen nam hij doorgaans zeer actief deel. Bij de behandeling van individuele gevallen lapte hij echter geregeld de gangbare bureaucratisch-paternalistische procedures aan zijn laars. Zo zorgde hij er als lid van het Algemeen Steuncomité 1914 voor, dat een oorlogswerkloze elke ochtend voor zijn deur een fles melk voor zijn zieke vrouw vond.

Zijn belangrijkste prestatie op sociaal-medisch terrein leverde Van Zutphen als bestrijder van de tuberculose. In sterke mate werd hij hierbij gedreven door het feit dat deze ziekte zoveel slachtoffers in zijn naaste omgeving had gemaakt. Zijn werkzaamheden als tbc-bestrijder begon Van Zutphen in 1898 met een geldinzamelingsactie om voor zijn vriend en partijgenoot Johan Harttorff een sanatoriumkuur mogelijk te maken. Vervolgens begon hij te zorgen voor regelmatige financiële steun aan door tuberculose getroffen diamantbewerkers, welke gaandeweg werd geïnstitutionaliseerd. Een mijlpaal daarbij betekende de oprichting in 1905 van het Diamantbewerkers Koperen Stelen Fonds (KSF). Dit fonds besteedde de opbrengst van niet meer voor het slijpen bruikbare koperen stelen plus de door klovers en snijders dagelijks in bussen gedeponeerde centen voor verpleging van aan tbc en andere ziektes lijdende ANDB-leden. In navolging van het Amsterdamse KSF stichtten korte tijd later de Antwerpse diamantbewerkers het fonds Zonnestraal en de New Yorkse vakbroeders het Diamond Workers' Copper Wire End Fund. Ondertussen begon Van Zutphen te denken aan de mogelijkheid om uit het slijpersafval zuivere diamantpoeder te distilleren geschikt voor industrieel gebruik. Als dat zou lukken, kreeg het KSF er een belangrijke nieuwe bron van inkomsten bij. Dwars tegen de opvattingen van deskundigen in bleef Van Zutphen aan deze gedachte vasthouden, totdat in 1917 de Delftse hoogleraar Henri ter Meulen zijn gelijk bewees. Dank zij een ruime gift van de juwelier Abraham Asscher kon het KSF spoedig daarop op de Amsterdamse Hoogte Kadijk een laboratorium voor de zuivering van slijpersafval in gebruik nemen. In 1919 het jaar waarin de ANDB zijn 25-jarig bestaan vierde leverde de verkoop van het gezuiverde diamantslijpsel al een bedrag van vier en een kwart miljoen gulden op.

In hetzelfde jaar kocht het KSF de zich in de omgeving van Hilversum bevindende Pampahoeve met bijbehorende uitgestrekte terreinen. Op advies van medicus Ben Sajet en architect Jan Duiker werd besloten hier naar het voorbeeld van de Engelse Papworthorganisatie een sanatorium te vestigen, waar bijzondere aandacht zou worden geschonken aan de nazorg van patienten in de vorm van arbeidstherapie. Om een omvangrijk project als het sanatorium Zonnestraal (de naam werd overgenomen van het Belgische koperen stelenfonds) met bijgebouwen voor arbeidstherapie te kunnen financieren, bleek het nodig te zijn er een algemene of neutrale instelling van te maken. De binding met het uit de ANDB voortgekomen KSF, dat de Pampahoeve en bijbehorende grond voor een symbolisch bedrag aan het KSF afstond, bleef uiteraard. Zo werd bij de opening van het sanatorium in 1928 de voorzitter van het KSF Isidore Voet (hij was tevens lid van het dagelijks bestuur van de ANDB) meteen in het dagelijks bestuur van Zonnestraal opgenomen. In de crisisjaren dertig bleek het uiterst moeilijk om bij handhaving van de formule medische verpleging plus arbeidstherapie de begroting van Zonnestraal rond te krijgen. Doordat Van Zutphen met grote hardnekkigheid aan deze formule vasthield, raakte hij met verschillende dagelijkse bestuurders in de clinch. Zo trok de directeur van de Amsterdamse Gemeentelijke Geneeskundige Dienst (GGD) Louis Heijermans, die Van Zutphen 'hobbyisme' verweet, zich in 1935 op sierlijke wijze uit dit bestuur terug. Hoe dan ook, als onvermoeibaar geldinzamelaar van Zonnestraal werd Van Zutphen met zijn spectaculaire baard in deze tijd een nationale figuur. Buitengewoon creatief was hij in het vinden van steeds nieuwe bronnen van inkomsten. Zo organiseerde hij weldadigheidsvluchten van postduiven - het kweken van postduiven was al tijdens zijn jeugd in Kattenburg een van zijn geliefkoosde hobby's - die flink wat geld in het laatje brachten.

Voor Van Zutphen, die in november 1918 met P.J. Troelstra een dag lang zijn hoop had gevestigd op een machtsovername door de Nederlandse arbeidersklasse, werd door de onbekrompen wijze waarop een aantal diamantairs hem financieel steunde bij de bestrijding van tuberculose (behalve de al genoemde Asscher schonken ook Johan Smit en Arnold van Moppes, stichters van 's werelds grootste concerns op het gebied van industriediamantfabricage, regelmatig belangrijke bedragen aan Zonnestraal) de klassenstrijd onwillekeurig toch van minder groot belang. Van meet af aan had hij trouwens het socialisme slechts als één van de middelen beschouwd om te komen tot het doel, waaraan hij in een opdracht - geschreven in een in maart 1943 aan Henriette Roland Holst geschonken brochure - refereert: het algemeen menselijk geluk. Om dit doel te bereiken had men volgens Van Zutphen God niet nodig maar wel de mensen van goede wil. Die vond hij ook bij andersdenkenden, onder meer als lid van het Humanistisch Verbond. Ook het pacifisme vormde een essentieel onderdeel van Van Zutphens levensfilosofie. In 1912 werd hij door de ANDB afgevaardigd naar het Internationaal Vredescongres te Bazel. Tijdens de Eerste Wereldoorlog trad hij toe tot de Nederlandsche Anti-Oorlog Raad (NAOR). Direct na deze oorlog was hij actief betrokken bij de oprichting van de Vereeniging voor Volkenbond en Vrede. Na afloop van de Tweede Wereldoorlog meende hij de broederschap van alle mensen te kunnen bevorderen door lid te worden van de Wereldfederalisten Beweging en de Stichting RC2 die streefde naar de vorming van een wereldregering.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog trad Van Zutphen op uiterst karaktervolle wijze de bezetters en hun Nederlandse collaborateurs tegemoet. Doordat rijkscommissaris A. Seyss Inquart hem ongevraagd bombardeerde tot lid van de Ereraad van de Winterhulp en hij bovendien gedwongen werd twee NSB-ers in het dagelijks bestuur van Zonnestraal op te nemen, verspreidde zich het nogal hardnekkige gerucht dat hij 'fout' was. Zodra Van Zutphen echter vernam dat de Winterhulpleiding niet-meewerkende ambtenaren met straf bedreigde, nam hij zijn ontslag uit de Ereraad. Dat bleek trouwens lang geen eenvoudige zaak. In november 1941 protesteerde hij in een brief aan M.M. Rost van Tonningen, redacteur van Het Nationale Dagblad, fel tegen een in diens blad gepubliceerd smerig antisemitisch stuk. Er klopte niets van de in het 'artikel, overvloeiend van Jodenhaat' gemelde feiten, aldus Van Zutphen. Hij schreef bovendien: 'Zij, die als ik, een leven lang naast en met joden werkten, en, hen grondig leerden kennen, weten, dat in hun leven de liefdadigheid zonder pralerij voorbeeldig werd betracht, en dat zij hoe arm soms ook altijd nog iets te missen hebben voor noodlijdenden, ongeacht uit welk levensmilieu.' Toen in maart 1943 de Duitsers de joodse verpleegden van Zonnestraal trachtten te deporteren, konden zij met hulp van het sanatoriumpersoneel vrijwel allen vluchten. Uit protest tegen dit optreden van de Duitsers trad Van Zutphen af als voorzitter van het dagelijks bestuur van Zonnestraal. Samen met zijn tweede vrouw nam hij bovendien de zorg op zich voor meer dan honderd joodse onderduikers.

Ook na 1945 bleef Van Zutphen actief betrokken bij de bestrijding van de sinds de oorlog weer sterk toegenomen tuberculose. De verplichte doorlichting van scholieren is mede aan zijn intiatief te danken. Pas in 1956 trok hij zich definitief terug uit het Zonnestraalwerk. Toen de ANDB in 1955 wel de leiding had van de staking van 850 diamantbewerkers die drie maanden zou duren maar zich er in een periode dat staken ongebruikelijk was er niet erg voor inspande, deed de 92-jarige Van Zutphen dit wel. Tijdens zijn lange arbeidzame leven schreef hij vele, vaak zeer levendige artikelen in diverse periodieken als het Weekblad van de ANDB, Het Volk, het Antwerpse blad De Volkstribuun (onder het pseudoniem Brinio) en Zonnestraal, dat hij zelf redigeerde. Zijn kunstzin bleek uit een jarenlang optreden als korist in De Stem des Volks en het vervaardigen voor eigen gebruik van gevoelige natuurpoëzie.

Archief: 

Archief J.A. van Zutphen in IISG (Amsterdam; vgl. Campfens, 239); Radiocauserieën met herinneringen aan zijn jeugd, de diamantnijverheid en de vroege tijd van het socialisme in Amsterdam op cassettebanden in Gemeentearchief Amsterdam en Stichting Film en Wetenschap (Utrecht).

Publicaties: 

Het fonds 'Nieuwe Levenskracht' (het Diamantbew. Koperen Stelenfonds). Een bijdrage tot den strijd tegen de tuberculose (Amsterdam 1906); Over de bergen. Indrukken van een reis door Zwitserland en de Fransche Jura, ter gelegenheid van het 2de congres van het Wereldverbond van Diamantbewerkers, juni 1907, te Saint-Claude (Amsterdam 1907); Een bijdrage tot de strijd tegen tuberculose (Amsterdam 1907); Terugblik. Het diamantbewerkers koperen stelenfonds 'Nieuwe Levenskracht' na 20 jaren (Amsterdam 1925); Waarom tegen 'Het Roode Kruis'? Is dat anti-oorlogs-actie? (Amsterdam 1933); Zonnestraal in oorlogstijd (Utrecht 1945); J.J. van Loghem e.a. (red.), Wat het leven mij heeft geleerd' (Arnhem 1951); 'Van het begin naar verder...' 5 afleveringen in: Socialistisch Perspectief, 1956, nr. 4-7 en 10.

Literatuur: 

Scipio, 'Silhouetten uit de arbeidersbeweging' in: De Jonge Gids, 1898-1899, 716-717; C.A. van der Velde, De ANDB. Een overzicht van zijn ontstaan, ontwikkeling en beteekenis (Amsterdam 1925); 'Jan van Zutphen 75 jaar' in: Vooruit, 20.9.1938 (avondblad); B. Diamant, 'Ome Jan 85 jaar' in: De Vlam, 9.10.1948; J.v.d.S., 'Een winterdag met zonnestralen op Mijnheer van Zutphen en het Sanatorium' in: De Groene Amsterdammer, 12.9.1953; Weekblad (ANDB), 7.10.1953 (bevat bijdragen ter gelegenheid van Van Zutphens negentigste verjaardag); 'Jan van Zutphen drong door tot de harten' in: Het Parool, 7.6.1958; A. Scheffer, Ome Jan. Het leven van Jan van Zutphen (Amsterdam 1958); T. Idsinga, Zonnestraal. Een nieuwe tijd lag in het verschiet (Amsterdam 1986); S. Bloemgarten, Henri Polak. Sociaal democraat 1868-1943 (Den Haag 1993); G.W.B. Borrie, Monne de Miranda. Een biografie (Den Haag 1993); P. Hoekman, J. Houkes, De Weezenkas. Vereniging op de grondslag van het beginsel 'Opvoeding zonder geloofsdogma' 1896-1996 (Amsterdam 1996); D. Bos, Waarachtige volksvrienden. De vroege socialistische beweging in Amsterdam 1848-1894 (Amsterdam 2001).

Portret: 

J.A. van Zutphen, 1895, IISG

Auteur: 
Salvador Bloemgarten
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 3 (1988), p. 240-246
Laatst gewijzigd: 

19-07-2002