BRAAMBEEK, Hendrik Jan van

Hendrik Jan van Braambeek

vakbondsleider en sociaal-democratisch Kamerlid, is geboren te Warffum op 22 januari 1880 en overleden te Renkum op 25 juni 1960. Hij was de zoon van Adrianus Jacobus van Braambeek, onderwijzer, en Cornelia Paulina Plaat. Op 28 december 1906 trad hij in het huwelijk met Maria Kopper, met wie hij twee dochters kreeg.

Van Braambeeks ouders waren welgesteld genoeg om hem de Hoogere Burger School in Warffum en Groningen te laten doorlopen. Hij behaalde daarna het vakdiploma bouwkunde en kwam in dienst van de afdeling Weg en Werken van het Staatsspoor met als standplaats Zutphen. Hij sloot zich aan bij de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) en de Nederlandsche Vereeniging van Spoor- en Tramwegpersoneel (NV). Hij raakte zeer bevriend met Henk Sneevliet, die net als hij rond 1900 in Zutphen bij het Staatsspoor als aspirant-adjunct-kommies zijn loopbaan begon. Als administratief personeel waren zij niet bij de staking van 1903 betrokken, maar zij hadden wel met de gevolgen te maken. Van Braambeek was solidair met de stakers maar schreef: 'De vakbeweging was nog niet verder. Zij riep helden op, geen rekenmeesters'. Van de NV was weinig overgebleven en Van Braambeek zette zich in voor de wederopbouw van de nu half-legale organisatie. In 1908 kwam hij in de gemeenteraad van Zutphen. Hij behoorde in de SDAP tot de marxistische vleugel en was een van de 48 ondertekenaars van een manifest, dat wel de scherpslijperij van de Tribune-redacteuren veroordeelde maar tegen het beleggen van een buitengewoon congres was. Dit zou de tegenstellingen alleen maar verscherpen en het gevaar van scheuring vergroten. Toen er niettemin toch een buitengewoon congres kwam en de Tribune-redacteuren werden geroyeerd, bedankte Van Braambeek uit protest tegen dit royement voor de gemeenteraad maar hij bleef lid van de SDAP. Ook in de NV verscherpten zich de tegenstellingen tussen rechts en links. Het congres in 1911 koos Sneevliet tot voorzitter en Piet Moltmaker, die tot de rechtervleugel behoorde, tot vice-voorzitter. Moltmaker, die zich niet met het beleid van Sneevliet kon verenigen, trad al een paar maanden later af. In dit bestuur was Van Braambeek tweede secretaris. In 1911 verklaarde Sneevliet zich solidair met de zeelieden- en havenstaking, die wel de steun had van de Internationale Transportarbeiders Federatie maar niet van het Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen (NVV). Van Braambeek stond achter Sneevliet en op het NV-congres in 1912 verdedigde hij diens beleid. In een door hem ingediende motie sprak hij uit dat het leden van NVV-bonden vrij stond zich naar eigen goeddunken politiek te organiseren. Sneevliet had namelijk de SDAP verlaten en zich aangesloten bij de Sociaal-Demcratische Partij, die uit de SDAP was voortgekomen. P.J. Troelstra beschouwde dit als een politieke vertrouwensreuk. Een kleine meerderheid verwierp de door Van Braambeek ingediende motie. Sneevliet, Van Braambeek en N. Nathans verklaarden zich niet meer beschikbaar te stellen voor een bestuursfunctie. Hierop werd Moltmaker als enig overgebleven kandidaat tot voorzitter gekozen. Sneevliet aanvaardde een baan in het toenmalige Nederlandsch-Indië. Van Braambeek maakte een politieke ommezwaai en verzoende zich weldra met Moltmaker. In 1913 behoorde hij in de SDAP tot de tegenstanders van het aanvaarden van regeringsverantwoordelijkheid. Hij was van oordeel 'dat de verscherping van den klassenstrijd, die zich in het land openbaarde in de vele stakingen, weigering van de portefeuilles gebood. "Daarom zijn wij zoo bang voor de wegen van diplomatie die nu gevolgd zijn. ... Over de partijleiding heen, zal het proletarisch bewustzijn het 'Voorwaarts!' doen hooren!"'. Hij werd in het hoofdbestuur van de NV gekozen en in 1921 werd hij secretaris. Sneevliet was over deze handelwijze zeer verbolgen en verklaarde niet te begrijpen ooit een vriend van Van Braambeek te zijn geweest. Terugblikkend zegt Van Braambeek: 'zo eenvoudig was het niet om de NV in "marxistisch" vaarwater te krijgen ... Vakverenigingsarbeid kan nu eenmaal moeilijk anders dan langs reformistische en opportunistische banen plaats hebben. Al waren dus onze theorieën van zuiver water, de practijk liet zich daardoor niet al te sterk beroeren'.

Van Braambeek werd in 1919 gekozen in de Provinciale Staten van Gelderland. Hij moest deze functie in 1920 neerleggen vanwege overplaatsing (een machtig wapen van de spoorwegdirectie) naar Den Bosch en bedankte noodgedwongen ook voor de gemeenteraad. Tijdens de gebeurtenissen van november 1918 had Van Braambeek Troelstra niet laten vallen en in het bondsorgaan geschreven: 'Wij allen verlangen, dat onze wenschen zullen vervuld worden zonder ongeregeldheden, zonder verzet, zonder bloedvergieten, maar meer nog dan dàt verlangen we de inwilliging onzer eischen, de volkomen gelijkberechtigdheid met de heerschers'. In 1918 had hij in Gelderland op de derde plaats van de lijst voor de Tweede Kamer gestaan. Er werden echter slechts twee SDAP-ers gekozen. Toen H.G.M. Hermans, die in 1921 tweede stond, de voorkeur gaf aan het wethouderschap in Arnhem, nam Van Braambeek diens plaats in de Tweede Kamer in. Hiervan bleef hij tot 1946 lid. Hij behartigde er speciaal de belangen van het spoorwegpersoneel. Er werd naar hem geluisterd vanwege zijn grote kennis van het spoorwegbedrijf uit eigen waarneming en ervaring. P.J. Oud vermeldt hem eenmaal in zijn standaardwerk van de geschiedenis der parlementaire politiek vanwege diens opvatting dat het wegvervoer belast zou moeten worden, omdat het gratis van het wegennet gebruik maakte, terwijl de spoorwegen de aanleg van spoorlijnen zelf moesten bekostigen. Iedereen was tegen zijn voorstel. Ook de SDAP-Kamerleden wilden er niets van weten. Naast zijn Kamerwerk bleef hij secretaris van de NV met Moltmaker als voorzitter. W.H. Vliegen schreef over dit tweetal 'Kan Van Braambeek wel vooral beschouwd worden als de voorzichtige, beredeneerde strateeg, als chef van den generalen staf, Moltmaker is de vechtgeneraal, de agitator, de aanvoerder'. Onder hun leiding groeide de NV uit tot een sterke vakorganisatie en ontstond een betere relatie met de spoorwegdirectie. Van Braambeek was geen veelschrijver. Het bleef bij enkele brochures en slechts één keer een recensie in De Socialistische Gids, en wel van A.J.C. Rüter's boek over de spoorwegstakingen van 1903 (1936, pp. 525-32). Bij het vijftigjarig bestaan van de NV was hij de aangewezen auteur voor het gedenkboek Van lichten en schiften, Gedenkboek van de Nederlandsche Vereeniging van Spoor- en Tramwegpersoneel 1886-1936 (z.pl. 1936). Hierin sprak hij zijn bewondering uit voor Moltmaker en plaatste diens portret voorin het gedenkboek. Als geschiedschrijver zocht hij zijn kracht in feiten en veel cijfers. Dit kwam de leesbaarheid niet ten goede. Toen hij zestig jaar werd, had hij volgens de bondsegels recht op pensioen maar het bondsbestuur vroeg hem aan te blijven. Slechts enkele maanden was hij hiertoe bereid. Op 1 september 1940 trad hij af als scretaris van de NV en op 9 september als voorzitter van de Personeelsraad van de Nederlandse Spoorwegen, waarvan hij vanaf de oprichting op 1 januari 1926 lid was geweest. Zijn mening over de Duitse bezetter was helder. In Het Weekblad, het orgaan van de NV, schreef hij: 'Wij zijn geen slaven en ook al zijn we thans een onderworpen land, we hebben nog genoeg van ons volkskarakter over, om fier te blijven en rechtop te blijven lopen'. De door H. Colijn uitgebrachte brochure Op de grens van twee werelden bekritiseerde hij in Het Weekblad van 13 juli 1940. Hij veroordeelde diens aanval op de parlementaire democratie en richtte zich daarmee indirect tegen de bezetter. De crematie van Van Braambeek in 1960 vond te Dieren in stilte plaats.

Publicaties: 
Ons streven. Uiteenzetting van het standpunt der Nederlandsche Vereeniging (Amsterdam z.j.); (met W. Kerremans) Het Taylor-stelsel. Pro en contra betreffende vraagstukken van algemeen belang (Baarn 1916); 'De "Arbeitsfreudigkeit"' in: Economisch-Statistische Berichten, 1919, 1123; 'Nog eens de "Arbeitsfreudigkeit"' in: Economisch-Statistische Berichten, 1919, 1163; Naar de socialisatie van de spoorwegen (Utrecht 1921; rede op 17 juli, tevens Rapport betreffende de mogelijkheid en wenschelijkheid van socialiseering van het spoor- en tramwegpersoneel); Met dubbele tractie! Een woord tot het spoor- en tramwegpersoneel naar aanleiding van de Tweede Kamerverkiezingen (Amsterdam 1922); 'De spoorwegtekorten', 2 afl. in: Economisch-Statistische Berichten, 1922, 772 en 794; 'Een transportinstituut' in: Economisch-Statistische Berichten, 1929, 988; Het plan van de arbeid en het vervoerswezen (Utrecht 1935, vier drukken); (met W. Drop e.a.) Het plan van de arbeid en de binnenscheepvaart (Amsterdam 1937).
Literatuur: 
Vliegen, Kracht II, 570-3; Weekblad, 31.8.1940; P.J. Oud, Het jongste verleden. Deel II (Assen 1948) 56-7; F. Landskroon, Crisis / bezetting / wederopbouw. Twintig jaren geschiedenis van de Nederlandse Vereniging 1936-1956 (Utrecht 1957) 155-8; A.J.C. Rüter, Rijden en staken (Den Haag 1960) 64-5; M. Perthus, Henk Sneevliet revolutionair-socialist in Europa en Azië (Nijmegen 1976); G. Harmsen, F. van Gelder, Onderweg. Uit een eeuw actie- en organisatiegeschiedenis van de Vervoersbonden (Baarn 1986); H. Buiting, Richtingen- en partijstrijd in de SDAP (Amsterdam 1989); H. Noordegraaf, Henri van den Bergh van Eysinga 1868-1920 (Zutphen 1991); N. Markus (red.),'Waarom schrijf je nooit meer?'. Briefwisseling Henriette Roland Holst - Henk Sneevliet (Amsterdam 1995).
Portret: 
Hendrik Jan van Braambeek, IISG
Auteur: 
Ger Harmsen
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 8 (2001), p. 21-24
Laatst gewijzigd: 
00-00-2001