FIMMEN, Eduard Carl

Edo Fimmen

(roepnaam: Edo), Nederlands en internationaal vakbondsleider, is geboren te Nieuwer Amstel op 18 juni 1881 en overleden te Cuernavaca (Mexico) op 14 december 1942. Hij was de zoon van Eduard Hermann Johann Fimmen, koopman, en Therese Ansoul. Op 18 januari 1906 trad hij in het huwelijk met Julie Lucie Cornelia (Nelly) Miche, met wie hij een dochter en een zoon kreeg. Hij bleef met haar getrouwd, maar in december 1922 ontmoette hij de Duitse journaliste Alida Kämmerer (sinds 1939-1940 Alida de Jager), met wie hij twee dochters kreeg.
Pseudoniemen: Edo, Nel Jaccard.

Fimmen bezocht in Amsterdam de bekende Openbare Handelsschool (1894-1899), toen nog gevestigd in het Huis met de Hoofden. Fimmen, wiens beide ouders van Duitse herkomst waren, had een bijzonder talent voor talen. Hij sprak en schreef vloeiend Frans, Duits en Engels. Omdat zijn vader stierf toen hij zestien jaar was, betaalde hij zijn studie zelf door vertaalwerk. Hij vervulde zijn militaire dienst en was waarschijnlijk daarna enige tijd soldaat in het Leger des Heils. De militaire Organisatie daarvan beviel hem niet, maar voor de christelijke inzet van allen had hij grote waardering. In deze tijd ontmoette hij Lo(dewijk) van Mierop, Nederlands-Hervormd en student in de theologie aan de universiteit van Amsterdam en mogelijk door hem ook Menno Huizinga Jr., doopsgezind theologisch student te Amsterdam. Samen met Huizinga Jr. en gesteund door de wat oudere Van Mierop en Felix Ortt (christen-anarchisten rond het blad Vrede, waarin van Fimmen in 1901 enkele brieven onder het pseudoniem Edo verschenen) zette hij de Rein Leven-Beweging op, met als orgaan het blad Rein Leven. Het doel luidde: 'een groep eenswillende jonge mannen in menig opzicht verschillend: in opvoeding, in werkkring, in kennis, in geloof; maar één in streven naar volkomen reinheid van lichaam en ziel!' Aanvankelijk waren Fimmen en Huizinga de redacteuren (1901-1902). Al zijn vrije tijd tussen 1901 en 1908 gaf Fimmen aan deze beweging. Hij deed dit als propagandist, vooral tegen de prostitutie, ook onder studenten en soldaten, als voorzitter van de groep Amsterdam en vrijwel altijd als voorzitter van de half-jaarlijkse algemene vergaderingen. In deze tijd was hij orthodox-protestant en vormde binnen de Rein Leven-Beweging in 1904 het Christen Rein Leven-Verbond. De kwestie 'vrij' huwelijk of 'burgerlijk' geregistreerd huwelijk zou tussen 1905-1908 de relatief kleine beweging splijten. Fimmen en anderen ontkenden dat de beweging anarchistisch was. In plaats van de warmte, bezieling en 'liefde tot het verlorene' was er nu veel getheoretiseer en studie, maar weinig praktisch werk. Hij probeerde, door te wijzen op de noodzaak van het laatste tegen de ellende van de prostitutie, de kloof te helen. Tenslotte zou hij nog eens als redacteur optreden (1907-1908). Tevoren was hij al afgetreden als bestuurslid, wat 'zeer onaangenaam kan genoemd worden, daar hij immers de spil was van de geheele afdeeling, zoowel als leider der vergadering of als propagandist voor onze beginselen' (1906). In de tweede periode van zijn redacteurschap van Rein Leven kwam hij in conflict met Van Mierop. Hij nam toen afscheid van het blad, dat als Levenskracht werd voortgezet, en de beweging wegens 'overdrukke particuliere werkzaamheden'.

Fimmen was ook lid van de Vereeniging tot bestrijding van het Neo-Malthusianisme (1904) en droeg in 1904 onder de namen Nel Jaccard en Edo artikeltjes bij in Tegen Leugen en Geweld, een soort nevenblad van Vrede, onder redactie van Van Mierop. Onder de naam Nel Jaccard (de voornaam 'leende' hij van zijn latere vrouw en de achternaam van haar Zwitserse moeder, A.J. Miche-Jaccard) was hij vertaler op de internationale antimilitaristische conferentie van 26 tot 28 juni 1904 te Amsterdam, die leidde tot de oprichting van de Internationale Anti Militaristische Vereeniging (IAMV). Op instigatie van Domela Nieuwenhuis was hij op de laatste dag voorzitter, waar hij - gerekend tot de christenanarchisten - tegenover de Fransen vast hield aan het standpunt, dat hij als positief christelijk denkend man ook socialist kon zijn, dus godsdienstig en revolutionair. Dit werd door de conferentie afgestemd. Hier was hij voor dienstweigering, maar ook voor algemene werkstaking in geval van oorlog.

Als kantoorbediende, waarschijnlijk correspondent bij de American Petroleum Company werd Fimmen, tijdens de staking in 1903 lid van de afdeling Amsterdam van de Nationale Bond van Handels- en Kantoorbedienden. Bij de bestuursverkiezing, januari 1904, was G.J.A. Smit - die zich ontwikkelde tot sociaal-democraat - door de oppositie voorgesteld als kandidaatvoorzitter. Fimmen stelde tegenover hem G.L. Niermeyer kandidaat, die werd gekozen. Niermeyer stelde Fimmen voor als secretaris, die eveneens gekozen werd al was hij nog minderjarig (22 jaar). Een bericht hierover in het Nieuws van den Dag maakte dat Fimmen moest kiezen: zijn baan behouden of secretaris worden. Hij bedankte als secretaris maar nam ook ontslag uit zijn functie. Waarschijnlijk verdiende hij tijdens de periode(n) van werkloosheid de kost met het vertalen van boeken; uit het Duits: C. Hilty, De kunst van het arbeiden (1903) en Geluk (1903); uit het Engels: Mrs. Campbell Pread, Nyria in twee delen (1904); uit het Frans: Ch. Burlureaux, Wat volwassen meisjes wel eens mogen weten (1905), alle uitgekomen bij J.C. Dalmeyer te Amsterdam.

Op 22 oktober 1905 was hij een van de oprichters van de Algemeene Nederlandsche Bond van Handels- en Kantoorbedienden (de Algemeene), die zich aansloot bij het NVV per 1januari 1906. Hij was eerst penningmeester (1905-1907) en daarna de eerste vrijgestelde secretaris van deze bond (25 december 1907 - 10 februari 1916). Na een half jaar proefdraaien werd hij ook redacteur van het bondsblad Onze Strijd (december 1909 - 10 februari 1916). Hierin schreef hij talrijke artikelen en debatteerde scherp met concurrerende, minder militante verwante organisaties. In 1909 verdedigde hij met succes binnen de Algemeene de gelijke salariëring voor mannelijke en vrouwelijke bedienden met S. Cohen tegen Grönloh (Nescio) en S. Goudeket, die op dit punt tegen het bondsbeleid ingingen. In hetzelfde jaar had hij een felle briefwisseling met SDAP secretaris J.G. van Kuykhof over de winkelsluitingstijd om acht uur 's avonds. De SDAP steunde de Algemeene hierin niet. Overigens was Fimmen, toen wonend in de Transvaalbuurt, per 21 juli 1909 lid van de SDAP Amsterdam III geworden. Dit was niet toevallig: Wijnkoop was toen uit de SDAP en geen voorzitter meer van Amsterdam III. Na 1910 was hij lid van Amsterdam IX en na 1913 van de SDAP-afdeling Bussum. Zoals eerder op de vergaderingen van zijn jeugdbond, sprak Fimmen ook voor de Algemeene meeslepend en debatteerde fel maar fair. Tegenover Treub als feestredenaar op het congres van een oudere bond stelde Fimmen in een motie, dat ook werkstaking tot de wettige strijdmiddelen van handels- en kantoorbedienden behoorde. Deze motie werd aangenomen (1907). Het secretarisschap van de Algemeene hield ook de 'buitendienst' in, contact met de afdelingen. Fimmen was een goed organisator. Hij was de ziel achter de stakingen van 1910 (bij Norden in galanterieën wegens onbetaald overwerk) te Rotterdam en in 1912 (bij de Franse bazar wegens nieuwe slechte arbeidsregeling) te Groningen. Niet alles in de Algemeene was pais en vree. Grote moeilijkheden ontstonden tussen Fimmen en G.J.A. Smit Jr., tweede bezoldigde sinds maart 1910 (penningmeester). Oud zeer (1904!) en ambitie waren wel de reden van een weinig gefundeerd kritisch rapport van Smit tegen Fimmen, die na het vertrek van Niermeyer als voorzitter een bondgenoot kwijt was. Het liep zo hoog, dat Fimmen zich in 1912 niet herkiesbaar stelde als secretaris. Het rapport van Smit en een verweer-rapport van Fimmen werden kritisch bezien. Uiteindelijk bleven beiden in het bestuur. Er was eerder sprake van persoonlijke strijd dan van verschil in tactiek of strategie.

Was Fimmen sinds 1907 al voor de Algemeene lid van het verbondsbestuur van het NVV - waar hij zijn stem liet horen over de betaling van bedienden in dienst van de bonden - en in 1912 lid van het dagelijks bestuur van het NVV, in 1915 werd hij tot secretaris van het NVV benoemd. Hij begon daar in februari 1916 met zijn werk. Ten gevolge van de Eerste Wereldoorlog waren de taken van het NVV zeer toegenomen. Fimmen werd secretaris van de Centrale Commissie voor de Levensmiddelenvoorziening in 1917 en in hetzelfde jaar adviseur van minister Posthuma. Dit ambt legde hij neer in 1918, toen diens opvolger geen behoefte aan adviezen had. In november 1918 zat hij de gezamenlijke vergadering van SDAP en NVV voor over de aan de regering te stellen eisen, waarvan de verkorting van de arbeidstijd de belangrijkste was.

In 1910 was Fimmen tevens onbezoldigd secretaris van het Internationale Handlungsgehilfen-Sekretariat (IHS) geworden, waarvoor hij ook de uitgave van het Bulletin verzorgde. Het werk werd onderbroken door de oorlog. Daarna besloot het IHS met een vroegere rivaal samen te gaan in de Fédération Internationale des Employés et Techniciens (FIET), nadat tevoren Fimmen op 5 oktober 1920 was gedechargeerd als internationaal secretaris. Ook bij het NVV zou Fimmen steeds meer in de internationale sfeer komen. In 1917 woonde hij het internationale congres van vakverenigingen in Bern bij. Uiteindelijk leidde dit tot de oprichting in juli 1919 van het Internationaal Verbond van Vakvereenigingen (IVV). Hiervan werden Fimmen en Jan Oudegeest de beide secretarissen in plaats van de Duitser C. Legien, die voor verschillende aangesloten bonden onacceptabel was. In de oorlog hadden Fimmen en Oudegeest al een klein bureau in Amsterdam gehad als contactadres. Nu werd Amsterdam ook de standplaats van het IVV.

Fimmen nam in 1919 afscheid van het NVV, omdat hij in april 1919 op de eerste conferentie van de International Transport Workers' Federation (ITF) te Amsterdam tot secretaris was benoemd, op voorstel van Oudegeest, die oude banden had met de vooroorlogse organisatie. Deze benoeming werd bevestigd op het congres in Christiana (= Oslo) in 1920. Dit secretariaat combineerde hij dus met dat van het IVV. In deze dubbele functie had Fimmen grote invloed bij het uitstippelen van de politiek van het IVV, al dan niet samen met de ITF, zoals: hulp aan Oostenrijkse kinderen (eind 1919), boycot van Hongarije tijdens de 'witte terreur' na Bela Kun (juli-augustus 1920), het tegenhouden van de aanvoer van wapens naar Polen, die werden gebruikt tegen de jonge Sovjet-Unie (augustus 1920), en hulp aan hongerend Rusland (1921-1923). In dit laatste geval werkten IVV en ITF gescheiden van de Internationale Arbeiders Hulp (IAH, 1921), waarvan Fimmen persoonlijk lid was geworden. Met bezorgdheid zag Fimmen de fascistische mars naar Rome en de rechtse cornplotten in Duitsland. Mede onder zijn invloed organiseerde het IVV de internationale vredesconferentie in Den Haag (december 1922), waar hij zijn befaamde Oorlog-tegen-de-oorlogspeech hield. Waarschijnlijk kreeg Fimmen hier voor het eerst contact met de Russen en onderzocht de mogelijkheid van een verenigde strijd tegen kapitalisme, imperialisme en fascisme. De bezetting van het Roergebied (januari 1923) door Franse en Belgische legers om betaling van de oorlogsschade te krijgen (volgens het verdrag van Versailles), kon het IVV niet voorkomen door een algemene staking. Fimmen schreef toen het artikel 'Black January' in de ITF-News Letter van 1 februari 1923. Het bleek een keerpunt te zijn in zijn concept voor een andere vakbondspolitiek. De ITF nam deel aan geheime besprekingen in Berlijn in 1923 met Russische vakbondsleiders en kwam tot samenwerking. Dit bracht een schok teweeg. Fimmen nam de verantwoordelijkheid en trad terug als secretaris van het IVV in 1923. Zijn aftreden als secretaris van de ITF werd niet geaccepteerd. In de volgende jaren zou Fimmen twee doeleinden nastreven: een sterke positie voor de bij de ITF aangesloten bonden alsook uitbreiding van de ITF naar bonden in de koloniën en semi-koloniën en strijd voor vrede tegen imperialisme, fascisme en kolonialisme. Hij propageerde de eenheid van de bonden, die in bepaalde landen (Frankrijk, Duitsland, Italië) ten dele aangesloten waren bij het IVV en ten dele bij de Rode Vakbewegings Internationale (RVI) te Moskou. Hij schreef een voorwoord bij de Nederlandse vertaling van het verslag van de Britse vakbondsdelegatie naar Rusland (1925) en propageerde de Verenigde Staten van Europa (1924) in het blad van de ITF, later verschenen onder de titel: Labour's Alternative.

In Nederland was Fimmen redacteur van het blad Eenheid (1926-1928), dat de eenheid in de Nederlandse vakbeweging propageerde (NAS samen met het NVV). Hiermee haalde hij zich de woede van Nederlandse vakbondsleiders als Oudegeest en Henri Polak op de hals. Met Oudegeest was de verhouding al rond 1920 slecht geworden. Waarschijnlijk moest hij dit propageren van eenheid staken, teruggefloten door de ITF, die beïnvloed was door vertogen vanuit Nederlandse NVV kring. Daarna gaf hij vanaf 6 oktober 1928 met P.J. Schmidt en J. de Kadt De Socialist (Links Socialistisch Weekblad) uit. Dit redacteurschap legde hij neer op 27 juli 1929. Hij was te weinig in Nederland om redacteur te zijn, maar wilde wel medewerker zijn. De Socialist verwoordde een linkse oppositie binnen de SDAP, die zou uitlopen op een splitsing in 1932 en het ontstaan van de Onafhankelijke Socialistische Partij (OSP). Hiervan was hij enkele maanden voorzitter. Ook dat ging te ver, zodat de ITF-secretaris opnieuw tot de orde werd geroepen. In deze tijd maakte hij bepaalde radicale keuzen: de OSP in plaats van de SDAP alsook het optreden voor de vrijdenkersbeweging - in 1931 stond hij op hun sprekerslijst in plaats van zijn vroegere christelijke overtuiging.

Bevriend met Willi Münzenberg, werd Fimmen lid van verschillende door deze opgezette (mantel)organisaties, zoals de Internationale Rode Hulp (IRH), voortgekomen uit het Revolutionaire Rode Kruis (december 1924) en de Liga tegen imperialisme en koloniale overheersing en werkte mee aan het periodiek Recht en Vrijheid (1927), zo bijvoorbeeld met het artikel 'Van "zonnestelsels" en "cellenbouw" '. Op het congres van de Liga te Brussel (1927) was Fimmen aanwezig maar verliet na het congres te Frankfort (1929) deze organisatie, toen samenwerking met de Komintern onmogelijk bleek. In Italië tijdens Mussolini en in Duitsland na 1933 probeerde de ITF hulp te bieden, te bemoedigen door pamfletten en periodieken binnen te smokkelen, geld over te brengen voor vroegere vakbondsleden en zo nodig mensen binnen of buiten het land te brengen. Deze Organisatie had een centrum in Antwerpen. Fimmen wenste elke betrokkene persoonlijk te kennen. Er mochten geen verbindingen met politieke partijen zijn, mogelijk uit vrees voor agenten of spionnen, misschien ook wegens de tegenstelling tussen communisten en sociaal-democraten. Na 1936 kwam de hulp aan loyalistisch Spanje onder andere ook door het leveren van wapens. In al deze operaties werkte hij nauw samen met N. Nathans en J.H. (Jaap) Oldenbroek. Met de in Amsterdam gevestigde internationale beroepssecretariaten (van onder meer fabrieksarbeiders en bedienden) vond geregeld overleg plaats over samenwerking. De kritiek op Fimmen groeide ook binnen de ITF, omdat de hulpacties duur waren. De ITF was verzwakt door het verlies aan bonden in Duitsland, Oostenrijk, Italië en later Spanje. Om Fimmens beleid te ondersteunen werd een geheime conferentie in Roskilde (Denemarken) gehouden van de ITF-top met een veertigtal ex-vakbondsleiders en -leden uit Duitsland van vroeger aangesloten bonden, in april 1935. Fimmen spaarde zichzelf niet en bezocht ook zelf nazi-Duitsland illegaal, evenals zijn medewerkers. In augustus 1939 werd het hoofdkwartier van de ITF overgebracht naar Londen, evenals het geld. In Amsterdam bleef een kleine staf. Fimmen zelf was ziek en zou voor verpleging in oktober 1941 naar Mexico vertrekken. Daar stierf hij in 1942 aan een beroerte.

Fimmen werd door sommigen verafschuwd als heuler met de communisten, door anderen bewonderd. Hij was intelligent en had een visie die verder reikte dan meestal het geval is, was een goed organisator, een harde werker en een hartelijk mens. In Nederland werd hij in 1942 natuurlijk niet, maar ook later niet herdacht. De ITF herdacht hem twee maal: in 1942 en in 1952.

Archief: 

Stukken betreffende E. Fimmen in archief ITF (dossier 1) in IISG (Amsterdam).

Publicaties: 

De crisis en het overheidspersoneel (Amsterdam 1917); The International Federation of Trade Unions (Amsterdam 1922; ook in het Frans, Duits, Zweeds, Italiaans); Guerre à la guerre (Amsterdam 1923; ook in het Duits, Nederlands, Engels); Geen Zwartkijkerij (Amsterdam 1923); Die Gewerkschaften und die Internationale Arbeiterhilfe (Wien 1923); Labours Alternative. The United States of Europa or Europe Limited (London 1924; ook in het Duits); Vers le Front unique international (Bruxelles z.j.); Weltlage und Proletariat (Berlin 1925); Weltfriede und Arbeiterbewegung (Berlin 1930).

Literatuur: 

In Memoriam Edo Fimmen, speciale uitgave van International Transport Workers' Journal, november-december 1942; In memoriam Edo Fimmen, speciale uitgave van International Transport Workers' Journal, december 1952; W. Eichler, Sozialisten (Bonn-Bad Godesberg 1972; hierin schets van Fimmen geschreven in 1942); L. Krier-Becker, Edo Fimmen (typoscript New York 1944, aanwezig in IISG); H. Esters, H. Pelger, Gewerkschafter im Widerstand (Hannover 1967); H.F. Cohen, Om de vernieuwing van het socialisme. De politieke oriëntatie van de Nederlandse sociaal-democratie 1919-1930 (Leiden 1974); J. de Kadt, Politieke herinneringen van een randfiguur (Amsterdam 1976); J.M. Welcker 'Edo Fimmen' in: A Nemzetközi Munkàsmozgalom Történetéböl. Evkönyv (Boedapest 1981); B. Reinalda, Bedienden georganiseerd (Nijmegen 1981); M. Eekman, H. Pieterson, Linkssocialisme tussen de wereldoorlogen (Amsterdam 1987); B. van Dongen, Revolutie of integratie (Amsterdam 1992); H. Schoots, Edo Fimmen. De wereld als werkterrein (Amsterdam 1997); B. Reinalda, 'Edo Fimmen (1881-1942), een uitzonderlijk international vakbondsman' in: Solidariteit. De eerste 100 jaar van de Internationale Transportarbeiders Federatie (Londen 1996); B. Reinalda, The international transportworkers federation 1914-1945. The Edo Fimmen era (Amsterdam 1997); G. Voerman, De meridiaan van Moskou. De CPN en de Communistische Internationale (1919-1930) (Amsterdam/Antwerpen 2001).

Portret: 

E.C. Fimmen, getekend door Marie de Roode-Heijermans 1919, uit: ITF, International Transport Worker's Federation (december 1952) 218

Auteur: 
Johanna M. Welcker
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 1 (1986), p. 37-42
Laatst gewijzigd: 

22-05-2002