HOUTEN, Samuel van

Samuel van Houten

(roepnaam: Sam), links-liberaal met grote belangstelling voor sociale vraagstukken en de vrouwenemancipatie, is geboren te Groningen op 17 februari 1837 en overleden te Den Haag op 14 oktober 1930. Hij was de zoon van Derk van Houten, houthandelaar en houtzaagmolenaar, en Barbara Elisabeth Meihuizen. Op 29 juni 1861 trad hij in het huwelijk met Elisabeth van Konijnenburg, met wie hij vijf dochters en twee zoons kreeg. Na haar overlijden op 16 juni 1872 hertrouwde hij op 3 juni 1873 met Hermine Leendertz, met wie hij een dochter en twee zoons kreeg.

Van Houten stamde zowel van vaders- als van moederszijde uit doopsgezinde geslachten van zelfstandige ondernemers. Zijn vader was liberaal gemeenteraadslid te Groningen. De jonge Samuel groeide op in een Thorbeckiaans milieu en was op elfjarige leeftijd getuige van de revoluties van 1848. In deze jeugd lagen de fundamenten van zijn wereldbeschouwing en zijn persoonlijkheid: een uitgesproken individualistische levenshouding, de overtuiging dat economische zelfstandigheid een voorwaarde was voor persoonlijke autonomie, het ideaal van de produktieve deugd als tegenhanger tegen het parasitisme en een rationalistische afkeer van iedere leerstellige godsdienst. Van Houten bezocht van 1849 tot 1854 de Latijnse School te Hoogezand, vervolgens studeerde hij rechten aan de Groningse Universiteit. In 1859 promoveerde hij daar op een Verhandeling over de waarde (Groningen 1859). In de jaren daarna was hij werkzaam in de advocatuur, van 1861 tot 1864 tevens als docent aan de Landhuishoudkundige School te Groningen. In 1864 werd hij als opvolger van zijn overleden vader in de Groningse gemeenteraad gekozen, van 1867 tot 1869 was hij bovendien wethouder. In deze tijd verdiepte hij zich in de filosofie en verruilde hij de doopsgezinde voor een niet-christelijke en agnostische levensvisie. In 1869 werd hij voor het district Groningen in de Tweede Kamer verkozen en verhuisde hij naar Den Haag, waar hij de rest van zijn leven zou blijven. Naast zijn Kamerlidmaatschap, dat vijfentwintig duurde, had hij een advocatenpraktijk in Rotterdam, omdat volgens hem een politicus slechts zelfstandig kon optreden als hij niet financieel afhankelijk was van zijn zetel. Voorts was hij van 1884 tot 1924 bestuurslid van de Maxwell Landgrant Company. Van Houten was een buitengewoon actief parlementariër, die zich zelden op de achtergrond hield. Hij was de meest uitgesproken figuur in een nieuwe generatie progressief-liberalen die zich keerde tegen het Thorbeckiaanse liberalisme, dat volgens hen in conservatisme en immobilisme was vastgelopen. Volgens Van Houten waren de meeste oudere liberalen weliswaar terecht antiklerikaal, maar hadden zij geen oog voor de achterstelling van de arbeidende klasse. Al in 1869 verdedigde hij het stakingsrecht in een brief aan zijn vriend N.G. Pierson, met het argument dat de arbeiders zonder organisatie op de arbeidsmarkt geen gelijke partij konden zijn. In de Kamer ging hij op deze lijn voort. Hij publiceerde een initiatief-wetsontwerp ter afschaffing van het coalitieverbod: De regtstoestand der werklieden in Nederland (Den Haag 1870). Zijn dreiging het in te dienen droeg wezenlijk bij tot de intrekking van het verbod in 1872. Veel werk verzette Van Houten om tot een wettelijk verbod van de kinderarbeid te komen. Zijn initiatiefontwerp werd in 1874 door de Kamer aanvaard, maar voor de veldarbeid was een uitzondering gemaakt. Van Houtens voorstel, gemeenten het recht te geven bij verordening de leerplicht in te voeren, kwam er ook niet door. In 1877 diende Van Houten een nota in waarin hij voorstelde het kiesrecht te verlenen aan alle gezinshoofden die konden lezen en schrijven en die in hun eigen levensonderhoud konden voorzien, kortom aan de mannelijke, economisch zelfstandige en geschoolde 'werklieden'. Het voorstel kwam in de Kamer niet in behandeling maar werd door het Algemeen Nederlandsch Werklieden-Verbond als brochure verspreid. Van Houten behoorde in deze kwestie in 1893 echter tot de tegenstanders van J.P.R. Tak van Poortvliet, die het kiesrecht verder wilde uitbreiden. Van Houten zei toen dat hij het kiesrecht wel wilde geven aan de 'vierde stand' die van de arbeid leefde, maar onder geen beding aan de 'vijfde stand', het 'proletariaat', dat van de bedeling leefde. Na de val van Tak van Poortvliet bracht Van Houten, die sinds mei 1894 (en tot juli 1897) minister van Binnenlandse Zaken was, in 1896 een kieswet tot stand die zich uitstrekte tot belasting-, huur-, loon-, pensioen-, spaar- en examenkiezers.

Van Houten wilde na de kinderwet geen verdere sociale wetgeving. Hij meende dat de volwassen arbeiders (mannen én vrouwen) geen staatsbescherming nodig hadden, mits zij zich vrij konden organiseren, zodat een machtsevenwicht tussen kapitaal en arbeid zou ontstaan. Zijn pleidooi voor anticonceptie en seksuele hervorming paste in die redenering. Hij was er van overtuigd dat de beperking van het kindertal het 'proletariaat' op den duur zou doen 'uitsterven'. Er zouden dan uitsluitend zelfstandige, produktieve en goed onderlegde werklieden overblijven. De staat moest slechts de kunstmatige belemmeringen en bevoordelingen voor de 'kapitalisten' uit de weg ruimen. In het kader van dit laatste streven diende Van Houten in 1890 een wetsontwerp tegen de grondspeculatie in, dat echter volstrekt kansloos was. Deze opvattingen, evenals die over het werkliedenkiesrecht, deden hem na 1900 in het conservatieve kamp van de Vrij Liberalen belanden. De stap naar het sociaal-liberalisme van de generatie van P.W.A. Cort van der Linden en M.W.F. Treub heeft Van Houten nooit gezet. Hij zag dat als 'staatsfilantropie'.

Behalve een actief parlementariër was Van Houten een produktief publicist. Al in de jaren zestig schreef hij enkele geruchtmakende artikelen in De Gids waarin de vloer werd aangeveegd met de oud-liberale economische theorie en rond 1870 levede hij regelmatig artikelen voor het radicale dagblad Het Noorden. In 1872 publiceerde hij een felle brochure tegen Thorbecke: De staatsleer van Mr J.R. Thorbecke (Groningen 1872). In 1874 behoorde hij met W. Heineken, A. Kerdijk, J.D. Veegens en B.H. Pekelharing tot de oprichters van het maandblad Vragen des Tijds. Het stond links van de Thorbeckiaanse Gids en droeg veel bij tot de theoretische onderbouwing van het vooruitstrevende liberalisme, onder meer door artikelen over de sociaal-democratie en het Duitse katheder-socialisme. In 1878 bundelde Van Houten zijn voornaamste artikelen in de Bijdragen tot den strijd over God, eigendom en familie (Haarlem 1878; tweede, vermeerderde druk Amsterdam 1883). Naast zijn kritiek op het behoudende liberalisme en zijn filosofische beschouwingen trokken vooral zijn opstellen over seksuele hervorming en zijn pleidooi voor vrouwenemancipatie de aandacht. Van Houten meende dat de beteugeling van de bevolkingsgroei een cruciale voorwaarde voor sociale vooruitgang was. Daartoe moest de kennis over anticonceptie op grote schaal worden verspreid. Toen in 1881 de Nieuw-Malthusiaansche Bond werd opgericht aanvaardde hij het erelidmaatschap. Vanaf 1872 verdedigde Van Houten de emancipatie van de vrouw. Hij pleitte voor een nieuw huwelijksrecht op basis van de gelijkheid der partners, voor gelijke toegankelijkheid van het onderwijs voor beide seksen en voor een eigen werkkring voor iedere vrouw, ook als zij gehuwd was. Deze voorstellen leverden Van Houten de waardering van vele feministen op, maar in de Kamer kreeg hij er nooit veel steun voor, ook niet onder de liberalen.

Van Houtens wereldbeschouwing was die van de intellectueel ingestelde, arbeidzame, zelfstandige burger. Tegenover zijn antiklerikalisme stond een rotsvast vertrouwen in de wetenschap, door hem eens omschreven als de 'onzichtbare kerk' van de beschaafden in alle landen. Hij hoopte op een maatschappij waarin alle burgers rationeel en autonoom zouden zijn. Zijn visie op de arbeidersklasse en zijn feminisme waren uiteindelijk gebaseerd op hetzelfde ideaal: de economisch zelfstandige en geestelijk autonome persoonlijkheid die een produktieve bijdrage aan de samenleving leverde. Van Houtens droom van een produktief kapitalisme zonder proletariaat werd rond 1900 achterhaald door de industriële massamaatschappij. Zijn denkbeelden over seksuele hervorming, vrouwenemancipatie en secularisering kregen eveneens steeds minder kans in deze tijd, waarin de macht van de confessionelen snel groeide. Zo is het te begrijpen dat hij na de eeuwwisseling steeds meer aan de zijlijn van de politiek kwam te staan. Van l904 tot l907 was hij lid van de Eerste Kamer. Vanaf de jaren 1890 tot aan zijn laatste levensjaren gaf hij zijn mening over de politiek in de onregelmatig verschijnende Staatkundige brieven en in de zomer van 1930, vlak voor zijn dood, publiceerde hij nog Waarheden en waarschuwingen van een 93er (Haarlem 1930). In een necrologie schreef het Algemeen Handelsblad dat met Samuel van Houten het 'laatste groote licht' van de generatie van 1848 was gedoofd.

Archief: 

Collectie S. Van Houten, Nationaal Rijksarchief (Den Haag).

Publicaties: 

Keuze (behalve de genoemde): 'Het regt van den staat om de vrijheid tot het sluiten van huwelijken wegens gemis aan middelen van bestaan te beperken' in: Tijdschrift voor het Armwezen, 1861, III; 'Kritiek der praktische staathuishoudkunde' in: De Gids, 1863, I; 'De staathuishoudkunde als wetenschap en kunst' in: De Gids, 1866, III; Liberale politiek op historischen grondslag (Groningen 1871); 'Over den invloed der wetgeving op de verdeeling van den rijkdom' in: Vragen des Tijds, 1875, I, 77-103; 'Beschouwingen over de bevolkingsleer in verband met de sexuele moraal' in: Vragen des Tijds, 1877, I, 1-60; 'Over de maatschappelijke en wettelijke stelling der vrouw' in: Vragen des Tijds, 1878, I, 1-66; 'Een woord tot de liberale kiezers' in: Vragen des Tijds, 1879, II, l-53; Is bij ons huwelijksrecht genoegzaam gewaakt voor de vrouw ten opzichte zowel van hare persoons- als van hare vermogensrechten? (Prae-advies Nederlandsche Juristenvereeniging 1882); Darwinisme en Nieuw-Malthusianisme (Amsterdam 1883); 'Onze internationale stelling' in: Vragen des Tijds, 1884, II, 307-321; Das Causalitätsgesetz in der Socialwissenschaft (Haarlem 1888, Nederlandse vertaling: De wet der causaliteit in de sociale wetenschap, Haarlem 1903); (vertaling en voorwoord) Subhádra Bickshoe, De leer van Boeddha naar de heilige boeken van het zuidelijke Boeddhisme voor Europeanen bewerkt (Den Haag 1889); Liberaal of vrijzinnig/sociaal-democraat (Den Haag 1899); Herdrukken betreffende Neo-Malthusianisme en vrouwenrecht (Haarlem 1903); Vijfentwintig jaar in de Kamer (1869-1894) (Haarlem 1903-1915; 5 delen). Bibliografie in: G.M. Bos, Mr. S. van Houten. Analyse van zijn denkbeelden, voorafgegaan door een schets van zijn leven (Purmerend 1953) 203-206.

Literatuur: 

C.K. Elout, 'Mr. S. van Houten aan het woord' in: Elseviers Geïllustreerd Maandschrift 1898, I; C.K. Elout, 'Mr. S. van Houten' in: Mannen en vrouwen van beteekenis in onze dagen, deel 42 (Haarlem 1912); K.E. van der Mandele, Het liberalisme in Nederland (Arnhem 1933); S.H. Scholl, Het liberalisme van Mr. G.K. van Hogendorp, Mr. J.R. Thorbecke en Mr. S. van Houten (Tilburg 1947); J.C. Vleggeert, De kinderarbeid. De geschiedenis van haar beperking door de kinderwet van Mr. Samuel van Houten (Amsterdam 1951); A. Postma, De mislukte pogingen tussen 1874 en 1889 tot verbetering en uitbreiding van de kinderwet-Van Houten (Deventer 1977); J.T. Minderaa, 'HOUTEN, Samuel van' in: BWN I, 253-256; S. Stuurman, 'Samuel van Houten and Dutch liberalism, 1860-1890' in: Journal of the History of ldeas, 1989, 135-152; S. Stuurman, 'John Bright and Samuel van Houten: radical liberalism and the working classes in Britain and the Netherlands 1860-1880' in: History of European ideas, 1990, 593-604; S. Stuurman, Wacht op onze daden. Het liberalisme en de vernieuwing van de Nederlandse staat (Amsterdam 1992); M. Braun, De prijs van liefde. De eerste feministische golf, het huwelijksrecht en de vaderlandse geschiedenis (Amsterdam 1992); A. Godart-van der Kroon, 'S. van Houten en N.G. Pierson. Een vergelijking en tegenstelling' in: Agorae, 1994, 1, 15-34; H.J.L. Vonhoff, 'Houten, Samuel van' in: J.D.R. van Dijk, W.R. Foorthuis (red.), Vierhonderd jaar Groninger Veenkoloniën in biografische schetsen (Groningen 1994), 111-116; R. Aerts, De letterheren. Liberale cultuur in de negentiende eeuw. Het tijdschrift De Gids (Amsterdam 1997); S. Dudink, Deugdzaam liberalisme. Sociaal-liberalisme in Nederland 1870-1901 (Amsterdam 1997).

Portret: 

S. van Houten, IISG

Auteur: 
Siep Stuurman
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 6 (1995), p. 103-106
Laatst gewijzigd: 

10-02-2003