BERGER, Johannes Adriaan

Johannes Adriaan Berger

(roepnaam: Jan), NVV- en SDAP-bestuurder en voorzitter van het College van Rijksbemiddelaars, is geboren te Middelburg op 18 december 1895 en overleden te Uithuizen (Gr.) op 18 oktober 1961. Hij was de zoon van Johannis Berger, politieman, bankwerker en logementhouder, en Maria Josepha Verdonck. Op 4 februari 1916 trad hij in het huwelijk met Josina Blokpoel, met wie hij twee dochters en een zoon kreeg. Na haar overlijden (op 23 augustus 1938) hertrouwde hij op 9 november 1938 met Maria Regina Reyne, met wie hij een dochter en twee zoons kreeg.

Berger kreeg ondanks de eenvoudige levensomstandigheden gelegenheid een vijfjarige Hoogere Burger School te volgen. Na zijn eindexamen in 1915 werkte hij korte tijd als chemisch analist bij de Artillerie-inrichting Hembrug en als ambtenaar bij Rijkswaterstaat. Intussen bereidde hij zich voor op het examen voor de akte Middelbaar Onderwijs-staatsinrichting, waarvoor hij in 1918 slaagde. Dit diploma gaf de ambitieuze jongeman de mogelijkheid bij de Raad van Arbeid te Middelburg op te klimmen tot chef de bureau. In 1920 verliet Berger, inmiddels gehuwd, zijn geboorteplaats en vestigde zich samen met zijn ouders in Vlissingen. Daar begon zijn politieke loopbaan en verwierf hij door tal van werkzaamheden een zekere bekendheid. Hij was als secretaris van de Bestuurdersbond en afdelingsvoorzitter van de Centrale Nederlandsche Ambtenaarsbond (CNAB) nauw betrokken bij de ontwikkeling van de plaatselijke moderne arbeidersbeweging. Berger ontpopte zich als Vlissings pleitbezorger van het 'cultuursocialisme'. Voor de Centrale Commissie voor Arbeidersontwikkeling (later opgegaan in een afdeling van het Instituut voor Arbeidersontwikkeling, opgericht door de SDAP ter plaatse) organiseerde hij ontwikkelingscursussen en maakte zich sterk voor de vertoning van goede films. Hij was medewerker van Het Volk en De Groene Amsterdammer, waarin hij regelmatig publiceerde. Het prestige dat Berger hiermee wist te verwerven droeg bij tot zijn verkiezing in 1927 in de Vlissingse gemeenteraad voor de SDAP (tot 1931). Binnen de vierhoofdige fractie dwong zijn kundigheid weliswaar respect af maar men vond hem nogal emotioneel en zijn enigszins eigengereide optreden zette soms kwaad bloed. Mogelijk leidde dit laatste, samen met moeilijkheden in zijn persoonlijk leven, tot zijn vertrek naar Amsterdam. In 1931 werd hij benoemd in de functie van assistent-bestuurder van het NVV belast met werklozenzorg. Vanaf september was hij eveneens werkzaam bij het Crisisbureau van SDAP en NVV, dat sinds maart 1931 adviezen uitbracht over steunregelingen, maar door Bergers toedoen 'pas goed ging werken'. Hij 'volgde nauwlettend wat er in den lande gebeurde en coördineerde acties van partij en vakbeweging'. Vijf jaar later trad Berger in dienst van de SDAP met als taak de buitendienst (propaganda). Hij concentreerde zich op de sociale positie van noodlijdende (kleine) boeren en tuinders. In hetzelfde jaar verscheen zijn boek Van armenzorg tot werklozenzorg (Amsterdam 1936), waarin hij een historisch overzicht gaf van de ontwikkeling van de werklozenzorg als zelfstandig terrein van overheidsbemoeiing. In het tweede deel pleitte hij voor uitbouw van de werklozenzorg als sociaal recht, dat wil zeggen het wettelijk regelen van de werkloosheidsverzekering en de steunregeling. Ook stond hij een sterke uitbreiding en humanisering van de werkverschaffing voor. Lang bleef Berger niet bij de SDAP. Als expert op het terrein van sociale wetgeving (hij was lid van de door de Hooge Raad van Arbeid in 1938 ingestelde Commissie Werkloosheidsverzekering), de ziekteverzekering in het bijzonder, werd hij in december 1939 benoemd tot voorzitter van de Raad van Arbeid te Groningen.

Een deel van de oorlogsjaren dook Berger onder in een sanatorium te Drenthe. Hij vulde de tijd met het schrijven van artikelen - onder meer samen met zijn later bekend geworden zoon de politicus en mede-oprichter van DS'70 J.J.A. Berger - en begon met de rechtenstudie. Kort na de bevrijding behaalde hij zijn meesterstitel. Een nieuwe werkkring vond hij op voorspraak van minister van Sociale Zaken W. Drees. Hij werd lid van het College van Rijksbemiddelaars, dat in de periode van herstel en wederopbouw toezicht moest houden op de beheersing van loon- en prijsontwikkelingen. In die functie was hij voortdurend onderweg om te vergaderen over loonregelingen in de bedrijfstakken, waaronder de Hoogovens, de landbouw, suikerindustrie, visserij, het schildersbedrijf en de diamantindustrie. Hij reisde per trein met een speciale kaart in het hokje van de conducteur. Vanaf 14 oktober 1946 was Berger voorzitter, nadat C.P.M. Romme wegens ziekte was afgetreden en de aangewezen opvolger J. Schouten hiervoor had bedankt. Berger vervulde deze functie - de belangrijkste in zijn loopbaan - tot zijn pensionering op 'persoonlijke kundige wijze', zoals op de afscheidsvergadering in december 1960 gememoreerd werd. Hij werd de personificatie van de naoorlogse geleide loonpolitiek genoemd, bij wie het eigenlijk onbelangrijk was welk loonsysteem gehanteerd werd, want 'we hadden het systeem-Berger en het was een goed systeem'. De verdiensten van Berger lagen hierbij vooral in zijn tactische manoeuvres tijdens stroef verlopende loononderhandelingen. Hij was een door de wol geverfd, bekwaam bemiddelaar die in verscheidene conflictsituaties uitzicht bood, liefst zonder zijn bevoegdheden (zoals het opleggen van een loonmaatregel) aan te wenden. Dat laatste deed hij slechts tweemaal (in de diamantindustrie en de haringvisserij). Met zijn als grillig en emotioneel aangeduide persoonlijkheid en zijn even innemende als eigenzinnige stijl wist hij bij werkgevers en werknemers eerder instemming te winnen dan ontevredenheid op te roepen en droeg hij bij aan het vertrouwen en prestige dat het College in de politiek en bij de sociale partners genoot. Bergers officiële afscheid, opgeluisterd met het Commandeurschap in de orde van Oranje Nassau, betekende geenszins het einde van zijn werkzaam leven. Hoewel zijn tanende gezondheid hem parten speelde, bleef Berger een aantal van zijn nevenfuncties vervullen. Tot enkele maanden voor zijn dood was hij voorzitter van het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, Kroonlid van de Sociaal-Economische Raad en adviseur van de minister van Economische Zaken voor 'produktiviteitsaangelegenheden'. Ook bemiddelde hij nog bij een arbeidsgeschil op Aruba. Hij overleed vijfenzestig jaar oud na een kort ziekbed in de woning van zijn schoonzoon. NVV-voorzitter D. Roemers hoopte dat Berger nu aan de rust toekwam 'die hij in het leven waarschijnlijk nooit heeft kunnen vinden'.

Publicaties: 

Behalve de genoemde: Artikelen in Het Gemeenebest, De Geneeskundige Gids, De Groene Amsterdammer, Sociale Voorzorg, Tijdschrift voor Pharmacie, De Verzekeringsgids en Het Volk; Welke maatregelen kunnen worden genomen om werkgelegenheid ten behoeve van jeugdige werkkrachten zoo wel handarbeiders als intellectuelen te bevorderen. Praeadvies uitgebracht voor de Nationale Vereeniging tegen de Werkloosheid (z.pl. z.j.); 'Opleiding van onvolwaardige arbeidskrachten', in: De Socialistische Gids, 1928, 971-980, ook als brochure: Amsterdam 1929; Tarieven van med. doctoren, heelmeesters, vroedmeesters en vroedvrouwen in de steden van den eersten rang, steden van den tweeden rang en op het platteland van 1818-1865 in de verschillende provincien van Nederland (Middelburg 1930); Geschiedenis van het Ziekenfondswezen in Nederland (Vlissingen 1931); 'De strijd om de macht' in: De Geneeskundige Gids, januari 1931; Syllabus staatspensioen (z.pl. z.j.); Gids voor de zelfstudie van de sociale verzekering (z.pl. 1932); 'Arbeid voor onze werkloze jeugd' in: De Socialistische Gids, 1934, 80-87; 'Werklozenzorg' in: De Socialistische Gids, 1934, 315-320; 'Werklozenzorg door middel van arbeid' in: De Socialistische Gids, 1934, 808-819; Steunverleening aan kleine boeren en kleine tuinders (IJmuiden 1938); 'Steun aan schippers' in: De Socialistische Gids, 1938, 533-539; (met J.J.A. Berger) Ziekenfondsen-besluit 1941 (Heemstede 1942); Een rapport omtrent het Ziekenfondswezen in Amsterdam in 1842 (z.pl. z.j.); Prestatiebeloning (Den Haag 1950); (met B.W. Berenschot, T.J. Bezemer) Pre-adviezen over de vragen: welke maatregelen dienen te worden genomen ter verhoging van de productiviteit? Welke betekenis moet aan deze maatregelen worden gehecht uit een oogpunt van zo groot mogelijke prestatieprikkel enerzijds en sociaal-rechtvaardige verdeling van het maatschappelijk inkomen anderzijds? (Den Haag 1951); Advies over een eventuele wijziging van de broodbakkerijparagraaf van de Arbeidswet 1919 (Den Haag 1959).

Literatuur: 

M.G. Levenbach, 'Mr. J.A. Berger. 18 december 1895 - 18 oktober 1961' in: Sociaal Maandblad Arbeid, 1961, 687-688; J.P. Windmuller, C. de Galan, Arbeidsverhoudingen in Nederland (Utrecht 1977); P. de Rooy, Werklozenzorg en werkloosheidsbestrijding 1917-1940. Landelijk en Amsterdams beleid (Amsterdam 1979); B. Altena, "Een broeinest der anarchie". Arbeiders, arbeidersbeweging en maatschappelijke ontwikkeling. Vlissingen 1875 - 1929 (1940) (Amsterdam 1989).

Portret: 

J.A. Berger, fotoarchief van Het Vrije Volk (Rotterdam)

Auteur: 
Piet de Rooy, Oscar Steens
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 5 (1992), p. 8-11
Laatst gewijzigd: 

00-00-1992