BERGH, George van den

George van den Bergh

SDAP Kamerlid en voorzitter Wetenschappelijk Bureau van de SDAP, is geboren te Oss op 25 april 1890 en overleden te Oegstgeest op 3 oktober 1966. Hij was de zoon van Samuel van den Bergh Jr., grootindustrieel, margarinefabrikant en liberaal politicus, en Rebecca Willing, actief op sociaal gebied. Op 6 juni 1912 trad hij in het huwelijk met Jeannette Elizabeth van Dantzig, schrijfster, met wie hij twee dochters en twee zoons kreeg. Dit huwelijk werd ontbonden op 23 mei 1929. Op 5 juli 1929 hertrouwde hij met Nelly Christine Elise Marcus, secretaresse, met wie hij twee dochters en zes zoons kreeg.

Van den Bergh, zoon van gefortuneerde ouders, ging, na het gymnasium in Rotterdam doorlopen te hebben, in Amsterdam scheikunde studeren. Na een jaar stapte hij over op de studie van de rechtswetenschappen. In die tijd koos hij voor het socialisme. Volgens W.H. Vliegen kwam hij 'door den omgang met socialistische vrienden, door lektuur en door het bijwonen van lezingen, waarvan die van mevrouw H. Roland Holst grooten invloed oefenden, tot de sociaaldemokratie'. Daarbij speelde 'een zeker bewustzijn van het onrechtvaardige en ongemotiveerde in eigen bevoorrechte positie' eveneens een rol. In 1913 werd hij lid van de SDAP. In 1914 werd hij secretaris van de afdeling Amsterdam V en spoedig daarna bestuurslid van de Amsterdamse federatie van de SDAP. Hij legde zich, daartoe in staat gesteld door het familiekapitaal, geheel toe op de wetenschap en politiek. In 1915 promoveerde hij tot doctor in de rechtswetenschappen. Hij werd voor verschillende SDAP-commissies gevraagd. Zo werkte hij mee aan het Socialisatierapport (1920) en was hij lid van de commissies voor het Politiek Systeem (1921), Bedrijfsorganisatie en Medezeggenschap (1923), Nieuwe Organen (1931), Staatkundig Stelsel (1935), Plan van de Arbeid (1935) en van de Herzieningscommissie (1933). Hij schreef regelmatig in de partij pers en vervulde talloze spreekbeurten voor het Instituut voor Arbeidersontwikkeling. Op 30 mei 1923 werd hij lid van de Amsterdamse gemeenteraad (tot 1 juli 1932) en van 15 september 1925 tot 8 mei 1933 was hij lid van de Tweede Kamer. In 1923 werd Van den Bergh voorzitter van de Nationale Woningraad.

Op 11 juli 1924 promoveerde Van den Bergh voor de tweede maal, nu tot doctor in de staatswetenschappen. Zijn proefschrift over de medezeggenschap van arbeiders in de particuliere onderneming was ook van belang voor de SDAP en het NVV. Sinds het rapport van de commissie Bedrijfsorganisatie en Medezeggenschap van SDAP en NVV was Van den Bergh bij nadere overweging tot de overtuiging gekomen, dat men aan de arbeiders in de particuliere onderneming ten aanzien van de leiding slechts een raadgevende stem zou moeten geven. Op het gebied van de arbeidsvoorwaarden evenwel zouden zij medebeslissingsrecht moeten krijgen. Volgens een door hem opgesteld wetsontwerp op de ondernemingsraden zou in iedere onderneming met minstens tien werknemers een ondernemingsraad verplicht zijn. Deze zou een ondernemingsovereenkomst sluiten met de werkgever over al die zaken die niet in de collectieve arbeidsovereenkomst geregeld konden worden. Van den Bergh beschouwde de medezeggenschap in de particuliere onderneming geenszins als eerste stap naar het door hem gewenste gemeenschapsbedrijf. In zekere zin vond hij die medezeggenschap zelfs 'een maatschappelik kwaad'. De particuliere onderneming was immers niet gericht op het algemeen belang, maar op het maken van winst die de gemeenschap op moest brengen. Aangezien de arbeiders bij meer winst een hoger loon zouden verwachten, was het belang van de onderneming ook het hunne. Op die wijze werd het gemeenschapselement in de onderneming allesbehalve versterkt. Toch meende hij dat de arbeiders uiteindelijk tot het bewustzijn zouden komen dat zij ook verbruikers waren, dat de voortbrenging slechts middel was en het verbruik doel. De sterke benadrukking van het socialisme als consumenten-socialisme, in plaats van het door het marxisme geïnspireerde producenten-socialisme, komt men in zijn verdere politieke leven regelmatig tegen. Het was de vrucht van zijn werk in de Socialisatiecommissie. In de Tweede Kamer verwierf Van den Bergh bekendheid door zijn activiteiten op het gebied van het kiesrecht. Zo was het amendement waardoor het systeem van de grootste overschotten in de Kieswet werd vervangen door dat van de grootste gemiddelden, het systeem D'Hondt, van zijn hand. Van groot belang was zijn op 4 juni 1931 door de Tweede Kamer aanvaarde initiatief-Geldschieterswet. Deze wet werd een belangrijk instrument in de strijd tegen de woeker. Zijn amendement op de Kieswet in 1933 ter uitsluiting van 'volkomen kansloze partijtjes en groepjes' moest hij bij gebrek aan steun echter intrekken. In de Amsterdamse gemeenteraad deed hij op 28 januari 1926 het opzienbarende voorstel om aan de koning het bruikleen van het Paleis op de Dam op te zeggen. Een voor de verdere loopbaan van Van den Bergh beslissende kwestie vormde het conflict in het begin van de jaren dertig over het wetsontwerp van de regering om de uitkeringen uit het Gemeentefonds te korten met een bedrag ter hoogte van 3% van de gemeentelijke salarissen, tenzij de gemeenten zelf de salarissen met 3% zouden korten. Nadat hij met twee fractiegenoten voor loonkorting had gestemd, eiste het federatiebestuur dat een minderheid in de fractie zich voortaan naar de meerderheid zou voegen. Van den Bergh, die fractievoorzitter was, wees die stemdwang af en schreef op 2juni1932 zijn ontslagbrief als raadslid. Mede naar aanleiding van deze zaak schreef W.A. Bonger in 1934 zijn vermaarde boek Problemen der demokratie. Ook de Herzieningscommissie, waarvan Van den Bergh secretaris werd, besteedde vervolgens ruim aandacht aan de verhouding tussen fractie en federatie. Het conflict had uiteindelijk tot gevolg, dat hij in 1933 ook uit de Tweede Kamer verdween. Toen de SDAP op 27 april 1933 twee zetels verloor bleek, dat zijn lage plaats op de groslijst een onverkiesbare plaats was. Zijn loopbaan als actief politicus was ten einde. Binnen de partij bleef hij echter werkzaam in commissies en als voorzitter van het in 1934 opgerichte Wetenschappelijk Bureau van de SDAP. In 1936 werd Van den Bergh door de gemeenteraad benoemd tot hoogleraar in het Nederlands Staatsrecht aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam. Op 28 september 1936 sprak hij zijn veelbesproken intreerede uit over de democratische staat en de niet-democratische partijen. In de jaren dertig was Van den Bergh zeer actief bij de opvang van joodse vluchtelingen. Hij richtte het joodse werkdorp Nieuwesluis in de Wieringermeer op, dat op 3 oktober 1934 geopend en uiteindelijk in maart 1941 door de Duitsers ontruimd werd. Van den Bergh verbleef van 7 oktober 1940 tot 11 augustus 1941 in het gijzelaarskamp Buchenwald en verzorgde er colleges staatsrecht voor zijn medegevangenen. Voor en na de oorlog bezat hij binnen en buiten de partij een grote populariteit als uitvinder en astronoom. Bekend is zijn voorstel voor de Euro-klok, waardoor men optimaal gebruik zou kunnen maken van het zonlicht, en het door hem ontworpen systeem van tweelingen meerlingdruk, dat tot grote papierbesparing moest leiden. Op 2 juli 1960 nam hij afscheid als hoogleraar.

Archief: 
Archief G. van den Bergh in IISG (Amsterdam; vgl. Campfens, Aanvulling IV in: TvSG, augustus 1988, 308.
Publicaties: 
De medezeggenschap der arbeiders in de partikuliere onderneming (Amsterdam 1924); De woeker en zijn bestrijding (Geschriften van de Nederlandse Vereeniging voor Armenzorg en Weldadigheid te Amsterdam, nr. XL, Haarlem 1926); Aarde en wereld in ruimte en tijd (Amsterdam 1934; 19608); Twee maal Buchenwald (Amsterdam 1945; met L.J. van Looi); Verzamelde staatsrechtelijke opstellen, 3 bundels (Alphen aan den Rijn 1949-1957); zie ook Opstellen aangeboden aan prof.Mr.Dr. G. van den Bergh (Alphen aan den Rijn 1960).
Literatuur: 
Vliegen, Kracht III, 517-519; J.M. den Uyl, '25 april 1960: George van den Bergh 70 jaar' in: Paraat, 23.4.1960, 157; Nieuwe Rotterdamse Courant, 4. en 5.10.1966; G.A. van Poelje, 'Persoonlijk woord bij het overlijden van George van den Bergh' in: Het Vrije Volk, 7.10.1966; J. van der Hoeven in: Folia Civitatis, 15.10.1966 en in: Nederlands Juristenblad, 1966, 1033-1035; G.B. van Albada in: Hemel en dampkring, 1967, 190-194; H. van den Bergh in: Het Parool, 7.2.1974; R. Roegholt, Amsterdam in de 20e eeuw. Deel 1 (Utrecht 1976); P.L. Nève in: BWN I, 40-42; T. Jansen, J. Rogier, Kunstbeleid in Amsterdam 1920-1940 (Nijmegen 1983); H.B.J. Stegeman, J.P. Vorsteveld, Het Joodse werkdorp in de Wieringermeer (Zutphen 1983); R. Pans, 'George van den Bergh 1890-1966' in: Zesde jaarboek voor het democratisch socialisme, 1985, 174-202; B.G.A. Kempen, N. van Velzen, Werken aan wonen. 75 Jaar Nationale Woningraad (Almere 1988); P.J. Knegtmans, Socialisme en Democratie. De SDAP tussen klasse en natie (1929-1939) (Amsterdam 1989); J. Bosmans, Romme. Biografie 1896-1946 (Utrecht 1991); G.W.B. Borrie, Monne de Miranda. Een biografie (Den Haag 1993); M. Brinkman, M. de Keizer, M. van Rossem (red.), Honderd jaar sociaal-democratie in Nederland 1894-1994 (Amsterdam 1994); F. Rovers, Voor Recht en Vrijheid. De Partij van de Arbeid en de Koude Oorlog 1946-1958 (Amsterdam 1994); P. Hofland, Leden van de Raad. De Amsterdamse gemeenteraad 1814-1941 (Amsterdam 1998); J. de Roos, Besturen als kunst. Lokale sociaal-democraten 100 jaar verenigd (Amsterdam 2002).
Portret: 
G. van den Bergh, portret door Bart Peizel, 1960, Portrettencollectie Universiteit van Amsterdam.
Auteur: 
Ralph Pans
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 3 (1988), p. 7-10
Laatst gewijzigd: 
05-02-2003