BOS, Karel Antonie

Karel Antonie Bos

socialistisch colporteur en uitgever van brochures, is geboren te Zevenbergen (NB) op 14 juni 1846 en overleden te Amsterdam op 31 oktober 1899. Hij was de zoon van Johannes Jacobus Bos, winkelier, en Carolina Hermina Barth. Op 30 januari 1873 trad hij in het huwelijk met Catharina Helena Elisabeth de Bruijn, met wie hij drie dochters en twee zoons kreeg.

De familie Bos kwam in 1851 in Amsterdam wonen. Het ging de vader niet naar wens in zijn beroep en in 1852 ging hij failliet. Bos, de jongste zoon, vertrok al jong naar zee en was veertien jaar zeeman. Hij kwam in 1871 terug en werd werkman op de suikerfabriek van Spakler en Tetterode bij het Leidse Plein in Amsterdam. Hij trouwde in 1873 met zijn nichtje (hun moeders waren zusters) en was ook toen suikerbakker. Waarschijnlijk was hij lid van de Suikerbakkersvereeniging 'Eendracht maakt Macht', opgericht in 1871. Deze koos hem in 1877 tot secretaris, wat hij tot 1880 bleef. Eendracht maakt Macht was aangesloten bij het Algemeen Nederlandsch Werklieden-Verbond (ANWV). De eerste artikelen van Bos, verschenen in 1878 in De Werkmansbode van het ANWV, tonen dat hij al in oktober 1878 lid was van de Sociaal-Democratische Vereeniging (SDV). Hij bleek niet bang om voor zijn overtuiging uit te komen en bekritiseerde het verkiezen van 'heren' als diaken van de Nederlandsch Hervormde Kerk. Slechts hoogst zelden kwam hiervoor een werkman in aanmerking. Op de fabriek stond hij bekend als socialist, maar dit was geen reden hem te ontslaan. Inzake geboortenbeperking verschilde Bos van mening met F. Domela Nieuwenhuis, die in tegenstelling tot de Nieuw-Malthusiaansche Bond (NMB) de demografische theorie van Th.R. Malthus afwees. Evenals voorzitter B.H. Heldt van het ANWV verklaarde Bos zich in 1882 voorstander van geboortenbeperking. Anders dan de redactie was hij ervoor om in De Werkmansbode over voorbehoedmiddelen te publiceren, omdat hierover nogal wat misverstanden en onduidelijkheden bestonden. In een ingezonden brief van 22 maart 1882 vroeg hij om nadere inlichtingen inzake geboortenbeperking. De twee methoden die hij toepaste, 'voor het zingen de kerk uit' en vrijen zonder elkaar aan te raken, waren volgens hem niet betrouwbaar. Na het toepassen van de tweede manier was zijn vrouw toch zwanger geworden. De redactie verwees hem naar de pas opgerichte NMB en naar het boekje van Annie Besant De wet der bevolking (Barneveld 1879) dat hij gratis kon lenen bij de redactie. Dit was door C.V. Gerritsen vertaald en door S. van Houten van een voorwoord voorzien. In de SDV, die in 1882 opging in de Sociaal-Democratische Bond (SDB) knapte Bos allerlei werkjes op van colporteren bij de ingang van vergaderzaaltjes tot het inschrijven van nieuwe leden, zoals W.H. Vliegen zich herinnerde. Naar het voorbeeld van P.J. Helsdingen in Rotterdam ging ook Bos, die ontslag op de suikerfabriek had genomen, in 1883 in de binnenstad van Amsterdam venten met Recht voor Allen, waardoor dit blad een grotere bekendheid onder het volk kreeg. Wel liep Bos een bekeuring op wegens het veroorzaken van een samenscholing maar hij werd vrijgesproken. Bij het proces tegen A.J. Belderok moest hij als getuige optreden. Het afleggen van de eed veroorzaakte problemen omdat de rechter hem moest uitleggen waar het om ging. Maar het feit dat hij niet in god geloofde was onvoldoende reden om het zweren van de eed achterwege te laten. Bij een werklozenoptocht in november 1885 werd Bos met J.H. Geel en W. de Zwart gekozen om hun zaak bij de burgemeester te bepleiten, maar deze gaf niet thuis. In 1886 deed hij in Recht voor Allen een oproep aan 365 mannen om plaatsvervangend voor Domela Nieuwenhuis één dag te zitten. Naar zijn zeggen leverde dit duizend aanmeldingen op. Met de Oranje-furie naar aanleiding van de verjaardag van Koning Willem III op 19 februari 1887 had Bos in zijn huis Hazenstraat 4 - evenals P.J. Penning in zijn café - te verduren dat opgewonden volksmassa's de ramen ingooiden. Voor de ramen van Bos lag de brochure over Koning Gorilla met een grote aap op de voorkant. Dat hij deze niet wilde verwijderen - hij was ten slotte boekhandelaar - vormde een extra complicatie. Van Burgemeester en Wethouders kreeg hij geen schadevergoeding. In deze en volgende jaren gaf Bos onder zijn naam socialistisch getinte brochures uit.

De eerste ernstige bedreiging van Bos' bestaan vormde het verspreiden van een pamflet Een woordje aan de slachtoffers der bloedwet in de Militiezaal (nu Universiteitsbibliotheek) samen met C.G. Tieman tijdens de loting voor de nationale militie in februari 1890. Bos kreeg een proces-verbaal wegens opruiing, hoewel de schrijver ervan, J. Versteeg, was vrijgesproken. Op 27 januari 1891 werd hij tot acht maanden gevangenis veroordeeld. In april 1891 vluchtte hij naar België, daarna naar Roubaix in Noord Frankrijk, waar zijn gezin bij hem kwam. Vervolgens gingen zij weer naar België. Recht voor Allen noemde hem een lafaard, maar Bos verdedigde zich fel. In België vond hij de partijgenoten hartelijker dan hij in Nederland in twintig jaar had ervaren. Ook verweet hij de SDB niets voor Geel te doen. Wegens gezondheidsredenen - volgens Vliegen omdat hij met uitzetting uit België werd bedreigd - kwam Bos naar Nederland terug, begon op 20 augustus 1892 aan het uitzitten van zijn straf en kwam op 17 april 1893 vrij. Wel steunde de beweging zijn vrouw met vijf gulden en veertien broden per week. Daarna kreeg hij een nieuwe veroordeling tot negen maanden omdat hij een politieagent geslagen zou hebben bij een 'hakpartij'. Op het politiebureau werd hij mishandeld en kwam met een gebroken arm thuis. In augustus 1896 moest hij weer drie maanden zitten wegens verspreiding van de majesteitsschennende rede van L.M. Hermans voor de rechtbank. In Recht voor Allen beklaagde hij zich in 1896 over de klappen en scheldwoorden die hij kreeg en noemde zichzelf een 'geboycot volksboekhandelaar'. Dat zijn colportage in de Antoniesbreestraat werd bemoeilijkt door de Vereeniging 'Trouwe Vrienden' met als president P. Stodel en S. Hoed die de straatbeweging leidde een groep anti-socialistische joden dus - deed hem verzuchten: 'moet er nu niet meer in die buurten gecolporteerd worden?' Dat hij met allerlei geestverwanten, partij- en niet-partijgenoten moeilijkheden had, kwam waarschijnlijk omdat hij na de SDB geen lid van de Socialistenbond was geworden. Desondanks verbeterde zijn verhouding tot de Socialistenbond, want partijgenoten werden in Recht voor Allen opgewekt hem te schrijven. Hij kreeg enkele malen een ovatie bij de gevangenis in Rotterdam. Ook werden de Rotterdamse Socialistenbonders opgewekt hem bij zijn vrijlating uit de gevangenis mee te nemen. Van hen kreeg hij alvast een voorproefje van wat hem in Amsterdam in Constantia te wachten stond. Maar Bos voelde zich doodziek en werd in vrijheid niet meer beter. In 1899 stierf hij waarschijnlijk aan een hartziekte. Zijn begrafenis liep uit op een grootse manifestatie die vanaf zijn huis in de Kinkerstraat naar Vredehof trok, gevormd door socialisten, vakverenigingen en speciale vertegenwoordigingen van de Socialistenbond uit Den Haag en Rotterdam. J.G. Götze van de Socialistenbond in Amsterdam zei aan de groeve dat men niet wist welke richting Bos was toegedaan, maar dat alle richtingen aan zijn graf verenigd waren. Wel trachtte Domela Nieuwenhuis, toen anarchist, Bos in zijn herinneringen naar zich toe te trekken door een uitvoerige weergave van zijn bezoek aan Bos op de laatste dag van zijn leven en een vergelijking met Wilhelm Liebknecht ten voordele van Bos. Bos mocht ook in Domela Nieuwenhuis' begrafenis-visioenen in 1884, 1888, 1893 en 1898 samen met P.J. Penning aan Domela's eigen graf staan, weliswaar zwijgend, maar als een symbool van trouw aan het socialisme en aan Domela Nieuwenhuis zelf. Vliegen besloot zijn schets van Bos met de woorden 'Hij was een held'.

Publicaties: 
Over schijn-Liberalen (Evangelie en Vrijheid)' in: De Werkmansbode, 16.10.1878; 'Aan den Heer Urban' in: De Werkmansbode, 2.11.1878; De Werkmansbode 22.4.1882 (ingezonden brief over geboortenbeperking); Recht voor Allen, 29.11.1884 (ingezonden brief); Recht voor Allen, 3.6.1891 (ingezonden brief).
Literatuur: 

R. Oosterhout, Een aartsleugenaar. Het advies van burgemeester [G. van Tienhoven] en wethouders op de adressen van K.A. Bos en P.J. Penning, getoetst aan de waarheid (z.pl. 1887); Bymholt, Geschiedenis, 256, 258, 319, 383, 432, 440-441, 673; L.M. Hermans, 'Karel Anthonie Bos' in: De Roode Duivel, 8.2.1897; De Vrije Socialist, 31.10, 4 en 8.11.1899; L.M. Hermans, 'Brieven uit de Hoofdstad XVI' in: Arm Friesland, 18.11.1899 (in memoriam Bos); Vliegen, Dageraad I, 72, 80, 83-84, 109, 157, 202, 268, 272, II 172, 331; F. Domela Nieuwenhuis, Van christen tot anarchist (Amsterdam 1910) 590-594; P. de Rooy, Een revolutie die voorbij ging. Domela Nieuwenhuis en het Palingoproer (Bussum 1971) 15, 16, 40, 83; J. Charité, De Sociaal-Democratische Bond als orde- en gezagsprobleem voor de overheid (1880-1888) (Den Haag 1972) 29, 34, 37, 113, 131-134, 138, 139; J.M. Welcker, Heren en arbeiders in de vroege Nederlandse arbeidersbeweging 1870-1914 (Amsterdam 1978) 63, 111, 205; Ph. van Praag, 'Het politieke debat over armoede en geboortenbeperking in het ANWV (1879-1882)' in: M. Campfens, M. Schrevel, F. Tichelman (red.) Op een beteren weg (Amsterdam 1985) 66, 69; D. Bos, Waarachtige volksvrienden. De vroege socialistische beweging in Amsterdam 1848-1894 (Amsterdam 2001).

Portret: 
K.A. Bos, uit: Vliegen, Dageraad I, t.o. 80
Auteur: 
Johanna M. Welcker
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 5 (1992), p. 20-23
Laatst gewijzigd: 
23-09-2002