BROMMERT, Johannes

Johannes Brommert

dienstweigeraar en communistisch propagandist, is geboren te Kampen op 20 december 1891 en overleden in Johannesburg (Zuid-Afrika) in 1975. Hij was de zoon van Johannes Brommert, sigarenmaker, en Agnieta Heijkens. Op 20 december 1911 trad hij in het huwelijk met Maartje Plomper, met wie hij twee dochters kreeg. Dit huwelijk werd ontbonden op 3 mei 1922. Brommert trad op 9 november 1927 in het huwelijk met Hester Magdalena Wilhelmina Kampfraath, nadat hij op 24 december 1920 met haar een vrij huwelijk was aangegaan. Dit huwelijk, waaruit een zoon werd geboren, werd ontbonden door het overlijden van Kampfraath in 1962. In 1966 hertrouwde Brommert met een vrouw van wie alleen de voornaam (Muriel) bekend is.

Brommert groeide op in Kampen, waar hij het beroep van letterzetter leerde. Na het overlijden van zijn moeder in 1910 vertrok hij een jaar later naar Alkmaar. Hij kwam daar onder invloed van het socialisme en sloot zich aan bij de SDAP. Binnen de partij stond hij op de linkervleugel, die zich in de wereldoorlog verzette tegen de 'godsvrede' van P.J. Troelstra, die de mobilisatie van het Nederlandse leger goedkeurde. Brommert was pacifist en weigerde als een van de weinige SDAP'ers de dienstplicht. Hij ondertekende het dienstweigeringsmanifest uit 1916 en hield veel spreekbeurten tegen de oorlog. Na zijn veroordeling wegens dienstweigering belandde hij in de gevangenis. Eerst zat hij in Arnhem, later in Amersfoort, waar hij zich bezig hield met het lezen van K. Kautsky, K. Marx en Opwaartsche wegen van Henriette Roland Holst, die in die tijd veel invloed op hem uitoefende. Brommert brak met de SDAP en sloot zich aan bij de Internationale Anti-Militaristische Vereeniging (IAMV). Die toonde zich erg verguld met een sociaal-democratische dienstweigeraar en de voorzitter, dominee N.J.C. Schermerhorn, schreef in 1917 een voorwoord bij Brommerts brochure over zijn dienstweigeren Licht in de duisternis (Amsterdam 1917). Brommert sprak daarin over het verraad van de leiders van de Tweede Internationale en wees op gunstige uitzonderingen als Rosa Luxemburg, Klara Zetkin, Karl Liebknecht en Leo Trotski, die zich verzetten tegen 'het moorddadige militarisme'. Brommert riep op zich aan te sluiten bij de IAMV. In december 1916 had hij in zijn woonplaats Uitgeest een afdeling opgericht. Na zijn vrijlating uit de gevangenis eind 1917 ging Brommert schrijven in De Wapens Neder en trad hij op als propagandist van de IAMV. Zo sprak hij in mei 1918 samen met F. Domela Nieuwenhuis in Hilversum tegen de oorlog. In augustus 1918 werd hij redacteur van het Correspondentieblad van de IAMV. Tevens beheerde hij als secretaris-penningmeester het steunfonds voor dienstweigeraars. Brommert werd een populaire spreker in de Zaanstreek en Oost-Groningen, waar het anarchisme nog sterk leefde.

Onder invloed van de Russische Oktoberrevolutie ging Brommert over tot het communisme. In 1919 werd hij voorzitter van de Communistische Partij in Nederland (CPN), federatie Noord-Holland. In dat jaar werd hij gekozen in de gemeenteraad van Uitgeest en in de Provinciale Staten. Brommert raakte sterk onder de invloed van D. Wijnkoop. Volgens J. de Kadt was Brommert in die jaren een discipel van Wijnkoop, gehuld in half-artistieke kledij, met krullende haren en een flambard. In De Wapens Neder verdedigde hij het communisme tegen de anarchistische antimilitaristen. Op het kerstcongres van het IAMV in 1918 had Brommert al een lans gebroken voor de bolsjewistische macht in Rusland. Zijn antimilitarisme verdween en hij pleitte voor steun aan Leo Trotski's rode leger. Op het IAMV-congres in 1921 riep hij tenslotte uit: 'Het anti-militarisme wordt thans gedragen op de punten der Russische bajonetten'. Hij steunde de Sovjet-Unie daadwerkelijk door in de zomer van 1921 in het communistische comité Hulp aan Hongeren Rusland, de latere Internationale Arbeidershulp (IAH), actief te zijn. Brommert afficheerde zich binnen de IAMV als een overgangsfiguur tussen communisten en anarchisten, die met de Russische Revolutie sympathiseerden maar nog geen lid van de CPN wilden worden. Vanwege zijn antimilitaristische standpunten en persoonlijk dienstweigeren was hij voor anarchisten acceptabel. Zo was hij lid van het Comité van Actie tegen de Bestaande Opvattingen omtrent Misdaad en Straf, waarin vooraanstaande anarchisten als L. van Mierop en Clara Wichmann zich inzetten voor strafhervormingen. Steeds meer ging Brommert tekeer tegen de anarchisten, die hij ervan beschuldigde niet revolutionair genoeg te zijn. Hij deed aan cellenbouw binnen de IAMV, en al snel wilden de antimilitaristen hem kwijt. Tenslotte bedankte Brommert voor het lidmaatschap. De CPN stuurde hem vaak naar Oost-Groningen om de anarchistische arbeiders tot het communisme te bekeren. Brommert vestigde zich eind 1920 in Enschede als propagandist. Hij had er een drukkerij. Zijn huwelijk was gestrand en hij ging samenwonen met de uit Zuid-Afrika afkomstige Magdalena Kampfraath, met wie een zoon kreeg die hij ter ere van Lenin Wladimir noemde. Voor De Tribune verzorgde hij een rubriek over Twente. In Enschede moest Brommert nauw samenwerken met anarchisten die onder de arbeiders in Twente over aanhang van betekenis beschikten. Zo sprak hij op een gezamenlijk 1 mei-feest van anarchisten en communisten. Brommert was tevens propagandist in de Drentse venen en nog steeds Oost-Groningen, waar hij veel discussieerde met anarchisten als Anton Constandse en H.E. Kaspers, redacteur van De Arbeider, waarin Brommert ook wel schreef. Binnen zijn eigen CPN-afdeling ondervond Brommert tegenstand van de hispanoloog G.J. Geers, die aan een verblijf in Spanje anarcho-syndicalistische opvattingen had overgehouden. De afdeling viel tenslotte uiteen en vele leden werden geroyeerd. Tijdens de Twentse textielstakingen van 1923 werden Brommert en G.J.M. van het Reve gearresteerd en wegens opruiing tot drie maanden gevangenisstraf veroordeeld. Brommert zat deze pas in 1926 uit.

In juni 1923 vertrok Brommert een illusie armer naar Amsterdam. Hij begon daar met Kampfraath een kunstnijverheidswinkel en noemde zich kunsthandelaar. Daarnaast was hij bezoldigd secretaris van de IAH. Zijn ster rees in de partij en hij kwam in het partijbestuur. In 1925 werd hij als secretaris met het gehele bestuur door de Comintern tot aftreden gedwongen. Brommert volgde Wijnkoop naar diens nieuwe partij, de Communistische Partij Holland-Centraal Comité (CPH-CC), waarin hij opnieuw in het bestuur kwam. Zijn functie bij de IAH behield hij. De aanhangers van de andere communistische partij, de CPN, bleven ook zitten, zodat de emoties hoog opliepen. Bekend is het verhaal dat Louis de Visser bij 'de veldslag in de Harmonie' in 1928 tijdens discussies tussen beide stromingen zijn wandelstok stuk sloeg op de rug van Kampfraath. De CPH-CC bood Brommert en zijn vrouw onvoldoende mogelijkheid van bestaan. Zij leefden hoofdzakelijk van de kunstnijverheidswinkel. Wijnkoop, en in zijn kielzog Brommert, zette alles op alles om weer aansluiting bij de Comintern te krijgen. In het voorjaar van 1930 spraken Brommert en Wijnkoop in Hengelo en pleitten voor eenheid onder de communisten, maar ze werden door De Tribune nog beschimpt. In juni 1930 echter dwong de Comintern beide partijen te fuseren, waarbij de Wijnkoopgroep publiekelijk schuld diende te bekennen. De bestuursleden deden dat collectief, teneinde voor het lidmaatschap van de CPN in aanmerking te kunnen komen. Maar voordat de Comintern over hun toetreding besliste, moesten zij ook individueel erkennen fout te zijn geweest. Brommert deed er lang over om zijn politiek ongelijk publiekelijk in De Tribune te bekennen. De sociaal-democratie als sociaal-fascisme bestempelen ging hem te ver. Pas in december 1930 gaf hij toe. Wel werd hij voor de CPN weer actief. Zo sprak hij op 1 mei 1931 te Groningen. Zelfs wist hij in Hoogezand, in de omgeving waar de CPH-CC altijd sterk was geweest, nog een nieuwe CPN-afdeling op te richten. Maar de herenigde partij beviel hem niet, te meer omdat de Wijnkoop-aanhangers voortdurend belasterd werden. In de tweede helft van 1934 vertrok Brommert, nadat Kampfraath en zijn zoon hem voor waren gegaan, naar Zuid-Afrika om daar een nieuw bestaan op te bouwen. Hij mocht zich er niet met politiek bemoeien en hield zich in leven met tal van baantjes. Brommert is in 1975 in Johannesburg overleden. Zijn lichaam werd ter beschikking gesteld van de wetenschap. Zijn in Nederland achtergelaten archief werd bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog vernietigd. Zijn in Zuid-Afrika verboden boekenbezit kwam terecht in de bibliotheek van de universiteit van Witwatersrand.

Publicaties: 
Waarom ik als lid der S.D.A.P. den dienst weiger (Uitgeest z.j.); Anarchisme en communisme (Amsterdam 1921); Anarchisme en communisme (z.pl. 1921); Geen man en geen cent voor het militarisme (Amsterdam ca. 1922).
Literatuur: 
W. van Ravesteyn, De wording van het communisme in Nederland 1907-1925 (Amsterdam 1948); J. de Kadt, Uit mijn communistentijd (Amsterdam 1965); A.J. Koejemans, David Wijnkoop (Amsterdam 1967); G. Harmsen, Nederlands kommunisme (Nijmegen 1982); P.H. Hoekman, J. Houkes, 'Socialisme in Finsterwolde 1880-1935' in: O.S. Knottnerus (red.), Rondom Eems en Dollard/Rund um Ems und Dollart (Groningen 1992); P.H. Hoekman, J. Houkes, 'Het communisme komt' in: G. Voerman (red.), Tussen Moskou en Finsterwolde (Scheemda 1993); G. Voerman, De meridiaan van Moskou. De CPN en de Communistische Internationale (1919-1930) (Amsterdam 2001).
Portret: 
Johannes Brommert (1919), IISG
Auteur: 
Jannes Houkes
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 7 (1998), p. 23-25
Laatst gewijzigd: 
11-01-2007