HOVING, Jan

Jan Hoving

voorzitter van De Dageraad in het interbellum, is geboren te Frederiksoord op 5 juni 1877 en overleden te Halfweg op 27 mei 1939. Hij was de zoon van Roelof Hoving, dorpswinkelier en koopman, en Karolina Johanna Plaat. Op 29 oktober 1902 trad hij in het huwelijk met Alberta Adriana Hack, met wie hij twee dochters en een zoon kreeg. Dit huwelijk werd ontbonden op 31 mei 1915. Op 22 juli 1915 hertrouwde hij met Bernardina van Grunsven, met wie hij twee zoons kreeg.

Hoving groeide op in een gezin met eerbied voor geloof en gezag. Hij moest op catechisatie en leerde excerceren op de plaatselijke oranjevereniging, de Vrijwillige Wapenhandel. Hoving noemde dit later de 'militaristische vergiftiging mijner jeugd'. Toen zijn vaders dorpswinkel failliet ging, vertrok het gezin in maart 1889 van het Drentse platteland naar Amsterdam. Hoving moest van school om mee te helpen de kost te verdienen en werd mandenmaker. Toen hij een jaar of achttien was, verliet hij het ouderlijk huis, trok naar Parijs en werkte vervolgens als mandenmaker in verscheidene Duitse steden. In Bremen nam zijn kostbaas hem mee naar een rede van Wilhelm Liebknecht, waarna hij zich aansloot bij de Deutsche Holzarbeiter Verein. Hij bracht hem ook in contact met een theosofische loge. De theosofie sprak Hoving zeer aan. Na zijn ontslag wegens ongedisciplineerd gedrag kwam hij via theosofische geestverwanten in Dresden terecht. In het dorpje Biesern-Rochlitz maakte Hoving deel uit van een filantropisch gefinancierde theosofische kolonie. Eind 1896 keerde hij terug om dienst te doen als artillerist in Naarden en Amsterdam. Daarna werkte hij op een fabriek voor bamboemeubels in Zeist, waar hij een theosofische studieclub oprichtte. De club stuitte op weerstand van de plaatselijke bevolking en Hoving werd ontslagen wegens propaganda van 'oproerige en goddeloze ideeën'. Hij vond in 1898 weer werk in Amsterdam, werd lid van de theosofische loge Katherine Tingley en bezocht de zittingen van de vereniging Wie denkt overwint onder leiding van Willem Meng. Hier kwam hij met socialisten en anarchisten in aanraking. Bij Hoving thuis kwam een discussieclub van bezoekers van Meng bijeen, waar Hoving zich als spreker en debater ontwikkelde. In november 1905 hield hij voor de Theosofische Vereeniging Groep Amsterdam een lezing over 'De mystieke zijde van het religieuse leven', die daarna in druk verscheen. Hij riep hierin op tot 'goddelijke bewustwording'. Geen dogma is nodig, maar ontwikkeling en zelfbewustzijn. Theosofie bevordert het vrij denken, maar staat niet op een ongelovig standpunt, aldus Hoving: 'een principieel ongeloovige, is een geloovige in negatieven zin'. Het socialisme beschouwde hij als lapmiddel: 'De menschen moeten beter worden, dan worden de verhoudingen tusschen de menschen van zelf beter'. Bijna een jaar later sprak Hoving voor de humanitaire propagandagroep Algemeene Verbroedering in Den Haag. Hij kreeg echter moeite met het kritiekloos aanvaarden van de theosofie. In augustus 1906 nam hij deel aan een internationale bijeenkomst van theosofen in Neurenberg en schreef in Het Volksdagblad dat in de praktijk de theosofie vaak zonk 'tot een kerk of partij met dogma's en geloofsartikelen'. Op de slotzitting verdedigde Hoving het vrijdenken. Hij bezocht hier voor het eerst een vrijdenkerscongres, dat hem imponeerde en tegelijkertijd als te nuchter afschrok. Later schreef Hoving dat in Neurenberg het kritische boekje Annie Besant, eine wunderliche Heilige van Dr. Hensoldt een verpletterende indruk op hem had gemaakt. 'Mijn theosofische slakkenhuisje is nu voor altijd stukgetrapt'. Het moeten loslaten van de theosofie waarin hij zo heilig geloofde, greep hem aan en hij verloor tijdelijk zijn geestelijke belangstelling. Hij werd eigen baas en verdiende goed met het maken van rieten meubels.

Na verloop van tijd kwam Hoving door de propaganda van Hijman Croiset op een vergadering van De Dageraad, waar P.C.F. Frowein sprak over vivisectie. Een vriend uit zijn diensttijd maakte hem daar lid. Vanaf november 1911 sprak Hoving voor de Amsterdamse afdeling van De Dageraad over uiteenlopende onderwerpen. In november 1912 werd hij in het bestuur van deze afdeling gekozen. Hij ontwikkelde zich tot atheïst en proclameerde begin 1913 in een vlugschrift de 'dood aan den godsdienst', dat in De Vrije Gedachte een polemiek opriep. Hoofdredacteur A.E. Mendell wees Hovings standpunt af. Als vrijdenker had men ieders persoonlijk standpunt te eerbiedigen, het was de kerk die moest worden bestreden. Vanaf oktober 1913 verscheen onder Hovings redactie De Vrijdenker, het maandblad van de Amsterdamse afdeling. Hij ontpopte zich als een helder stylist en de oplage groeide. Het maartnummer van 1914 was in zijn geheel gewijd aan Multatuli, waarvoor Hoving grote bewondering had. In die maand werd Hoving in het hoofdbestuur van De Dageraad gekozen, waarna hij als medewerker van De Vrije Gedachte aantrad. De beschuldiging van de theoloog A.H. de Hartog, dat het uitbreken van de oorlog door de vrijdenkers als een gericht gods was opgeroepen, bracht Hoving in het geweer. Hij organiseerde verweervergaderingen in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag. A.H. de Hartog, stichter van de vereniging De Middaghoogte - tot bestrijding van De Dageraad - kruiste daarna nog jarenlang de degens met Hoving, maar zij waardeerden elkaar als mens. In 1915 werd De Vrije Gedachte omgedoopt tot weekblad, waarna De Vrijdenker kwam te vervallen. Maar in februari 1919 liet Hoving De Vrijdenker opnieuw onder zijn redactie verschijnen. Onder zijn voorzitterschap groeide de Amsterdamse Dageraad tot verreweg de grootste afdeling, terwijl er landelijk sprake van teruggang was. Het Amsterdamse bestuur wilde daarom ook landelijk de lakens uitdelen. Op het congres van De Dageraad in 1919 bepleitte Hoving dat de vereniging 'positief atheïstisch' zou worden. Het atheïsme moest meer omvatten dan een intellectualistische benadering. Het diende 'eene volledige verbinding' tussen de 'ziel en de wereld' te zijn. Hij baseerde zich op A. Schopenhauer, Fr. Nietzsche, F. Mauthner en Multatuli. Het resultaat was dat de vereniging zich op atheïstisch standpunt plaatste. Hovings ster was rijzende. Na een conflict volgde hij in april 1920 W. Havers op als landelijk voorzitter, toen het Amsterdamse bestuur tevens hoofdbestuur werd. Hij bleef dit, enkele periodes uitgezonderd, tot zijn dood in 1939. Hij organiseerde tal van propagandavergaderingen, waarvan de propagandatocht naar Limburg, het 'donkere Zuiden', van juli 1931 landelijk opzien baarde. 'De geestelijken bewerkten met oorlogszuchtige predicaties het "moreel van de troep"' om ten strijde te trekken tegen de 'vrijdenkersduivelen', schreef Hoving later. Ook de roomse pers hitste het publiek op tegen de 'godloochenaars en hun revolutionairen aanhang'. De tocht verliep zeer tumultueus. Onder Hovings leiding maakte De Dageraad een bloeiperiode door, ondanks de kritiek waaraan hij soms bloot stond. Ofschoon hij inmiddels sociaal-democraat was, spaarde Hoving links niet. Het anarchisme wees hij als 'sympathieke dwaling' af wegens een gebrek aan werkelijkheidszin en het afkeuren van organisatie als middel. De SDAP die in deze tijd meer ruimte bood aan het religieus-socialisme, verweet hij bij voortduring godsdienst als privaatzaak op te vatten, wat volgens hem neerkwam op een 'betuiging van verdraagzaamheid aan de onverdraagzaamheid.' Hoving bewonderde de anti-godsdienstige stellingname van de oude beweging. De SDAP verloochende die steeds meer, wat voor hem volgens Het Volk reden was zijn lidmaatschap op te zeggen. In mei 1921 verklaarde Hoving in De Vrijdenker geen sociaal-democraat meer te zijn. Hij schreef in 1927 geruchtmakende artikelen onder de titel 'Is er een Socialistische beweging in Nederland', waarin zowel de SDAP als de vrije socialisten het moesten ontgelden. Anton Constandse verweet Hoving slechter op de hoogte van het Vrije socialisme te zijn dan 'de reactionnaire katholiek'. 'Precies met elken zin' zat hij er 'volledig naast', aldus Constandse in De Vrijdenker.

Hoving vond in 1932 politiek onderdak bij de Onafhankelijke Socialistische Partij (OSP). In december 1932 werd Hoving op de kandidatenlijst van de OSP voor de Tweede Kamerverkiezingen van april 1933 gekozen. Hij hield inleidingen over 'Godsdienst en socialisme' op verscheidene cursusvergaderingen van de 0SP in Apeldoorn en Arnhem en haalde op openbare vergaderingen in toespraken getiteld 'Der schöne Adolf en het socialisme' fel uit tegen het nazisme. Hoving bestreed het fascisme al vanaf eind jaren twintig. In de eerste radio-uitzending van de Vrijdenkers Radio Omroep Vereeniging (VRO) in september 1929 werd zijn toespraak over Benito Mussolini uit de ether gehaald wegens belediging van een bevriend staatshoofd en het kwetsen van 'het opperhoofd van de Rooms-Katholieke Kerk'. Deze censuur zorgde voor commotie en D.J. Wijnkoop stelde vragen in de Tweede Kamer. De censuur verbood verscheidene radiotoespraken van Hoving vooraf wegens ondermijning van de godsdienst. Openbare toespraken van hem leidden enkele malen tot gerechtelijke vervolgingen. Hoving hield van 1934 tot 1936 een zestal radio-redes over anti-semitisme. Onder katholieke druk, gesteund door de Nationaal-Socialistische Beweging, besloot de regering Colijn eind 1936 de VRO de zendmachtiging te ontnemen. Samen met Constandse protesteerde Hoving hier fel tegen. Hoving zat vanaf de oprichting van de VRO (juli 1928) tot zijn dood in het bestuur, waarvan vele jaren als voorzitter. Hij redigeerde tevens het Verenigingsorgaan 'V.R.O.' Nieuws.

Als jong theosoof, gericht op het 'hogere', had Hoving nauwelijks aandacht gehad voor seksualiteit. Hij werd naar eigen zeggen van zijn preutsheid bevrijd na lezing van Max Stirners Der Einzige und sein Eigentum (1844). Vele jaren later, van 1928 tot zijn dood zat Hoving in het hoofdbestuur van de Nieuw-Malthusiaansche Bond (NMB), waarvoor hij als spreker optrad en diverse brochures schreef over seksuele opvoeding, geboorteregeling, de sociale kant van het nieuw-malthusianisme en het fascisme. Hoving zette zich in voor het stichten van consultatiebureaus en bezocht daartoe verscheidene van deze instellingen in Duitsland. Hij had succes. In september 1931 opende de NMB het eerste consultatiebureau voor 'geslachtsleven, huwelijk en geboorteregeling', het Aletta Jacobshuis. Op voorstel van Hoving protesteerde de NMB in 1933 bij Hitler tegen de vervolging van de Duitse joden. In 1934 werd Hoving mederedacteur van een nieuw wetenschappelijk maandblad, Nieuw Geslachtsleven. Hiervan verscheen slechts één nummer, omdat de redactie de beginselverklaring van de Nederlandse sectie van de radicale Wereld Liga voor Sexuele Hervorming opnam en zich daardoor van de NMB distantieerde. Zowel voor de NMB als De Dageraad liet Hoving ook internationaal van zich horen. Op de internationale vrijdenkerscongressen in Antwerpen (1927), Luxemburg (1929) en Berlijn (1930) drong hij aan op fusie met socialistische vrijdenkersorganisaties. In september 1931 werd besloten tot fusie van de Internationale Federatie waartoe De Dageraad behoorde, en de communistische Federatie van Proletarische Vrijdenkers, die Duitse en Oostenrijkse verenigingen omvatte. Op het eerste gezamenlijke congres in juni 1934 te Barcelona kwam Hoving in het bestuur (tot september 1938). Hij streefde met succes naar aansluiting van de vrijdenkersvereniging uit de Sovjet-Unie bij de Wereldunie van Vrijdenkers in 1936. In april van dat jaar sprak hij in Praag de Wereldunie toe over de vervolging van joden. Hoving hield van reizen, had een grote liefde voor de natuur en verdiepte zich onder het genot van een sigaar in filosofie en literatuur. Deelname aan het vrijdenkerscongres in Londen van 1938 was het laatste wapenfeit in zijn 'strijd tegen die overmachtige theologiën welke het kapitalisme overal en alom verdedigen'.

Publicaties: 
De mystieke zijde van het religieuse leven. Voordracht gehouden voor de Theosophische Vereeniging (I.T.V.) Groep Amsterdam (Amsterdam 1905); Multatuli als vijand van het godsdienstig bijgeloof en als verkondiger eener atheïstische wereldbeschouwing. Bloemlezing uit zijne Ideeën (Amsterdam 1920); De godsdienst door de wetenschap gehandhaafd? (Baarn 1921; pro: A.H. de Hartog, contra: J. Hoving); De kwestie Geelkerken van Dageraadsstandpunt bezien. De slang, het lastige en moeilijke beest uit Genesis (Amsterdam z.j.); Van de slagvelden van wetenschap en godsdienst. Voordracht (Amsterdam z.j.); Is de godsdienstige een geesteszieke? Godsdienstigheid en krankzinnigheid (Amsterdam z.j.; popularisatie naar Theodor Reik); Huwelijk of vrije liefde. Rede (Rotterdam 1925); Is kinderen krijgen het eenige doel van het huwelijk? (Rotterdam z.j.); Gedachten over de sexueel-zedelijke opvoeding der jeugd (Rotterdam z.j.); God, 't vijfde rad aan den socialistischen wagen. Strijdschrift tegen het godsdienstige bestanddeel van het religieus-socialisme (Rotterdam 1925); De conflicten tusschen godsdienst en wetenschap (Amsterdam 1927); Honger en liefde. Een woord tot de arbeiders naar aanleiding van de crisis (Amsterdam 1931); Is Godsdienst opium? (Amsterdam 1931); Over God en godsdienst (Amsterdam 1932); Levensherinneringen van een vrijdenker. Jeugd (Antwerpen 1934); Jodenhaat (Antwerpen 1935); Derde rede tegen de jodenhaat (Amsterdam z.j.); Goedereneconomie en menscheneconomie (Rotterdam 1935); Voor of tegen sexueele geheelonthouding? (Amsterdam 1937, pro: J. Hoving, contra: Dr. L. Heijermans); Verstandige geboorteregeling, volksmoord? (Den Haag 1937); Levensherinneringen van een vrijdenker. Allerlei lui (Amsterdam 1938).
Literatuur: 
N. van Tienen, De zoon van 'Rooie Roelf' en de 'S.0.V.'-sof (Amsterdam z.j.); 'Hoving overleden. Geestelijk voorman van "De Dageraad"' in: Vooruit, 27.5.1939; De Vrijdenker, 10.6.1939, Hoving-Herdenkingsnummer; Bevrijdend Denken. Gedenkbundel van het honderdjarig bestaan van de vrijdenkersvereniging De Dageraad (Amsterdam 1956); G. Nabrink, Seksuele hervorming in Nederland (Nijmegen 1978); J. Baars e.a., 125 jaar vrijdenken (Rotterdam 1981); H. Wijfjes, Radio onder restrictie (Amsterdam 1988); P. Hoekman en J. Houkes, De Weezenkas (Amsterdam 1996); P. Hoekman, 'Hoving, Jan' in: Drentse biografieën 5 (Groningen 1997).
Portret: 
J. Hoving, IISG
Auteur: 
Piet Hoekman
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 5 (1992), p. 120-125
Laatst gewijzigd: 
25-09-2002