MEIJER, Rudolf Carel

Rudolf Carel Meijer (R.C. d'Ablaing van Giessenburg)

(bekend als R.C. d'Ablaing van Giessenburg), boekhandelaar, uitgever en mede-oprichter van de vrijdenkersvereniging De Dageraad, is geboren te Amsterdam op 25 april 1826 en aldaar overleden op 13 maart 1904. Hij was de zoon van Rudolf Carel d'Ablaing baron van Giessenburg, zonder beroep, en Johanna Maria d'Ablaing van Giessenburg. Op 18 april 1861 trad hij in het huwelijk met Josephina Maria Anthonia Luken, met wie hij vier zoons kreeg. Familienaam tot 22 maart 1861: R.C. Meijer, daarna R.C. d'Ablaing van Giessenburg, maar hij bleef R.C. Meijer altijd als boekhandels- en uitgeversnaam voeren.
Pseudoniemen: Aërobaat, Caper, Rudolf Charles, R.C., L. Dabinga, Karel, Jan Rechtuit, Een Staatsburger. D'Ablaing signeerde ook met zijn initialen D.A.V.G.

D'Ablaings ouders waren halfbroer en- zuster van elkaar. Beiden hadden J.D.C.C.W. d'Ablaing baron van Giessenburg tot vader, maar de moeder was een natuurlijke dochter van de baron. Zijzelf liet haar zoon aangeven onder de in haar eigen familie voorkomende naam Meijer. Voor d'Ablaing betekende dit alles dat hij opgroeide in een drukkende, geheimvolle sfeer, met een ongehuwde moeder. Kort voor zijn huwelijk in 1861 - hij trouwde met een vroom katholiek meisje - erkende zijn moeder hem als natuurlijke zoon (22 maart 1861). Van toen af voerde hij de naam d'Ablaing van Giessenburg.

Na het lager onderwijs wilde d'Ablaing niet naar de Latijnse school. Hij werd geplaatst op het kantoor van een kousenkoopman in Amsterdam en was een tijdlang klerk bij een Schots handelshuis te Batavia (1847-1850), maar keerde terug naar Amsterdam en werd vennoot van de boekhandelaar en uitgever J. Stemvers. In 1853 vestigde hij zich zelfstandig en vanaf omstreeks 1856 trad hij ook als uitgever op. Hij kon toen boeken van eigen keuze uitgeven. Omdat hij in buitenlandse boeken handelde, vooral Franse, had hij in snel tempo een netwerk van geestverwante relaties opgebouwd, in Brussel en Parijs, maar ook in Engeland en Duitsland. In de vrijdenkersbeweging was hij de man met de meeste internationale contacten. Lid geworden van de onafhankelijke vrijmetselaarsloge Post Nubila Lux (opgericht in 1849), ontwikkelde hij zijn denkbeelden van radicaal en deïstisch naar materialistisch en atheïstisch. Met onder meer F.C. Günst richtte hij in 1855 het tijdschrift De Dageraad op, waarvan hij aanvankelijk ook redacteur was, en op 4 (en 12) oktober 1856 de vrijdenkersvereniging De Dageraad. Van deze betrekkelijk kleine vereniging was hij de eerste voorzitter. Gedurende enige tijd drukte hij het blad De Lichtstraal voor de gelijknamige Rotterdamse vereniging van G.W. van der Voo (de afleveringen 2-7, 1857? - van deze titel zijn geen bibliotheek-exemplaren teruggevonden). Hij publiceerde ook enkele saint-simonistische werken in de vertaling van A.J. Nieuwenhuis en Van der Voo. Dat d'Ablaing verre van ingenomen was met de inhoud van het blad De Dageraad, dat door de lang deïst gebleven Günst werd gepubliceerd, blijkt uit zijn militante optreden in 1858. Op 11 januari bedankte hij voor zijn lidmaatschap van de Waalse Gemeente en liet de brief in de krant zetten. Op 28 mei trok hij zich terug uit de loge, omdat de statuten geen debat over godsdienst en politiek toelieten. Gedurende dat hele jaar publiceerde en redigeerde hij drie tijdschriften, waarvan het eerste bedoeld was als verenigingsblad voor De Dageraad, omdat De Dageraad op dat punt stelselmatig verstek liet gaan: Het Verbond der Vrije Gedachte, De Regtbank des Onderzoeks en De Tijdgenoot op het gebied der Rede. Na dat jaar moest hij deze uitgaven staken, maar de onverkocht gebleven afleveringen bundelde hij in 1859 onder de titel Een Bliksemschicht der XIXe Eeuw. Deze droeg hij op aan de mensheid en aan de nagedachtenis van Robert Owen.

Vanaf 1859 hield d'Ablaing zich bezig met het laten overschrijven van een door hem verworven kopie van het handschrift Le Testament van Jean Meslier (1664-1729). De schrijver was een eenvoudige Franse dorpspastoor die zijn kritische visie op geloof, kerk en maatschappij uitvoerig had ontvouwd, maar het werk natuurlijk niet kon publiceren, omdat het volstrekt materialistisch was, en in de politiek-sociale gedeelten zelfs vroeg-communistisch. Met ingang van 1860 bezorgde d'Ablaing de publikatie, in afleveringen, in het Frans. Bij de voltooing in 1864 (3 delen) was het de enige authentieke uitgave tot 1970.

In 1860 was d'Ablaing bevriend geraakt met Multatuli en vanaf 1862 trad hij op als diens uitgever (o.a. Ideën 1 en II). Hij was een tijdlang ook zijn secretaris en steunde hem naar vermogen. Intussen werd zijn eigen financiële toestand hoe langer hoe benarder. Als uitgever was hij nooit verwend met succes en het mislukken van De Omnibus (één jaargang, 1865-1866), onder redactie van G. Broens (= Hagiosimandre) betekende voor hem de genadeslag. Een verzoek aan Multatuli om kopij te leveren voor het noodlijdende blad leidde tot een breuk tussen eerstgenoemde en d'Ablaing, met bittere verwijten over en weer.

Na een tiental jaren met zijn krachten te hebben gesmeten, trok d'Ablaing zich omstreeks 1865 helemaal terug. De loge was in 1863 een vooruitstrevender koers gaan varen en op 12 november van dat jaar was d'Ablaing weer lid geworden. Op 11 augustus 1864 was hij tot voorzittend meester gekozen. Zijn voorzitterschap van De Dageraad was nog steeds ononderbroken, maar op 25 mei 1865 diende hij zijn ontslag in. H.H. Huisman volgde hem op die post op (25 juni 1865). Op 29 augustus 1866 bedankte d'Ablaing zelfs voor zijn lidmaatschap van De Dageraad en op dezelfde dag voor de loge, maar het laatste slechts tijdelijk. Wel was hij op 11 januari 1866 lid geworden van de nieuwe liberale kiesvereniging Burgerpligt. In september 1870 gaf hij mede de aanzet tot de oprichting van de radicaal-liberale Internationale en Voortdurende Vredebond te Amsterdam, die op zijn beurt aan de wieg zou staan van Het Algemeene Nederlandsche Vredebond (1871). Hij was hier organisatorisch actief en publiceerde ook een redevoering over de zaak van de vrede als brochure (1872).

Intussen was de vrijdenkersbeweging in Amsterdam bijna weggekwijnd, maar op 8 oktober 1876 belegden Het Vrije Onderzoek (zoals De Dageraad was gaan heten) en De Humaniteit een gezamenlijke bijeenkomst ter herdenking van het twintigjarig bestaan van De Dageraad. Hoewel van geen van beide verenigingen lid, sprak d'Ablaing de feestrede uit, over de scheiding van kerk en staat, en kreeg hij daarna het voorzitterschap van de vergadering aangeboden. Aan het slot verzocht een van de aanwezige kopstukken van de toenmalige arbeidersbeweging om een stemming over het beginsel van algemeen stemrecht als middel om de scheiding van kerk en staat te verwezenlijken. D'Ablaing hield de boot af, omdat die weg zijns inziens vooralsnog heilloos was. Inmiddels een goed liberaal geworden, zag hij meer in onderwijs en scholing alvorens het algemeen stemrecht in te voeren. Het gedrukte verslag van de vergadering eindigt met een oproep aan belangstellenden in de oprichting van een nieuw tijdschrift De Dageraad om contact op te nemen met de firma R.C. Meijer. Vanaf 1876 was d'Ablaing dus weer actief als vrijdenker, maar de verschijning van het blad, waarvan hij hoofdredacteur was, liet op zich wachten tot 1879. In datzelfde jaar werd ook de vereniging weer heropgericht, onder de oude naam De Dageraad. D'Ablaing werd de eerste voorzitter. In 1880 werd hij afgevaardigd naar het internationale vrijdenkerscongres in Brussel en kreeg hij een post in het bestuur van de Internationale Federatie, in 1881 woonde hij het internationale congres in Londen bij. In de maanden mei/juni 1882 ontstond in De Dageraad een conflict over de wijze van aannemen van nieuwe leden. De democratische stroming, veruit in de meerderheid, wenste over nieuwe lidmaatschappen te beslissen bij meerderheid van drie vierde van de stemmen. De voorzitter wilde vasthouden aan de oude manier van een voorafgaand abonnement op De Dageraad, waarmee men zijn kandidatuur voor het lidmaatschap stelde, en daarna een ballotage die met een meerderheid van drie beslist moest worden. Op 11 juni werd een motie van afkeuring tegen de voorzitter aangenomen, waarna d'Ablaing de vereniging verliet, met een handvol getrouwen. Hij voerde nu twee jaar lang, samen met Floor Florensse (A.J.E. van den Bogaert) en Mattheus (C.P. Holst) als Rudolf Charles de redactie van Recht door Zee. Maandschrift tot bespreking van zedelijke en maatschappelijke vraagstukken van een vrijzinnig standpunt, uitgegeven door R.C. Meijer (1882-1884). In dit blad komt het uitvoerigste verslag voor van het internationaal vrijdenkerscongres te Amsterdam (30 augustus-2 september 1883).

In later jaren werkte d'Ablaing aan een grote geschiedenis van de godsdiensten die hij in zes delen ontworpen had, maar waarvan in 1889 alleen een voorstudie verscheen: L 'Evolution des idées religieuses dans la Mésopotamie et dans l'Egypte depuis 4400 jusqu'à 2000 avant notre ère.

Het belang van d'Ablaing van Giessenburg ligt in zijn rol als propagandist, animator en organisator bij het bevorderen van de vrije gedachte en in zijn moed om als uitgever van verboden of vervolgde schrijvers, vaak Fransen, op te treden. Voor Nederland zijn zijn uitgaven van Multatuli het belangrijkst, voor de internationale arbeidersbeweging is dat onbetwistbaar Meslier, al kwam die bijdrage aan het socialisme als het ware onwillekeurig tot stand. Tot d'Ablaing stond Meslier bekend als een deïst, op grond van een zeer eenzijdige en beknopte bloemlezing die door Voltaire in omloop was gebracht. Daarnaast was een klassieke tekst van het achttiende-eeuwse materialisme, Le Bon Sens van de baron d'Holbach, geleidelijk aan toegeschreven geraakt aan Meslier en door handige uitgevers in tientallen edities samen met de bloemlezing van Voltaire als werk van Meslier uitgebracht. Met socialisme of communisme had dat niets te maken. Voor d'Ablaing zelf en zijn generatiegenoten betekende de uitgave van de echte Meslier in de eerste plaats een eerbetoon aan een klassieke materialist. Maar in de decennia na de publikatie ontdekte een nieuwe generatie geschoolde socialisten langzamerhand een belangrijke voorloper in Meslier -die ten slotte in de Sovjet-Unie als een heilige werd vereerd. D.F. Strauss was de eerste die de aandacht vestigde op het communisme van Meslier, in een bijlage van zijn biografie Voltaire (1870). Drie jaar later kwam zijn verhaal terecht in de Volksstaat-Erzähler (december/januari 1873/1874). Georg Adler volgde in 1884, CarI Grünberg in 1888 en Benoît Malon, in Frankrijk, eveneens in 1888. Daarmee was ruimschoots de basis gelegd voor een schok der herkenning door toekomstige generaties, al springt Quack (De Socialisten deel 1) eruit door een opmerkelijk veel negatievere benadering.

Archief: 

Archief R.C. d'Ablaing van Giessenburg verspreid over collecties in: Handschriftenkamer van de Universiteitsbibliotheek (Amsterdam), Multatulimuseum (Amsterdam; 4 kopieboeken van uitgaande correspondentie 1857-1868) en IISG (Archief R.C. d'Ablaing van Giessenburg en archief van De Dageraad).

Publicaties: 

Bibliografie in: Woordenboek van Belgische en Nederlandse vrijdenkers. Deel I (Brussel 1979) 53-55.

Literatuur: 

[P.J.A.] M[eersmans] Rudolf Charles d'Ablaing van Giessenburg (...) (Amsterdam 1904); P. Spigt, 'R.C. d'Ablaing van Giessenburg' in: O. Noordenbos, P. Spigt, Atheïsme en vrijdenken in Nederland (Nijmegen 1976) 167-173; T. Haan in: Over Multatuli 2 (Amsterdam 1978) en 3 (1979); T. Haan, 'Rudolf Carel d'Ablaing van Giessenburg' in: Woordenboek van Belgische en Nederlandse vrijdenkers. Deel 1 (Brussel 1979) 29-62; T. Haan, 'Rudolf Charles et la diffusion de son édition du "Testament" de Meslier, 1860-1888' in: Le curé Meslier et la vie intellectuelle, religieuse et sociale á la fin du 17e et au début du 18e siécle. Actes du Colloque international de Reims 17-19 octobre 1974 (Reims 1980) 539-573; H.R.J. van Veen, 'Uit het kasboek van d'Ablaing' in: Over Multatuli, nr. 16, 1986, 54-70; J.W.F.X. de Rijk, 'De burgerlijke afstammelingen van het adellijke Utrechtse geslacht d'Ablaing van Giessenburg' in: Stichtenaren uit vroeger jaren. (Nederlandse Genealogische Vereniging, afd. Utrecht; Utrecht 1987) 60-68; W.H. van der Linden, The International Peace Movement 1815-1874 (Amsterdam 1987); M. Keyser, 'De helse vruchtboom of hoe R.C. Meijer in het boekenvak terechtkwam, 1847-1857' in: De Boekenwereld, 10e jrg., nr. 3, 1993-1994, 131-136; H. Moors, 'Oud Frans bloed. De saint-simonistische uitgaven van de firma R.C. Meijer' in: J. Salman e.a. (red.), Jaarboek voor Nederlandse Boekgeschiedenis, jrg. 3, 1996, 87-110; K. Wils, 'Comte in Nederland (1845-1880)' in: Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden, 112 (1997) afl. 1, 19-48; S. Thissen, De spinozisten. Wijsgerige beweging in Nederland (1850-1907) (Den Haag 2000).

Portret: 

R.C. Meijer, uit: De Dageraad. Geschiedenis, herinneringen en beschouwingen, 1865-1906 (Amsterdam 1906)

Auteur: 
Tristan Haan, Johanna M. Welcker
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 3 (1988), p. 143-147
Laatst gewijzigd: 

12-09-2003