MOOIJ, Johannes

Johannes Mooij

leider van de rietbewerkersvakorganisatie te Noordwolde, is geboren te Noordwolde op 3 juni 1888 en overleden te Heerenveen op 13 mei 1977. Hij was de zoon van Jan Jacobs Mooij, arbeider, en Geertje Westerbeek, arbeidster. Op 5 december 1914 trad hij in het huwelijk met Hendrikje Jonkman, met wie hij zeven dochters en drie zoons kreeg.

Mooij werd geboren in een plaggenhut op het Westerse Veld vlak bij Noordwolde, waar ook zijn ouders en die van zijn vrouw geboren waren. Zijn grootouders en die van zijn vrouw stamden respectievelijk uit Groningen en Leiden. Het was hen zo slecht gegaan dat zij de kans hadden aangegrepen zich in een kolonie van de Maatschappij van Weldadigheid te vestigen. Hun kinderen - de ouders van Mooij en zijn vrouw - moesten hun bestaan buiten de kolonie opbouwen. Twee broertjes stierven voor Johannes ter wereld kwam. Mooij las de in 1949 verschenen roman Volk zonder uren van Evert Zandstra naar eigen zeggen in één ruk uit, omdat het boek zo aansprekend de wereld van zijn kinderjaren opriep. Door burenhulp hielpen de mensen elkaar te overleven. Toen Mooij zeven jaar was overleed zijn moeder. Hij herinnerde zich 'dat haar stoffelijk overschot rustte in een kist van slecht maaksel, afkomstig van de armvoogdij, waarin hij door de naden het lijk kon zien liggen'. Om de lagere school in Noordwolde te kunnen bezoeken liep hij elke dag over de heidepaden naar het dorp. Voor een kind een hele wandeling, maar hij was te leergierig om te verzuimen. De onderwijzer probeerde de vader van Johannes over te halen hem verder te laten leren op de zogenaamde Franse school (een voorloper van het Uitgebreid Lager Onderwijs), die aan de dorpsschool verbonden was. Tevergeefs, want Mooijs vader kon de inkomsten van Johannes niet missen. Op elfjarige leeftijd hoedde hij koeien voor een gulden in de week plus warm eten, daarna werd hij rietbewerker-stoelenmaker. Een belangrijk deel van de werkende bevolking in Noordwolde verdiende hiermee de kost nadat het veen afgegraven was. In 1900 maakte hij als jongetje van twaalf zijn eerste staking mee.

Toen in 1907 de bij het Nationaal Arbeids-Secretariaat (NAS) aangesloten vakorganisatie in Noordwolde ter ziele ging richtte Mooij in 1908 de Onafhankelijke Stoelenmakersvereeniging 'Nieuw Leven' op, die zich weer bij het NAS aansloot. In hetzelfde jaar woonde Mooij als afgevaardigde van Nieuw Leven het congres bij waar tot de reorganisatie werd besloten die het NAS uit zijn diepe dal zou halen. Toen Mooij in 1914 trouwde met Hendrikje Jonkman hadden zij al twee kinderen, er kwamen er nog acht bij. Op de dag van hun huwelijk bouwden de buren, terwijl het jonge stel op en neer naar het veertien kilometer verder gelegen gemeentehuis in Wolvega liep, een keurige plaggenhut. Als stoelenmaker raakte Mooij een keer zijn baan kwijt 'omdat zijn vrouw verzuimd had op zaterdagavond haar inkopen in de winkel van de baas te doen'. L. Kamminga noemde mensen als Mooij 'vechters tegen armoede, drank en krotten'. De stakingen van 1909 (twee maanden), 1912 (drie maanden) en 1920 (drie maanden) maakten Mooij tot de uitgesproken leider van de linkervleugel van de arbeidersbeweging in Noordwolde, wat hij tientallen jaren zou blijven. In 1912 werd onder zijn leiding actie gevoerd tegen de huisindustrie. Bovendien wilden de stakers de uren betaald hebben voor het opladen en het vervoer naar het station Peperga. Thuiswerkers hadden 'flexibele' werktijden - kort in tijden van slapte en lang in tijden van volle orderportefeuilles - en moesten de grondstoffen eerst van hun opdrachtgever kopen. Op deze wijze drukten de thuiswerkers de lonen dubbel. Het ging hard toe in de strijd tegen de thuiswerkers: 'Ramen worden ingegooid, de olielampen van de zolder getrokken, grondstoffen voor de stoelen in brand gestoken, ja soms een "huis" (plaggenhut) van een thuiswerker omver getrokken.' Sommige stakers kregen in dertien weken in totaal drie gulden ondersteuning. De actie was succesvol: de uurlonen gingen met een dubbeltje omhoog en voor thuisarbeid zou voortaan twee dubbeltjes meer worden betaald. In Noordwolde was Mooij de centrale figuur van het Plaatselijke Arbeids-Secretariaat en achtereenvolgens van de Sociale Partij (SP), de Revolutionair-Socialistische Partij (RSP) en de Revolutionair Socialistische Arbeiders Partij (RSAP). Hij maakte van 1919 tot 1940 ononderbroken deel uit van de gemeenteraad van Weststellingwerf. Zijn eerste partij, de Sociale Partij, waarvan hij secretaris was, startte in 1918 met tien leden. In 1919 verwierf ze al drie raadszetels. Bij de raadsverkiezingen van 1923 werd de SP de grootste partij: 445 stemmen tegen 146 voor de SDAP, 241 voor de communisten en 192 voor de vrijzinnig-democraten. In 1929 sloot de SP van Noordwolde zich nog niet aan bij de RSP, die in dat jaar door Henk Sneevliet als politieke vleugel van het NAS werd opgericht. Mooij vond de contributie in verhouding tot de lage lonen in Noordwolde te hoog. Toen een speciale regeling getroffen werd meldde de SP (27 leden, voor het merendeel familieleden van Mooij) zich wél aan. De RSP-leiding had het moeilijk met deze plaatselijke groep. Secretaris C. Bosman noemde hen in 1934 'individualisten welke zich per abuis verkeerd hebben aangesloten'. In de crisisjaren werd ook Mooij werkloos, hij probeerde iets te verdienen met thuiswerk. Zware kritiek leverde het RSP-bestuur toen Mooij als nestor van de raad - voor hem vanzelfsprekend - de nieuwe burgemeester als 'vertegenwoordiger van de klassestaat' welkom heette. Vanuit Noordwolde werden in 1934-1935 enkele afdelingen van de RSP opgericht, waarvan twee in Weststellingwerf. Mooij bekleedde tal van bestuursfuncties. Vooral het voorzitterschap van de 'Krottencommissie' zal hem veel voldoening geschonken hebben. Met het feestelijk in brand steken van de laatste 'verbeterde' plaggenhut in 1938 kwam er een einde aan het werk van de commissie.

Na mei 1940 liet de Duitse bezetter Mooij al snel arresteren. Hij bracht zes weken in het concentratiekamp Schoon door maar werd met alle andere Friezen plotseling vrijgelaten, wellicht omdat de bezetters de Friezen als 'stamverwante germanen' voor zich wilden winnen. Kort na de bevrijding gaf Mooij leiding aan de vijfde grote staking van rietbewerkers, die op 14 augustus 1945 uitbrak. De honderdvijftig stakers waren allen lid van de nieuw opgerichte Eenheids Vakcentrale (EVC). De veertig leden van de moderne bond staakten niet mee. Een paar kleinere bedrijven willigden de EVC-eisen in, zodat zestig arbeiders weer aan het werk gingen. Zij stonden hun loonsverhoging af aan de overgebleven stakers. In het hele land zamelde de EVC steungelden in. Het aantal EVC-leden in Noordwolde liep op tot in totaal driehonderd, waarvan honderdtachtig stoelenmakers. Een aantal NVV'ers sloot zich na verloop van tijd bij de stakers aan. Het NVV zette een tegenaanval in en belegde een openbare vergadering met hoofdbestuurder J.G. Suurhoff als spreker. Mooij ging op deze meeting, waar EVC'ers de meerderheid vormden, uitgebreid met Suurhoff in debat. Op 28 november eindigde de staking, die vijftien weken geduurd had, met een grote overwinning. J. Koerts, directeur van de Rietvlechtschool, trad op als bemiddelaar en wist de directies samen met de stakingsleiding om de tafel te krijgen. De werkgevers wilden niet verder gaan dan 70 cent per uur, de EVC eiste 75 cent en het College van Rijksbemiddelaars stelde het uurloon met terugwerkende kracht per 1 november vast op 82 cent. De algemeen verbindend verklaarde lonen lagen derhalve nog boven wat de EVC geëist had. Dit was vooral pijnlijk voor het NVV, dat zich tegen deze 'communistische rel' had gekeerd. In 1945 kwam Mooij voor de Communistische Partij in Nederland (CPN) in de gemeenteraad, maar in 1949 keerde hij het communisme en de EVC de rug toe. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1949 bleek hoe groot zijn populariteit en gezag waren. De PvdA hield 39% van de kiezers achter zich, de CPN zakte van 47% naar 21% en de onafhankelijke socialisten van Mooij verwierven 18% van de stemmen. Tot 1958 maakte hij onafgebroken deel uit van de gemeenteraad. Toen hij in dat jaar niet herkozen werd zette hij op zeventigjarige leeftijd een streep onder zijn raadslidmaatschap, maar in 1962 keerde hij weer terug in de politiek en de raad. Hij hield het tot 1970 vol. In dat jaar overleed zijn vrouw. Hij kreeg in toenemende mate last van doofheid, die hem noodlottig werd. Een vrachtauto die hij bij het oversteken niet hoorde aankomen overreed hem. Mooij werd tot ereburger van de gemeente Weststellingwerf benoemd, een geschilderd portret in het gemeentehuis houdt de herinnering aan zijn persoon levend.

Publicaties: 

Het jubileum van het Nationaal Arbeids-Secretariaat in Nederland' in: Gedenkboek uitgegeven door het Nationaal Arbeids-Secretariaat in Nederland ter gelegenheid van zijn 25-jarig bestaan (Amsterdam 1918) 125-126.

Literatuur: 

L. Kamminga, Geschiedenis van Noordwolde en de Rotanmeubel-industrie (Drachten 1964); J. Frieswijk, '1945: Rietbewerkers in Noordwolde staken vijftien weken' in: Te Elfder Ure, 1973, nr. 14, 909-919; T. de Boer, A. Meyer, H. Wielick (red.), De geschiedenis van Noordwolde (Noordwolde 1984); M. Eekman, H. Pieterson, Linkssocialisme tussen de wereldoorlogen. Twee studies (Amsterdam 1987); G. Harmsen, T. Berkenbosch, S. Mintjes, Van turf en tabak tot plastic buizen. Uit de geschiedenis van de arbeidersbeweging in Steenwijk en omstreken (De Knipe 1991); L. Looijenga, Geboortegrond Noordwolde. Over Broggewippers, Heidehutters en anderen die de geschiedenis van Noordwolde geschreven hebben (Wolvega 1993).

Portret: 

Johannes Mooij ontmoet Prinses Beatrix, 9 mei 1974. Foto: Martin van Nieuwenhoven.

Auteur: 
Ger Harmsen
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 6 (1995), p. 153-155
Laatst gewijzigd: 

00-00-1995