NOLTING, Pieter

Pieter Nolting

bestuurder van het Algemeen Nederlandsch Werklieden-Verbond en lid van de Amsterdamse gemeenteraad en de Tweede Kamer voor de Radicale Bond en de Vrijzinnig Democratische Bond, is geboren te Amsterdam op 23 juli 1852 en aldaar overleden op 6 juni 1923. Hij was de zoon van Pieter Nolting, sjouwerman, en Elisabeth Trakzel. Op 7 februari 1877 trad hij in het huwelijk met Catharina Maria Westrik, dienstbode, met wie hij vier dochters kreeg.

In 1862 richtte de filantroop en predikant C.S. Adama van Scheltema in de Amsterdamse Jordaan het Christelijk Geheelonthouders Verbond op. Bovendien hield hij er een zondagsschool. Nolting onderging de invloed van deze predikant en werd als jongeling onderwijzer aan diens zondagsschool. Toen hij daarna lid werd van de meubelmakersvereniging Amstels Eendracht, verloor hij spoedig alle aandacht voor de godsdienst. Als meubelmaker werkte hij samen 'aan de bank' met B.H. Heldt, de liberale voorman van het Algemeen Nederlandsch Werklieden-Verbond (ANWV). Halverwege de jaren negentig werkte hij als biljardmakersgezel voor eigen rekening. Nolting werd lid van het ANWV en maakte van 1881 tot 1885 deel uit van het Centraal Bestuur. In de winter van 1885 - 1886 kwam Nolting voor het eerst in de publieke belangstelling, toen hij de ondersteuning van de werklozen organiseerde. In 1887 werd hij voorzitter van de afdeling Amsterdam, wat hij tot 1900 bleef. Hij zat al die jaren in tal van bondscommissies. Daarnaast bekleedde hij korte of langere tijd het voorzitterschap van het Algemeen Nederlandsch Begrafenisfonds, de Coöperatieve Voorschotvereeniging en Spaarkas en de door hem opgerichte zangvereniging Kunst na Arbeid. Erevoorzitter werd hij van de door zijn toedoen totstandgekomen Bond van Amsterdamsche Zangvereenigingen. F.M. Wibaut sprak later zeer waarderend over Nolting, die met veel toewijding diende: 'maar weinig diende hij zo van ganser harte als de volkszang welke hij zag als een element van beschaving'. Nolting ging zich ook met de plaatselijke politiek bemoeien. Hij was geen aanhanger van de sociaal-democratie. De klassenstrijd sprak hem niet aan en hij was voorstander van privaatbezit. Wel bepleitte hij het algemeen kiesrecht. Zijn democratische overtuiging bracht hem in kringen van de Amsterdamse radicalen, die de Kiesvereeniging Amsterdam vormden. Deze radicalen, zoals M.W.F. Treub en C.V. Gerritsen, waren 'heren' en wilden graag het arbeiderselement in de kiesvereniging brengen. Zij stelden in 1891 Nolting kandidaat voor de gemeenteraad. Maar ook een radicaler kiesrechtcomité, bestaande uit De Unie, de Radicale Kas, de Nederlandsche Bond voor Algemeen Kies- en Stemrecht en de Sociaal-Democratische Bond, stelde Nolting kandidaat. Ook voor de sociaal-democraten was hij aanvaardbaar als kandidaat. In juni 1891 deed Nolting met de steun van een combinatie van linkse en confessionele stemmen, verenigd tegen de liberalen, zijn intrede in de gemeenteraad, waarvan hij tot in 1923 lid zou blijven. In de zomer van 1891 kreeg Nolting veel publiciteit dankzij zijn optreden ten gunste van de werkman Petrus Vervaet, die op de gasfabriek met ontslag bedreigd werd. Over deze kwestie werden destijds de nodige vergaderingen belegd. Nolting nam op 27 oktober 1892 zitting in de door de gemeenteraad ingestelde commissie inzake het ontwerpen van bepalingen omtrent minimumloon en maximumarbeidsduur, in de wandeling de Commissie-Treub genoemd. Op aandringen van Nolting hoorde de commissie een reeks van vakbonden. Gedurende zijn meer dan 25-jarig lidmaatschap van de raad vroeg hij de aandacht voor een veelheid van onderwerpen. De Amsterdamse politie had steeds zijn aandacht. Nolting protesteerde vaak en fel tegen de bruutheid van agenten en drong voortdurend aan op een betere salariëring en opleiding van agenten. Bij het politiekorps was hij op den duur zeer gezien. Nolting was tevens een fervent voorvechter voor goed volksonderwijs. De Amsterdamse afdeling van de Bond van Nederlandsche Onderwijzers deed via hem zijn stem in de raad horen. Vanaf 1907 kwamen de onderwijzers zelf in de raad. In het algemeen konden velen die steun zochten bij de raad, rekenen op zijn hulp. Mede op zijn initiatief stelde de raad een vaste commissie voor verzoekschriften in. In 1902 streed hij tevergeefs tegen de verlaging van de presentiegelden als beloning voor het raadswerk: 'Een werkman lid van de Raad zijnde wordt opgezocht in huis of werkplaats, hij heeft geen knecht of meid om te zeggen dat mijnheer niet thuis is. Mijnheer is altijd thuis.' Met J. Loopuit was hij de enige die zich tegen het ontslag van huwende ambtenaressen verzette.

Bij de totstandkoming in 1892 van de Radicale Bond werd Nolting in het bestuur opgenomen als één van de weinige arbeiders die de bond onder zijn leden telde. In 1893 was hij lid van het Comité Honger en Schrik, een initiatief van F.M. Wibaut en P.L. Tak ter ondersteuning van de gezinnen van socialisten die door de rechter tot gevangenisstraf waren veroordeeld. In 1894 werd hij tevergeefs gekandideerd voor de Tweede Kamer namens de Kiesvereeniging Amsterdam. Toen deze vereniging in 1895 ten onder ging, werd een nieuwe kiesvereniging, de Radicale Vereeniging opgericht waarvan Nolting bestuurslid werd. Zijn politieke ster was stijgende en in 1897 werd Nolting door het Amsterdamse district VIII in de Tweede Kamer gekozen voor de Radicale Bond. Deze zetel bezette hij tot 1909 (vanaf 1901 voor de Vrijzinnig Democratische Bond (VDB)). Toen hij Kamerlid af was, was hij zonder inkomen en moesten de fractieleden ondershands een fonds vormen om hem van geld te voorzien. Nolting werkte in deze tijd mee aan het radicale blad Radicale Hervorming en het Sociaal Weekblad. In de Kamer voerde hij minder het woord dan in de gemeenteraad. Hier waren het de 'kleine' zaken die zijn aandacht hadden zoals de lonen van de suppoosten van het Rijksmuseum en de positie van de postbestellers, die zo weinig verdienden dat zij wel fooien aan moésten nemen. De voorzitter riep hem éénmaal tot de orde toen hij de sfeer bij de Regoutfabrieken vergeleek met een concentratiekamp. In 1892 verzette hij zich tegen de invloed van de Unie-Liberalen binnen het ANWV en stuurde hij samen met Th. de Rot een circulaire rond waarin ze opriepen lid te worden van de Radicale Bond, die in tegenstelling tot de liberalen wel voor de arbeidersbelangen opkwam. In 1901 kwam door fusie van radicalen en vooruitstrevende liberalen de VDB tot stand, waarbij Nolting zich aansloot. De VDB werkte toen de SDAP tegen door de confessionele kandidaat voor de Amsterdamse raad te steunen. Nolting die in zijn eigen district VIII een populaire figuur was, steunde echter de kandidaat van de arbeiderskiesvereniging, de sociaal-democraat J.W. Sleef. Op de kritiek van de SDAP op zijn individualisme, antwoordde Nolting tijdens een raadsvergadering in 1907: 'iedereen die niet wil als de sociaal-democraten die is anarcho. Ik behoor er ook al toe. In Het Volk werd al gezegd, hij is anarchistisch aangelegd en mij werd een betrekking aangeboden in plaats van (G.) van Erkel'. Sociaal-democraat was Nolting zeker niet, 'anarchistisch aangelegd' is echter nog niet zo'n slechte typering voor een man die door zijn persoonlijke inzet bij een grote verscheidenheid van groepen een groot vertrouwen wist te wekken. Zelf zei hij het bij zijn 25-jarig jubileum als raadslid zo: 'Ik heb altijd gezegd tegen mijn arbeiders, bemoei je niet met politiek, zorg dat je geen bijwagen wordt van welke politieke partij dan ook.' Dit standpunt weerhield hem er niet van zelf politiek te bedrijven.

Literatuur: 

Verhoor van Pieter Nolting, oud 39 jaar, biljartdmakersgezel bij A. Rijken, te Amsterdam' in: Enquête gehouden door de Staatscommissie benoemd krachtens de wet van 19 januari 1890 (Staatsblad nr. 1). (Derde afdeeling), 159-164; B.H. Heldt, Algemeen Nederlandsch Werklieden-Verbond 1875-1896 (Leeuwarden 1896); Vliegen, Dageraad II, 396; Vliegen, Kracht I, 71, 167, 350, 380, 416-418, 466; Gedenkboek van de afdeling Amsterdam van de Bond van Nederlandsche Onderwijzers (Amsterdam 1915); De Telegraaf, 26.5.1916; Het Volk, 7.7.1923; De Vrijzinnig Democraat, 14.7.1923; Vrijzinnig-Democratische Bond Gedenkboek 17 maart 1901-1926 (Den Haag 1926); P. Hoogland, Vijf en Twintig Jaren Sociaal-Demokratie in de Hoofdstad (Amsterdam 1928); M.M. van Praag, De Radicalen (Assen 1939); G. Taal, Liberalen en Radicalen in Nederland 1872-1901 (Den Haag 1980); P.F. Maas, Sociaal-Democratische Gemeentepolitiek 1894-1929 (Den Haag 1985); D. Damsma, P. de Rooy, '"Morele politiek". De Radikalen in de Amsterdamse gemeentepolitiek 1888-1897' in: TvSG, 1993, 115-128; P. Hofland, Leden van de Raad. De Amsterdamse gemeenteraad 1814-1941 (Amsterdam 1998).

Portret: 

P. Nolting, IISG

Auteur: 
Bauke Marinus
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 5 (1992), p. 199-201
Laatst gewijzigd: 

25-09-2002