SCHAFT, Jannetje Johanna

Jannetje Johanna (Hannie) Schaft

(roepnaam: Hannie), lid van de groep Raad van Verzet in Haarlem, is geboren te Haarlem op 16 september 1920 en terechtgesteld op 17 april 1945 in Bloemendaal. Zij was de dochter van Pieter Schaft, onderwijzer, en Aafje Talea Vrijer.

Schaft liep de Haarlemse Tetterodeschool en daarna de Hogere Burgerschool aan het Santpoorterplein af. Daarbij toonde zij zich een schuw en eenzelvig kind, dat weinig contact had met medeleerlingen, maar wel, zoals tekeningen en opstelletjes bewijzen, een sterk gevoel bezat voor recht en humaniteit. Haar meisjesideaal was kinderrechter te worden. Om rechten te studeren legde zij in 1938 met glans het vereiste staatsexamen af. Zij werd in 1938 als student rechten ingeschreven aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam. Als gevolg van de Duitse overval en bezetting van Nederland in mei 1940 veranderde haar hele levenspatroon. Zij brak haar studie af en keerde terug naar het ouderlijk huis in Haarlem, vanwaaruit zij contact zocht met het verzet. Reeds had zij als studente, vooral geschokt door de anti-joodse maatregelen van de bezetter, geweigerd de zogeheten loyaliteitsverklaring te tekenen, en levend vanuit het haar dierbaar motto 'Ik dien', haar inspanning gewijd aan werk voor onderduikers, het rondbrengen van illegaal verkregen bonkaarten, het ontvreemden van persoonsbewijzen om er joodse onderduikers mee te helpen en gelijktijdige hulp aan de vrouwen van gearresteerde landgenoten.

In haar geboorteplaats vond Schaft de weg naar de groep Haarlem van de Raad van Verzet, een harde verzetsorganisatie geschoold in gewapende acties. Haar belangrijkste contacten werden hier de zusters Truus en Freddy Oversteegen, alsmede de voormalige staalarbeider bij de Hoogovens Jan Bonekamp. Hen verbond niet alleen een felle verzetsgeest, maar ook persoonlijke liefde. Na zijn dood (juni 1944) door politiekogels in Zaandam na een door hen beiden ondernomen mislukte actie, stortte haar wereld tijdelijk in. Haar terugkeer was des te heviger. Nu vooral samen met de zusters Oversteegen opereerde zij met consequente genadeloosheid tegen collaborateurs en landverraders, op wie de Haarlemse groep het bovenal begrepen had. Bij de eens zo terughoudende, stille studente was een indrukwekkende gedaanteverwisseling vast te stellen. Zij gaf haar gedachtengang van praktische humaniteit in zekere zin op voor die van het wrekende geweld. Zij maakte zich door haar acties en aanslagen uitermate gehaat bij de Sicherheitspolizei, die onder leiding van de beruchte Willy Lages vanuit Amsterdam de jacht op haar opende. 'Het meisje met het rode haar' en haar harde verzetswerk obsedeerde de Sicherheitsdienst (SD). Volgens T. Kors zou Hitler zelf in arren moede de directe opsporing van Schaft en haar militante vriendinnen hebben bevolen. Schaft werd, waarschijnlijk in een moment van vermoeidheid, bij een Duitse wapencontrole aan de Jan Gijzenbrug in Haarlem opgepakt, toen zij daar op de fiets met de illegale Waarheid en een revolver in haar tas passeerde. Zij ontkende de beschuldigingen tegen haar (vijf aanslagen en moorden) niet. Aangenomen wordt dat zij haast al meteen na de ontdekking dat de SD in haar het gezochte roodharige meisje had gevat, het hopeloze van haar situatie heeft beseft. Dit ondanks het akkoord dat tussen bezetters en Binnenlandse Strijdkrachten (de nieuwe bundeling van het verzet) was gesloten, om over en weer geen doden meer te maken, zeker geen vrouwen. Een moedige poging van haar strijdmakker Truus Oversteegen om haar met een list te bevrijden liep mis. De Germaanse trouw van de nazi's en hun handlangers bleek opnieuw zonneklaar, toen Schaft op 17 april 1945, een drietal weken voor de bevrijding, door een groepje Duitse SD-ers en de beruchte NSB-rechercheur Maarten Kuiper uit de Amsterdamse gevangenis werd gehaald om naar de duinen ter hoogte van Bloemendaal te worden gebracht. Daar schoten zowel de Duitser Schmitz als de landverrader Kuyper, die achter haar liepen, op haar. De laatste loste de dodelijke schoten.

In november 1945 werd Schaft opgegraven en ter aarde besteld op de nieuwe Erebegraafplaats (van het verzet) in Overveen, in aanwezigheid van de koninklijke familie. Beschamend is de wijze waarop de Nederlandse regering in de Koude Oorlogsjaren na 1950 het door het sluiten van de Erebegraafplaats politieke en jeugdorganisaties onmogelijk maakte hun jaarlijkse hulde aan Schaft en andere gevallenen te bewijzen. Het zinde velen slecht dat Schaft vooral door communisten, oude en jonge, in deze jaren van verscherpte polarisatie der sympathieën, werd gezien en opgeëist als symbool van de communistische bijdrage aan het antifascistisch verzet in Nederland. Onweerlegbaar feit blijft dat Schaft al voor, maar zeker na haar opname in de Raad van Verzet, waarin de communisten zo'n sterk bestanddeel vormden, tot de studie van het marxisme-leninisme was gekomen, en de daarin vastgelegde wereldbeschouwing tot de hare had gemaakt. Anderzijds is het even onweerlegbaar dat voor Schaft de idee van de verdediging der nationale waarden en vrijheden een grote inspiratie van haar verzetswerk is geweest. Zij werd postuum geëerd met het Wilhelmina-verzetskruis en een onderscheiding van de Amerikaanse opperbevelhebber D. Eisenhower voor uitzonderlijke moed en verdienste in de strijd tegen de Duitse nationaal-socialistische vijand.

Literatuur: 

Th. de Vries Het meisje met het rode haar. Roman uit de jaren 1942-1945 (Amsterdam 1956, l98513); T. Kors, Hannie Schaft. Het levensverhaal van een vrouw in verzet tegen de nazi's (Amsterdam 1983); M.M. Warning in: BWN II, 494-495; in 1980 maakte regisseur Ben Verbong de film Het meisje met het rode haar.

Portret: 

J.J. Schaft, uit: T. Kors, Hannie Schaft (Amsterdam 1976) t.o. 7

Auteur: 
Theun de Vries
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 3 (1988), p. 186-188
Laatst gewijzigd: 

00-00-1988