ALMA, Petrus

Peter Alma

(roepnaam: Peter), beeldend kunstenaar, actief in de communistische beweging, is geboren te Medan op 18 januari 1886 en overleden te Amsterdam op 23 mei 1969. Hij was de zoon van Laurens Adrianus Alma, administrateur, en Cornelia Margareta Alma. Op 10 juni 1914 trad hij in het huwelijk met de Noorse Edie Saxlund, schilderes. Dit huwelijk bleef kinderloos en werd ontbonden op 25 maart 1922. Op 11 mei 1922 hertrouwde hij met Wijbrecht Willemse, onderwijzeres. Dit huwelijk bleef kinderloos en werd ontbonden op 21 december 1938. Op 10 april 1940 hertrouwde hij met Anna Aleida (Lie) Heynen, lerares, met wie hij een dochter en een zoon kreeg.

Alma is een van de belangrijkste kunstenaars die zich tussen de wereldoorlogen verbonden hebben met de strijd van de linkse arbeidersbeweging. Als beeldend kunstenaar werd hij gevormd aan de Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag (1904-1906) en aan de Académie Humbert in Parijs (1907-1914). Daar raakte hij bevriend met schilders als Fernand Léger, Henri le Fauconnier en Piet Mondriaan. In Parijs nam hij deel aan tentoonstellingen van de Salon des Indépendants (1912, 1913, 1914). De Salon kreeg in 1912 een Nederlandse pendant in De Onafhankelijken. Kort voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog trouwde Alma met de Noorse schilderes Saxlund, die hij in Parijs had leren kennen. Zij gingen wonen in het kunstenaarsdorp Laren (NH), waar ook Mondriaan en Bart van der Leck zich hadden gevestigd. In Laren en Amsterdam bestond in de oorlogsjaren een bruisend kunstenaarsleven. De ene na de andere moderne kunstenaarsvereniging werd opgericht met eigen periodieken en een levendig tentoonstellingscircuit. De meeste verenigingen verdwenen weer snel, meestal door persoonlijke ruzies en onderlinge tegenstellingen. In het najaar van 1916 huurde Alma een (woon)atelier in Meerhuizen, een buitenhuis aan de Amstel, waar meer kunstenaars woonden, onder wie Charley Toorop. Het huis werd na de oorlog afgebroken in verband met de uitvoering van Plan Zuid van H.P. Berlage. De bewoners verhuisden naar alle windstreken. Een aantal, onder wie Alma, bleef in Amsterdam wonen.

De Russische Revolutie politiseerde kunstenaars in de hele wereld. Dit had vaak ingrijpende veranderingen in hun stijl en thematiek tot gevolg. Ook Alma zocht in deze periode naar nieuwe vormen en koos thema's met een sociaal gezicht zoals boeren, arbeiders en stakers. Hij maakte zich los van de schilderende 'Parijse Nederlanders' en ging zich toeleggen op die vormen van de beeldende kunst die zich op een groot publiek richtten: de houtsnede en de wandschilderkunst. De plaats van de kunst en de kunstenaars in de maatschappij werd onderwerp van levendige discussie in De Nieuwe Amsterdammer, Het Volk en De Tribune. Alma schreef zijn eerste stuk in januari 1919 in De Nieuwe Amsterdammer. In deze periode leerde hij David Wijnkoop kennen. In 1919 werd hij lid van de Communistische Partij in Nederland (CPN) en op 30 april 1919 verscheen zijn eerste houtsnede (een 1 Mei-prent) in De Tribune. In deze krant schreef Alma regelmatig over tentoonstellingen. In maart 1920 publiceerde hij in De Nieuwe Amsterdammer naar aanleiding van een bezoek aan een tentoonstelling in Parijs een kritiek op de Stijlbeweging, waarop Theo van Doesburg in het septembernummer van De Stijl fel reageerde. In juni en juli 1921 bezocht Alma als gast het congres van de Communistische Internationale in de Sovjet-Unie. Op deze reis maakt hij kennis met belangrijke Russische kunstenaars als El Lissitzky, Wassily Kandinsky, Vladimir Tatlin en Kazimir Malevitsj. Een van zijn reisgenoten was Brecht Willemse, met wie hij veel optrok en in 1922 trouwde. In de jaren twintig waren Alma en zijn vrouw dag en nacht in touw voor de CPN en aanverwante organisaties als de Internationale Arbeiders Hulp (IAH), de Internationale Rode Hulp (IRH, 1925), het China Hulp Comité (1925) en de Vereeniging Vrienden der Sowjet-Unie (VVSU, 1932). Voor de IAH organiseerden zij steun voor het hongerende Russische volk. Op initiatief van Alma en W. Steenhoff, onderdirecteur van het Rijksmuseum, kwam de grote overzichtstentoonstelling van bij de Russische Revolutie betrokken kunstenaars in april 1923 vanuit Berlijn naar het Stedelijk Museum in Amsterdam (waar Alma in 1924 zijn eerste grote overzichtstentoonstelling kreeg). Eind september 1923 verscheen Alma's brochure De Colyn-iade (herdruk Amsterdam 1976 met een nawoord van Jan Rogier) in opdracht van de CPN met acht 'satirieke houtsneden', gericht tegen de vloot-wet van H. Colijn. De Tribune maakte hiervoor wekenlang reclame: 'Men kan ze makkelijk losmaken en er zijn kamer mee versieren'. In 1924 werd Alma benoemd tot secretaris van het plaatselijk hulpcomité voor de stakende Twentse textielarbeiders. Bij de scheuring in de CPN in 1926, waarbij Wijnkoop en de zijnen een eigen partij oprichtten, bleef Alma, ondanks zijn vriendschap met Wijnkoop, in de CPN. Wel ging hij minder voor De Tribune schrijven en tekenen. Hij richtte zijn aandacht meer op het buitenland en exposeerde in Berlijn met de Novembergruppe, een groep kunstenaars van uiteenlopende linkse signatuur, die voor hun tentoonstellingen tussen 1925 en 1929 vele buitenlandse kunstenaars uitnodigden. Alma's internationale contacten werden geïntensiveerd door zijn deelname aan de i 10, Internationale Revue, opgericht door Arthur Müller Lehning met het doel nieuwe stromingen in kunst en wetenschap, filosofie en sociologie te documenteren. A bis Z, een tijdschrift over vormgeving dat van oktober 1929 tot februari 1933 verscheen, nam werk van Alma op. In het eerste nummer werd zijn acht-urenprent uit 1928 afgedrukt. In het voorjaar van 1929 trok Otto Neurath Alma aan als tekenaar voor de afdeling beeldstatistiek van het Gesellschafts- und Wirtschaftsmuseum in Wenen. Onder leiding van Gerd Arntz, een Duitse kunstenaar met wie Alma bevriend was en wiens werk dat van Alma beïnvloedde, tekende Alma drie maanden in Wenen. Na zijn terugkeer nam hij deel aan de voorbereidingen voor de grote tentoonstelling Socialistische Kunst Heden in het Stedelijk Museum te Amsterdam (1930). De Socialistische Kunstenaars Kring (SKK), waarvan Alma sedert de oprichting in 1927 lid was, was verantwoordelijk voor de organisatie. Alma zat in het voorbereidingscomité en de jury. Hij kreeg het zwaar te verduren toen de jury om esthetische redenen een prent van zijn partijgenoot Arry Janssen (Harry van Kruiningen) weigerde. De Tribune vatte dit politiek op en pakte fel uit tegen de 'sociaaldemocratische sovjet-haters', maar schreef positief over de tentoonstelling. De tentoonstelling leverde stof voor heftige polemieken over de vraag wat socialistische kunst nu wel of niet was. W.A. Bonger sprak in zijn bespreking in De Socialistische Gids over de 'gruwelkamers' in het Stedelijk Museum. In het blad Links Richten (1932-1933) speelde Alma - vanaf het tweede nummer als medewerker vermeld -geen opvallende rol. In 1932 maakte hij deel uit van het Centraal Anti Oorlogs Comité, waarin behalve CPN-bestuurders (Louis de Visser, David Wijnkoop en Leo van Lakerveld) bekende kunstenaars en intellectuelen zitting hadden als Henriette Roland Holst, H.P. Berlage, Hildo Krop en Albert van Dalsum. In deze periode maakte Alma zijn laatste prenten voor De Tribune. Hij trok zich terug uit partij en krant. Mede door een conflict over het colporteren met de krant had hij er geen zin meer in. Alma vond dat hij nuttiger dingen voor de beweging kon doen. Als partijlid werd hij geruisloos afgevoerd.

In de Sovjet-Unie was inmiddels naar Weens voorbeeld met hulp van Arntz het instituut Isostat opgericht voor algemene voorlichting en propaganda. Alma werd uitgenodigd de gelederen te versterken. Hij vertrok in het najaar van 1932 via Wenen naar Moskou en verbleef - met een korte onderbreking - bijna een jaar in de Sovjet-Unie, eerst in Moskou en daarna op een filiaal van het instituut in Charkov. Na zijn terugkeer in de herfst van 1933 zette Alma een eigen bureau voor beeldstatistiek op. Hij kreeg opdrachten van de Gemeente Amsterdam, de KLM, Fokker, de Rotterdamse Haven, de AVRO en de Nederlandsche Bond van Onderwijzend Personeel. In de zomer van 1934 kwamen Otto Neurath en een deel van de Weense museumstaf na de door de 'Austrofascisten' bloedig neergeslagen opstand van de sociaal-democratische Schutzbund naar Den Haag, waar de Stichting voor Beeldpaedagogie werd opgericht. In december kwam Arntz terug uit Moskou en vestigde zich eveneens in Den Haag. De vroegere collega's werden nu concurrenten. Hun relatie verslechterde ook omdat Alma geen geloof hechtte aan de berichten over stalinistische zuiveringen in de Sovjet-Unie. Alma werd lid van de Bond van Kunstenaars ter Verdediging der Kultuur (BKVK, 1935) en was betrokken bij de organisatie van de tentoonstelling De Olympiade Onder Diktatuur (DOOD, februari 1936) in gebouw De Geelvinck te Amsterdam. Bij de inrichting van een tentoonstelling van het Wereld Vrouwen Comité tegen Oorlog en Fascisme in 1936 leerde Alma Lie Heynen kennen. Zij was de voorzitster van de Nederlandse afdeling van het comité en was eveneens actief in het comité Hulp aan Spanje. Als bij zovele linkse kunstenaars verdween ook bij Alma tegen het eind van de jaren dertig de Politieke stellingname uit zijn werk, al bleef hij betrokken bij politieke acties. De thema's in zijn werk werden niet langer ontleend aan sociale en politieke onderwerpen maar aan neutrale als ruiters, landschappen en zee. Hij ging meer schilderen en experimenteerde met vrije grafiek. In 1938 kreeg hij de opdracht voor een grote wandschildering in het nieuw te bouwen Amstelstation. Deze kwam nog net voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog gereed. Tijdens de oorlog schilderde Alma voor zichzelf, verkocht af en toe wat aan vrienden en kreeg (via Leo Braat) geld uit het ondersteuningsfonds voor kunstenaars. Zijn vrouw werd wegens haar activiteiten voor het Wuppertal-comité opgepakt en zat van november 1941 tot eind 1942 gevangen. Samen met haar man maakte zij van oude lappen en lakens stoffen naaldenboekjes, die zij aan De Bijenkorf verkocht. Na de oorlog kreeg Alma opdrachten voor beeldstatistieken en maakte hij naast vrij werk in opdracht mozaïeken, een aantal wandschilderingen voor de universiteit van Amsterdam, de PTT in Amsterdam (later overgeschilderd) en het Postmuseum in Den Haag. In 1960 werd hij benoemd tot corresponderend lid van de Akademie der Künste in Berlijn (DDR) en in 1966 bij zijn tachtigste verjaardag kreeg hij de Albert Schweitzerprijs en de zilveren erepenning van de stad Amsterdam. In 1966 organiseerde het Stedelijk Museum in Amsterdam een grote overzichtstentoonstelling van zijn werk.

Literatuur: 

M. van Loon, 'Peter Alma. Een schilder voor de gemeenschap' in: Politiek en Cultuur, 1947, 289-290; Projektgroep Literatuursociologie, Links Richten tussen partij en arbeidersstrijd. 2 delen. (Nijmegen 1975); H. Redeker, 'Peter Alma, pionier van de Stijlgeneratie' in: Nieuwe Rotterdamse Courant, 25.6.1975; J. Rogier, "Een schoongewassen zwijn wentelt zich weer in de modder". Peter Alma's houtsneden over een platte geldmaker met grove manieren' in: Vrij Nederland, 9.10.1976; E. Luermans, Peter Alma. Een documentair verslag van een beeldend kunstenaar in het interbellum (doctoraalscriptie kunstgeschiedenis Amsterdam 1978); H. Mulder, Kunst in crisis en bezetting. Een onderzoek naar de houding van Nederlandse kunstenaars in de periode 1930-1945 (Utrecht 1978); C. van Lakerveld, "Ik had wel twee of drie levens". Interview met Harry van Kruiningen' in: Cahiers over de geschiedenis van de CPN, nr. 8, april 1983, 141-158; B. Kempers, Socialisme, kunst en reclame (Amsterdam 1988); C. Blotkamp e.a. (red.), De vervolgjaren van De Stijl 1922-1932 (Amsterdam 1996); L. Heyting, De wereld in een dorp. Schilders, schrijvers en wereldverbeteraars in Laren en Blaricum 1880-1920 (Amsterdam 1994); G. Harmsen, Chris Beekman. Een kunstenaarsleven, 1887-1964 (Nijmegen 1999).

Portret: 

P. Alma, aan het werk voor een tentoonstelling over de Spaanse Burgeroorlog ca. 1936/1937, Amsterdams Historisch Museum (Amsterdam)

Auteur: 
Carry van Lakerveld
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 3 (1988), p. 1-4
Laatst gewijzigd: 

17-06-2002