ROORDA, Gerrit

Gerrit Roorda

communistisch propagandist, gemeenteraads- en Provinciale Statenlid, is geboren te Tijnje op 4 september 1890 en aldaar overleden op 9 februari 1977. Hij was de zoon van Jacobus Roorda, onderwijzer, en Anna Jantine van Vreningen. Op 18 augustus 1917 trad hij in Bemis (South Dakota, Verenigde Staten) in het huwelijk met Angelina Reyne. Na haar overlijden op 3 oktober 1917 aan de gevolgen van brandwonden hertrouwde hij op 3 mei 1923 met Pytsje Loopstra, met wie hij een dochter kreeg.

Roorda groeide op in een sociaal-democratische omgeving. Zijn uit Sexbierum afkomstige vader was in 1884 onderwijzer geworden aan de lagere school in Tijnje, een turfmakersnederzetting in de veenderijen van de Friese gemeente Opsterland. Vader Roorda was een multatuliaan en werd actief in de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP). Hij was bevriend met Hinderikus Vos, hoofdonderwijzer in Tijnje en voorman van de SDAP. Zijn zoon Gerrit werd op dertienjarige leeftijd timmerknecht. In 1910 emigreerde hij naar de Verenigde Staten, waar hij eerst als timmerknecht werkte en vervolgens in Sheldon, Iowa, een eigen timmerbedrijf begon. Toen de Verenigde Staten gingen deelnemen aan de Eerste Wereldoorlog werd Roorda vanwege antimilitaristische uitingen gearresteerd. Hij volhardde in zijn pacifisme maar werd toch bij het leger ingelijfd. Hij werd afgekeurd voor frontdienst en naar de kustwacht in San Francisco overgeplaatst. Op de reis daarheen maakte een Russische student hem enthousiast voor het communisme. Hij werd lid van de organisatie Industrial Workers of the World en werd opnieuw gearresteerd en opgesloten. Op 11 november 1918, wapenstilstandsdag, werd hij vrijgelaten.

In september 1919 keerde Roorda naar Nederland terug. Hij wilde zich aansluiten bij de SDAP, maar toen hij een redevoering van L. de Visser hoorde besloot hij lid te worden van de Communistische Partij in Nederland (CPN). Hij werkte enige tijd als timmerman in Amsterdam, waar hij persoonlijk kennismaakte met communisten als De Visser, J. Ceton, W. van Ravesteyn en L. Seegers. Bij zijn terugkeer in Opsterland in 1922 nam hij de leiding op zich van een bouwvakstaking. Enkele jaren later, in het voorjaar van 1925, verwierf hij grote bekendheid als leider van een staking in de Friese werkverschaffingen. Zijn pogingen om eenzelfde rol te spelen bij de werkverschaffingsstaking van 1932 werd door de autoriteiten verhinderd. In 1927 richtte hij met enkele geestverwanten de CPN-afdeling Terwispel op en stelde zich kandidaat als lijsttrekker voor de gemeenteraad van Opsterland en de Provinciale Staten van Friesland. Hij werd in beide colleges gekozen. Als Statenlid voerde hij voortdurend actie voor verbetering van de levensomstandigheden van werklozen. Roorda was zich ook bewust van Fries-nationale tradities. In 1935 deed hij het voorstel om vanuit de Friese Staten de Sovjet-Unie te erkennen, dit naar analogie van het historische voorbeeld uit januari 1772, toen de Staten van Friesland als eerste soevereine macht ter wereld de Verenigde Staten officieel erkenden. De Provinciale Staten van Friesland namen Roorda's voorstel niet over. In 1939 maakte hij tezamen met de rode predikant B. Boers een reis naar de Sovjet-Unie. Zijn principiële keuze voor het communisme bracht Roorda ook steeds meer in conflict met de antimilitaristen, waarbij hij zich aanvankelijk had aangesloten. In 1927 werd hij geroyeerd uit de Internationale Anti-Militaristische Vereeniging. Zijn oppositionele reputatie was er bij het begin van de Duitse bezetting de oorzaak van dat hij, samen met andere CPN'ers, van de partijleiding het consigne kreeg zich van elke partijactiviteit te onthouden.

Bij het begin van de bezetting werd Roorda door de Nederlandse autoriteiten gearresteerd, maar na de capitulatie weer vrijgelaten. Met illegale partijactiviteiten had hij weinig te maken. Zijn zijdelingse betrokkenheid daarmee eindigde in maart 1941, toen de bezetter de medewerkers van de communistische krant Het Noorderlicht wist te arresteren. Roorda was als verspreider bij de Noorderlicht-groep betrokken geweest. Een nieuwe arrestatie, nu door de Duitsers, volgde in juni 1941, na de Duitse aanval op de Sovjet-Unie. Na vijf weken werden Roorda en de andere gearresteerde Friese communisten uit kamp Schoorl vrijgelaten, volgens hemzelf om de Friese bevolking tot een minder anti-Duitse houding te bewegen. In de zomer van 1944 werd hij opnieuw gearresteerd, maar nu wegens hulpverlening aan onderduikers. Hij wist uit het kamp te Farmsum te ontsnappen en dook tot de komst van de Canadezen midden april 1945 onder. Onmiddellijk na de bevrijding ging Roorda weer volop meedoen in het partijwerk. Hij behoorde tot de juli-oppositie en verzette zich tegen de pogingen de CPN te doen opgaan in een brede volkspartij. Roorda was ook een tegenstander van de schorsing van het vooroorlogse CPN-kamerlid Roestam Effendi. Dat leidde tot een hevig conflict met de partijleiding, waarbij de Friese communist van trotskisme werd beschuldigd. Het partijbestuur riep het district Friesland op om Roorda aan de kant te zetten. Hiermee was zijn rol in de CPN in feite uitgespeeld. Maar het partijbestuur kon voorlopig geen openlijke acties tegen hem ondernemen, omdat hij in Friesland grote steun genoot.

Bij de eerste naoorlogse verkiezingen werd de CPN met zes raadszetels in Opsterland de grootste partij. Roorda werd wethouder en fungeerde zelfs enige tijd als loco-burgemeester. In de Provinciale Staten van Friesland kreeg de CPN onder leiding van Roorda eveneens zes zetels. Ondanks de steun voor Roorda legde het partijbestuur Roorda begin 1949 een spreekverbod in de Staten op. Daarbij kozen de vijf overige CPN-Statenleden de kant van het partijbestuur. In Opsterland werd Roorda echter bij de raadsverkiezingen van 1949 toch weer als lijsttrekker gekozen. De partijleiding in Amsterdam zette hem op een onverkiesbare plaats, waarna de Opsterlandse communisten met een onafhankelijke lijst uitkwamen. Hierop werd Roorda uit de CPN gezet. Hij sloot zich aan bij de Socialistische Unie, maar brak met deze partij toen zij in 1956 het Russische ingrijpen in Hongarije veroordeelde. Eind 1957 deed het partijbestuur van de Socialistische Unie, onder wie Roorda, in Bevrijding een oproep aan de leden om lid te worden van de Pacifistisch-Socialistische Partij (PSP). In 1958 werd hij lid van de PSP, maar ook daar vond hij zijn draai niet. In 1966 bedankte hij als lid. De laatste jaren van zijn leven bleef Roorda een standvastig verdediger van de politiek van de Sovjet-Unie. Daarvan getuigt de uitgave in eigen beheer van een brochure Vergissingen en fouten in de strijd van de communisten in de Tweede Wereldoorlog en daarvoor (z.pl. 1976). Toen hij zijn zeventigste verjaardag in 1960 vierde was een vertegenwoordiger van de Sovjetrussische ambassade een van de gasten. Roorda stond onvoorwaardelijk achter het ingrijpen van de Warschaupaktstaten in Tsjecho-Slowakije en ageerde tegen de Amerikaanse Vietnamoorlog. Hij zag in het jongerenprotest van het eind van de jaren zestig een bevestiging van zijn gelijk en deed, voorzover mogelijk, enthousiast mee aan allerlei activiteiten. Zo liep hij in 1966, op 76-jarige leeftijd, nog een Vietnam-mars van 35 kilometer.

Publicaties: 

(samenstelling) 'Ter herinnering aan: Jacob de Rook. Geert Sterringa' in: De anti-fascist, 4e kwartaal 1976, 14-16.

Literatuur: 

Roorda zonder masker' in: De Waarheid, 19 en 20.2.1951; '"Lid fan de CPN? It soe de moaiste dei fan myn libben wurde". 'n Eenzame communist en toch niet alleen' in: Leeuwarder Courant, 2.9.1970; Gerrit Roorda tachtig jaar! (z.pl. 1970); K. Huisman, It libben fan Gerrit Roorda (Buitenpost 1973); 'Strijder voor sociale gerechtigheid. Gerrit Roorda van Tynje overleden' in: Leeuwarder Courant, 10.2.1977; P. Groeneveld, Het royement van een rebelse CPN'er (scriptie Universiteit van Amsterdam 1988).

Portret: 

Gerrit Roorda, particuliere collectie

Auteur: 
Kerst Huisman
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 7 (1998), p. 192-194
Laatst gewijzigd: 

10-02-2003