STAD Jbz., Pieter van der

Pieter van der Stad Jbz.

socialistisch spreker in Vlissingen in de jaren tachtig en actief in de jaren negentig van de negentiende eeuw, is geboren te Zaandijk op 28 april 1850 en overleden te Vlissingen op 4 april 1905. Hij was de zoon van Jacob van der Stad, timmerman, en Aagje Schipper, huisvrouw. Op 29 juli 1874 trad hij in het huwelijk met Alida Woerdeman, naaister, met wie hij drie dochters en een zoon kreeg.

Van der Stad was een van de figuren uit de beginperiode van het socialisme, die gedurende enkele jaren in het middelpunt van de activiteit stonden, maar even snel van het toneel verdwenen als zij opgekomen waren. Aanvankelijk was hij machinist in een fabriek te Wormerveer. Eind november 1885 verhuisde hij van Zaandam naar Amsterdam, eind april 1887 vestigde hij zich in Koog aan de Zaan, waar hij evenals te Amsterdam bierhandelaar was. Hij dankte zijn kortstondige reputatie in de jaren 1884 tot 1888 aan zijn sprekersgaven. Vliegen typeert hem als een 'mooie, groote, frissche, jonge kerel, met prachtig stemgeluid, majestueus gebaar en een talent van voordracht, zooals 't maar zelden wordt gevonden. Zijn zeggenskracht was ongeëvenaard. In den woeligen, hartstochtelijken tijd, van 1885 - 1887, was v.d. Stad in de groote volksvergaderingen de gezochte figuur.'

Van der Stad sprak op 15 februari 1884 in Amsterdam tegen de wet op de nationale militie, de zogenoemde bloedwet, die hij als 'een nationale ramp' aanduidde. In hetzelfde jaar sprak hij op de grote' demonstratie voor algemeen kiesrecht van 14 september in Den Haag over 'Door algemeen stemrecht tot beterschap uit druk en ellende', ook als brochure verschenen (Den Haag 1884); op 20 september 1885 eveneens in Den Haag op de grote kiesrechtdemonstratie van de Nederlandsche Bond voor Algemeen Kies- en Stemrecht (samengevat in Vliegen, I, 135-138) en in hetzelfde jaar op de vergadering aan de vooravond van het congres van de Sociaal-Democratische Bond (SDB) in het Volkspark te Amsterdam. 's Avonds vóór de veroordeling van F. Domela Nieuwenhuis, op 9 juni 1886, sprak hij in het Haagse Walhalla over de vervolgingen van de socialisten. Deze vergadering werd halverwege door de politie verboden, Op 20 juni voerde hij op een protestvergadering in Amsterdam het woord. In de nacht van 30 op 31 juli, enkele dagen na het Palingoproer, werd hij gearresteerd op het vermoeden samen met J.A. Fortuijn de oproep 'Aan de Amsterdamsche burgerij!' te hebben geschreven, waarin tot wederspannigheid tegen de politie en de militaire macht werd opgezet. Pas twee maanden later besloot de rechtbank hen te ontslaan, omdat zij geen termen vond om hen te vervolgen. Maar aangezien de officier van justitie zich daartegen verzette, bleven beiden tot 7 oktober in voorarrest. De zaak werd toch vervolgd en op 5 november werden zij tot zes maanden gevangenisstraf veroordeeld met aftrek van de preventieve hechtenis. Het gerechtshof bevestigde dit vonnis in hoger beroep, maar de Hooge Raad vernietigde het en ontsloeg beide verdachten van alle rechtsvervolging. Op de begroetingsbijeenkomst voor B. van Ommeren, na diens ontslag uit de gevangenis, in januari 1887 in het Volkspark sprak Van der Stad samen met Domela Nieuwenhuis. Bij de beruchte Oranjefurie van februari 1887, waarbij het koffiehuis van P.J. Penning op het Waterlooplein vernield werd en ook Van der Stad verwondingen opliep, werd proces-verbaal tegen hem opgemaakt, zonder dat het echter tot een vervolging kwam. Op de grote meeting in het Volkspark op 9 juni 1887, de eerste massabetoging na de Oranjefurie, waarop geprotesteerd werd tegen de vervolging van de al of niet vermeende schuldigen aan het Palingoproer, sprak hij samen met C. Croll en Fortuijn. Ook tijdens de massale bijeenkomst waarop, op 4 september 1887, Domela Nieuwenhuis na zijn invrijheidstelling in het Volkspark werd begroet, was hij een van de sprekers. In deze tijd stond hij op het hoogtepunt van zijn roem.

In 1888 maakte Van der Stad in de verkiezingstijd een grote propagandatocht door de noordelijke provincies. In hetzelfde jaar was hij als vertegenwoordiger van de ijzer- en metaalbewerkers een van de negen Nederlanders, die het internationaal congres van vakverenigingen te Londen bijwoonden. In het vakverenigingsleven heeft hij echter geen belangrijke plaats ingenomen. Hij was aanvankelijk lid van het Algemeen Nederlandsch Werklieden-Verbond, maar sloot zich in 1882 bij de SDB aan. Hij werd voorzitter van de eerste sectie van de afdeling Zaanstreek van de SDB, maar trad af, volgens C.J. van Raaij omdat men niet in alles zijn zin wilde volgen. Later bedankte hij ook als lid. In 1885 werd hij hoofdbestuurslid van de Nederlandsche Bond voor Algemeen Kies- en Stemrecht. Van Raaij rekende hem in 1886 met W.P.G. Helsdingen, J.A. Fortuijn en Domela Nieuwenhuis tot de leiders van de Bond, maar sprak overigens met weinig waardering over hem. Het oordeel van Vliegen is evenmin onverdeeld gunstig. Van der Stad is ook in 1889 nog als spreker opgetreden. Een spreekbeurt in maart 1889 in Leiden kon niet doorgaan, omdat een tierende menigte het vergaderlokaal in een ruïne veranderde. Toen hij in een openbare vergadering in Wolvega de leden van de Tweede Kamer, met uitzondering van Domela Nieuwenhuis, voor 99 schoeljes had uitgemaakt, veroordeelde de rechtbank te Heerenveen hem tot twee maanden gevangenisstraf, die in hoger beroep door het gerechtshof te Leeuwarden tot twee weken werd teruggebracht.

Toen in een ander proces uitkwam dat Van der Stad een intieme verhouding had met de vrouw van een zekere Hendrik Visser en hij zich op een gegeven moment bijzonder laf gedragen had, kwam hij buiten de beweging te staan. Bovendien maakte hij zich waarschijnlijk schuldig aan drankmisbruik. Uit de woorden die Domela Nieuwenhuis na de dood van Van der Stad gebruikte, zou men kunnen destilleren dat de rol van propagandist Van der Stad boven het hoofd was gegroeid.

Nadat hij zijn straf had uitgezeten, kreeg Van der Stad in november 1889 via de oude, door Domela Nieuwenhuis ingeschakelde socialist Lodewijk Mieremet in Vlissingen werk aan de scheepswerf 'de Schelde' in de reparatiewerkplaats als bankwerker. Terwijl de directeur van de werf zijn commissarissen verzekerde dat Van der Stad had beloofd op generlei wijze propaganda te maken voor zijn denkbeelden, verzekerde deze het omgekeerde aan de Nederlandse socialisten. Hoe het zij, in 1891 kon hij met kapitaal dat hem door 'de Schelde' was verstrekt een eigen fabriekje oprichten, dat metallieke pakkingen produceerde. Aanvankelijk leverde hij aan 'de Schelde', maar later sloot hij ook contracten af met de rijks- en lokale overheden.

Met Domela Nieuwenhuis brak hij in 1890, omdat hij zich onheus behandeld voelde. Van der Stad werd een vooraanstaand lid van de Vlissingse afdeling van de SDB. Hij won in juli 1891 het hart van de afdeling door tijdens een voorstelling in het Middelburgse Schuttershof zo hard mogelijk op een fluitje te blazen, toen een toneelspeler die wijlen Willem III moest voorstellen, op het toneel verscheen. Gaandeweg ontwikkelde Van der Stad zich in anarchistische richting. Een eerste aanduiding daarvoor was dat hij geabonneerd bleef op het blad Licht en Waarheid, toen dit door de drukker C. Hagedoorn gekaapt was en in individualistisch-anarchistische richting verder werd geredigeerd (voorjaar 1891). Toen J.K. van der Veer zich in Zeeland vestigde, ontstond er rond Van der Stad en Mieremet in 1894 een oppositie tegen hem, niet alleen vanwege het branieachtige optreden van Van der Veer maar ook omdat deze niet zo anti-parlementair bleek als de voorstanders van de motie Hoogezand-Sappemeer wel wensten. Door deze oppositie kwam Van der Stad in aanvaring met voorstanders van het blad De Toekomst. Nadat hij in 1894 zich al eens had moeten verweren tegen aantijgingen van oranjegezindheid, klaagde hij eind 1897 tweemaal de drukker (C. de Voogd) en de bureauredacteur (J.L.A. de Lange) van De Toekomst aan wegens smaad en belediging. Beiden werden tot fikse geldboetes veroordeeld. Dat betekende voor Van der Stad dat hij uit de Vlissingse beweging werd buitengesloten. Hij bleef zichzelf evenwel altijd als socialist zien, hetgeen onder meer bleek uit de wijze waarop hij in 1901 de instelling van Kamers van Arbeid in Vlissingen afkeurde.

Literatuur: 

C.J. van Raaij, Mijn afscheid van den Sociaal-Democratischen Bond (Den Haag 1886); Bymholt, Geschiedenis; Vliegen, Dageraad I-II; Middelburgsche Courant, 5.7.1889; De Vrije Socialist, 8.4.1905; De Toekomst, 8.4.1905; F. Domela Nieuwenhuis, Van christen tot anarchist (Amsterdam 1910); J.A. Nieuwenhuis, Uit den tijd der voortrekkers (Amsterdam 1927); J.A. Nieuwenhuis, Een halve eeuw onder socialisten (Zeist 1933); P.J. Meertens, 'Stad Jbz. (Pieter van der)' in: Mededelingenblad, nr. 32, mei 1967, 22-24.

Portret: 

P. van der Stad Jbz., uit: Vliegen, Dageraad I (Amsterdam 1905), t.o. 168

Auteur: 
P.J. Meertens, Bert Altena
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 2 (1987), p. 150-153
Laatst gewijzigd: 

00-00-1987