FERINGA, Frederik

Frederik Feringa

vrijdenker en radicaal democraat, is geboren te Groningen op 16 april 1840 en aldaar overleden op 9 november 1905. Hij was de zoon van Hildebrand Freeks Feringa, landmeter, en Affien Staal. Op 20 mei 1869 trad hij in het huwelijk met Hyllina de Muinck. Uit dit huwelijk werd een zoon geboren. Deze heeft maar twee maanden geleefd.
Pseudoniem: Muricatus.

Op 24 augustus 1858 begon Feringa met zijn studie wis- en natuurkunde aan de Hoogeschool te Groningen. Op 10 september 1864 promoveerde hij in de faculteit der wis- en natuurkunde op een proefschrift Over eene methode ter berekening van de gemiddelde lengte van op bepaalde wijze getrokken lijnen (Groningen 1864). Na een jaar les gegeven te hebben aan het gymnasium te Doetinchem keerde hij naar Groningen terug. Hij schreef hoofdartikelen voor de liberale Provinciale Friesche Courant, spreekbuis van de in 1870 opgerichte vereniging Volksonderwijs. Hij werkte mee aan het radicale dagblad Het Noorden van Sam van Houten, dat vrijdenkers goed gezind was. Feringa behandelde onderwerpen als de volksontwikkeling, het middelbaar onderwijs, maar ook de Internationale Werkers-Vereeniging en vroeg zich in een artikel af of oorlog noodzakelijk was. Feringa was een van de belangrijkste radicale publicisten van de jaren zeventig. Hij schreef onder het pseudoniem Muricatus in De Dageraad en in De Rotterdamsche Lantaren (1869), het orgaan van de Vereeniging 'Het Algemeen Stemrecht'. In 1871 publiceerde hij zijn hoofdwerk Democratie en wetenschap. Vertoogen en opmerkingen (Groningen 1871; herdruk 1873). Opvallend maar niet uniek was zijn pleidooi voor de emancipatie van de vrouw. Met instemming had hij het twee jaar eerder verschenen boek van J.S. Mill The subjection of women gelezen. Hij pleitte voor wiskundeonderwijs aan meisjes die volgens hem in niets onderdoen voor jongens. Van 1872 tot 1874 gaf hij het op ongeregelde tijden verschijnende tijdschrift De Vrije Gedachte uit, waaraan G.W. van der Voo, S.E.W. Roorda van Eysinga, O. Rommerts en A.B. Cohen Stuart meewerkten. Het verscheen in Sneek bij de uitgever H. Pijttersen die later als radicaal-liberaal in de Tweede Kamer zat. Voor een belangrijk deel vulde Feringa dit blad met zijn eigen, vaak scherpe opstellen. Deze getuigen van een enorme belezenheid, ook van dagbladen en periodieken uit binnen- en buitenland. In de laatste jaargang van dit blad publiceerde E.Ph.H. van der Ven onder het pseudoniem J. Rademacher 'De arbeidersbeweging', het eerste Nederlandstalige historische overzicht. Hij zette dit voort in De Tolk van den Vooruitgang, de opvolger van De Vrije Gedachte onder redactie van B.P. Korteweg. Feringa schreef hier onder andere in over bevolkingsleer. In de ogen van toonaangevende tijdgenoten kon hij als persoon geen goed doen. C. Busken Huet schreef op 5 juli 1872 aan Potgieter naar aanleiding van Feringa's recensie van zijn roman Lidewyde: 'Van Feringa's scherpzinnigheid en belezenheid zal ik geen kwaad spreken; maar wie durft ontkennen, dat hij een ongelikte beer is? Als hij op die wijze voortgaat, haalt zijn Tijdschrift den tweeden jaargang niet, ofwel het wordt een nieuwe Dageraad, onverkwikkelijker gedachtenis'. Hij noemde Feringa 'slecht gezelschap'. Ook in Groningen lag Feringa als persoon slecht. In 1876 liet de pers zich afkeurend uit over het feit dat hij in de sociëteit De Harmonie zijn hoed ophield tijdens het spreken. Een rol zal daarbij gespeeld hebben dat hij zich verzette tegen wat hij noemde de oligarchie van het bestuur.

In 1871 trad Feringa toe tot het in 1870 gevormde Comité ter bespreking der Sociale Quaestie. Sociaal voelende intellectuelen wisselden hierin van gedachten met toonaangevende arbeiders. Hij schreef ook in 1877 in het geestverwante blad De Werkmansbode over bevolkingsleer en kiezersexamens. In de discussie die hierover ontstond nam Korteweg het voor hem op. Van het Comité voor Algemeen Stemrecht, waarin het eerstgenoemde comité in 1880 opging, maakte Feringa geen deel uit. Van de werking der vrije markt zei hij 'dat de concurrentie menigmaal den zwakke aan den sterkere opoffert'. Zolang de verzoening van de vrijheid en de gelijkheid niet had plaatsgevonden bleef er een sociaal probleem. Feringa had veel begrip voor het streven der arbeidersbeweging en zelfs voor de Internationale. Werkstakingen achtte hij vaak onverstandig maar volkomen geoorloofd. Feringa was wél voor algemeen kiesrecht maar het volk moest opgevoed en opgeleid worden voordat het algemeen kiesrecht ingevoerd kon worden. Hij gruwde van de roomse priesters die hun kudde naar de stembus dreven en vergat niet erop te wijzen dat de dictator Napoleon de Derde door algemene verkiezingen aan de macht was gekomen. Feringa wees het censuskiesrecht af, maar was onder meer voor kiezersexamens om de kennis van grondwet en staatkundige kennis te toetsen. Ongeletterden konden niet aan het politieke leven deelnemen. De politieke cultuur was primair een schriftelijke. Feringa bediende zich van het woord 'liberaal' maar stelde dit tegenover de liberalen die dit alleen in naam waren. In de praktische politiek gaf hij de voorkeur aan de term radicaal boven democratisch. In 1872 liet Feringa zich door een democratische kiesvereniging in Amsterdam die een politieke groepering los van de liberalen beoogde, kandidaat stellen maar zonder succes. M.C.L. Lotsy vond het onzin om een aparte democratische vereniging te stichten want alle beginselen waar het om ging waren al in het liberalisme vervat. Hij bestreed in zijn Gids-artikel 'Democratie en Theocratie' Feringa's boek Democratie en wetenschap. Feringa behoorde tot de kritische verdedigers van Multatuli. Feringa hekelde de 'duelliefde' van Multatuli daarbij doelend op diens extreme eergevoel en ook diens nonchalante manier van met geld omgaan kon hij als conscientieuze makelaar in effecten niet waarderen. Tevens kritiseerde Feringa Multatuli's inconsequenties in het redeneren. Zij wisselden ook enige brieven. Multatuli veranderde nog al eens van mening over Feringa. In zijn brief van 14 september 1874 naar aanleiding van de brief van Vosmaer van 23 mei 1874, afgedrukt in De Vrije Gedachte, vond hij Feringa te geleerd schrijven en te veel citaten gebruiken. Hij gaf de raad meer zijn eigen verstand te gebruiken in plaats van auteurs te noemen die niet de moeite waard waren. 'Hoe kunt ge toch, gy die een eigen equipage betalen kunt, u zoo laten rondryden in rottige huurkoetsjes'. Aan Roorda van Eysinga schreef Multatuli: 'Feringa zal verzuipen in z'n filosofistery. Naar mijn innige overtuiging komt er van hem als schrijver, voorganger etc. niets terecht. Hij is niet oorspronkelijk. Dit nu is geen gebrek op zichzelf. Maar hij gaat gebukt onder de zeer eigenaardige onoorspronkelykheid, om voor origineel te willen doorgaan'. Aan nieuw uitgekomen werk van Multatuli wijdde Feringa lange stukken. Terwijl Multatuli in 1873 weigerde mee te werken aan het Democratisch Congres te Gent, bedoeld om tot een Democratische Bond voor Noord- en Zuid-Nederland te komen, stemde Feringa wel in met dit initiatief, evenals G. Garibaldi en Friedrich Engels. Multatuli logeerde tijdens een lezingentournee in februari 1880 bij Feringa: 'Hij bevalt me steeds beter. Hij is 'n solide denker'.

De laatste dertig jaar van zijn leven liet Feringa weinig van zich horen. Hij bleef bevriend met Korteweg, die redacteur van De Tolk van den Vooruitgang was geweest en als vrijdenker ontslag had gekregen bij het onderwijs. Kort nadat Korteweg getrouwd was met Maria Baart dronken zij wijn met cyaankalium en stierven in elkaars armen om 'het nirwana deelachtig te worden'. Korteweg en Baart vroegen Feringa hun testament uit te voeren. Feringa en Korteweg maar ook andere vrijdenkers in het Noorden, onder wie H. Hartogh Heijs van Zouteveen en de minder bekende multatuliaan J. Pik, handelden in effecten en hadden ook daardoor contact met elkaar. Dit beroep vrijwaarde hen van ontslag. In augustus 1880 trad Lucie Baart, de zuster van Maria, bij Feringa in dienst als secretaresse, maar zij keerde in 1884 terug naar Middelburg. Feringa publiceerde artikelen over financiële en vooral belastingvraagstukken, onder meer in 1876 in de vooruitstrevend-liberale Groninger Courant over Amerikaanse spoorwegfondsen. In 1889 polemiseerde hij nog met mr. J.D. Veegens en mr. A. Kerdijk over het 'roekeloos en gewelddadig converteeren van de onschadelijke consignatie in een gevaarlijke en zeer onrechtvaardige dwangpapierwet'. In 1892 horen we voor het laatst van hem. Hij schreef twee ingezonden stukken in de Nieuwe Groninger Courant over de belastingwetten van N.G. Pierson. Hij sprak zich daartegen uit omdat deze zijns inziens slecht voor de boeren waren. De godsdienst bestrijden zag Feringa echter als zijn voornaamste taak. Vooral het in zijn ogen halfslachtige vrijzinnige christendom moest het ontgelden. Hij schreef: de 'god der ploerten' is niets anders dan het abstracte begrip van de volmaakte ploert. Feringa was een agnost gevormd in de school van de Duitse filosofie. Hij onderging de invloed van A. Schopenhauer en vooral diens Die beiden Grundprobleme der Ethik (1841) stelde hij ver boven de ethiek van Kant. 'Op het onderscheid tusschen mij en anderen berust het egoïsme; door de voorstelling, die ik van een ander in mijn hoofd heb, kan ik mij met hem zóó vereenzelvigen, dat mijne daad de opheffing van dat onderscheid aankondigt. Dit proces is geen droom, noch uit de lucht gegrepen, neen, een dagelijksch verschijnsel. Het heet medelijden. En dat medelijden is de eenige basis van vrijwillige rechtvaardigheid en van echte menschenliefde.' Schopenhauers pessimisme achtte hij niet in strijd met geloof in de vooruitgang en de realiteit van idealen. Hij schreef al in 1871 uitvoerig over het in 1869 verschenen boek Philosophie des Unbewussten van Eduard von Hartmann, die sterk onder invloed van Schopenhauer stond. Al zweeg Feringa de laatste jaren van zijn leven, zijn boek Democratie en wetenschap vond ook later nog lezers, onder wie F.E.L. Urban en R. van Zinderen Bakker. De Belgische anarchist Victor Dave sprak er in 1904 in het liber amicorum voor F. Domela Nieuwenhuis met waardering over. De Engelse vrijdenker J.M. Wheeler gunde hem de eer in diens Biographical dictionary of freethinkers of all ages and nations (Londen 1889) te worden opgenomen.

Literatuur: 

Nieuwe Groninger Courant, 23.10, 13.11 en 15.12.1889; J.M. Wheeler, A Biographical dictionary of freethinkers of all ages and nations (Londen 1889) 127; Bymholt, Geschiedenis; B.H. Pekelharing, 'Herinneringen aan een tweetal Comité's' in: Vragen des Tijds, 1895, II, 354-381; V. Dave in: Aan F. Domela Nieuwenhuis (Amsterdam 1904) 19-20, 75-76; O. Noordenbos, Het atheïsme in Nederland in de negentiende eeuw (Rotterdam 1931); G.A.Wumkes, 'Feringa (Frederik)' in: Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek IX (Leiden 1933) s.v.; J. van de Giessen, De opkomst van het woord democratie als leuze in Nederland (Den Haag 1948); Multatuli, Volledige Werken (Amsterdam 1951-1995; 25 delen) XIV 616, 653, XV 61, 65, 67-69, 99-100, 136-137, 187-188, 237-241, XVI 549-550, 697-702, XVII 109-110, XX 96-97, 398-399, 417-418; G. Taal, Liberalen en radicalen in Nederland, 1872-1901 (Den Haag 1980); J. Houkes, P. Hoekman, Multatuli en Groningen (Groningen 1987).

Portret: 

Frederik Feringa, IISG

Auteur: 
Ger Harmsen, Jannes Houkes
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 7 (1998), p. 46-49
Laatst gewijzigd: 

10-02-2003