LUITJES, Tjerk

Tjerk Luitjes

propagandist voor het vrije socialisme en eerste redacteur van De Arbeider, is geboren te Putten (Gld) op 18 juli 1867 en overleden te Blaricum op 15 september 1946. Hij was de zoon van David Luitjes, (gepensioneerd) agent van politie in West-Indië, en Margaretha Smit. Op 31 juli 1894 trad hij in het huwelijk met Trui Visscher, met wie hij twee aangenomen dochters had.
Pseudoniem: Travailleur.

Luitjes belandde al jong in de socialistische beweging in de stad Groningen. Zijn vader was vrijdenker en las De Dageraad. Tjerk was in 1884 één van de eerste leden van de socialistische jongelingsvereniging Ontwikkeling en daarna een toonaangevende figuur in de afdeling van de SociaalDemocratische Bond (SDB). Luitjes viel op door zijn besliste optreden en groot redenaarstalent, waarmee hij zijn toehoorders wist op te zwepen. Als bewonderaar van Multatuli droeg hij vaak voor uit diens Ideën. Een grote hang naar vrijheid, gekoppeld aan een steil gevoel voor rechtvaardigheid bracht hem tot het socialisme. Hij genoot geen vervolgonderwijs en versleet ettelijke baantjes. Voordat hij propagandist werd, was hij korte tijd zelfstandig paraplumaker.

Luitjes, die zich met het pseudoniem Travailleur tooide, begon zijn agitatorische carriere als artikelenschrijver in het Radicaal Weekblad en Recht voor Allen. Hij schreef over het arbeiders-bestaan in de stad en in Oost-Groningen en over het soldaten-bestaan. Tijdens zijn diensttijd baarde hij opzien door in uniform in debat te gaan met mr. Sam van Houten, liberaal Kamerlid voor het district Groningen. Zijn militaire superieuren veroordeelden hem hiervoor tot veertien dagen cachot. Over zijn belevenissen schreef Luitjes onder zijn pseudoniem in 1889 het boekje Mijn diensttijd als milicien, dat hij later gebruikte als propagandamateriaal tegen het militarisme. In 1890 begon hij samen met J.H.A. Schaper het satirische weekblad De Socialist. Na drie maanden verdween het wegens gebrek aan succes. Zijn karakter bracht Luitjes in conflict met zijn partijgenoten in de stad, die hem ervan verdachten de eerste viool te willen spelen. Daarom verhuisde hij begin 1892 naar Sappemeer. Hij nam het weekblad De Volkszaak over en doopte het om in De Arbeider. Hij drukte dit blad op zijn zelfgemaakte drukpers. Later kreeg hij steun van H.E. Kaspers als administrateur en geldschieter. Hij schreef het blad vol met felle artikelen tegen de heersende maatschappelijke verhoudingen. Hij riep de arbeiders op tot revolutie en bedreigde werkgevers die hun arbeiders slecht behandelden. Hij wist de ontevredenheid van de arbeiders om te buigen in de richting van een ongeremd geloof in het aanstaande socialisme. Binnen een kort tijdsbestek verschenen in het Oldambt en de veenkoloniën tientallen SDB-afdelingen en stroomden de abonnementen op De Arbeider binnen. Avond aan avond sprak Luitjes over het socialisme en de toehoorders hingen aan zijn lippen. Langzamerhand werd het onrustig in Oost-Groningen. De arbeiders dachten dat de revolutie aanstaande was en aan het einde van 1892 braken stakingen en ongeregeldheden uit. De overheid besloot in te grijpen en stuurde troepen om de orde te herstellen. De staat van beleg werd afgekondigd. De Arbeider publiceerde een dynamietrecept. Het harde optreden van de overheid verbitterde Luitjes zeer. Zijn toch al geringe vertrouwen in een vreedzame omwenteling verdween. Zijn afkeer richtte zich op diegenen in de SDB, die via hervormingen en het parlement verbeteringen tot stand wilden brengen. Hij gaf de schuld van alle ellende aan het bestaan van de staat, het gezag en het privaatbezit. Daarom preekte hij de afschaffing van de staat en de absolute vrijheid. Luitjes werd anarchist. Nog één keer manifesteerde zich Luitjes' invloed op de Oostgroninger beweging. Op het SDB-kerstcongres van 1893, in de stad Groningen gehouden, wist hij met het mandaat van vele Groninger afdelingen de bekende motie Hoogezand-Sappemeer aangenomen te krijgen. Deze verbood de SDB aan verkiezingen mee te doen. Hierdoor werd de scheuring tussen parlementaire en anti-parlementaire socialisten een feit. Nu bleek dat niet iedereen in de provincie anarchist was geworden. Er kwamen sociaal-democratische tegenstanders van Luitjes: J.H. Schaper en H. Spiekman. Beide stromingen bestreden elkaar heftig en Luitjes werd van alle kanten verdacht gemaakt. Zelfs brak er een politieke staking uit op zijn drukkerij onder leiding van Spiekman, terwijl De Arbeider vele abonnees verloor.

Deze politieke conflicten en persoonlijke vetes dreven Luitjes in 1895 de provincie uit. Hij schreef Domela Nieuwenhuis dat hij daar geen propaganda meer kon bedrijven wegens de afkeer jegens zijn persoon. Hij verhuisde naar Zwolle en korte tijd later naar Arnhem. Eerst in Zwolle en later in Arnhem gaf hij vanaf eind 1895 tot 1898 met behulp van zijn vrouw het weekblad De Volksvriend uit. Luitjes bleef zijn beginselen uitdragen totdat hij door tegenwerking van de plaatselijke autoriteiten en geldgebrek zijn blad moest opheffen. Even overwoog hij naar Zuid-Afrika te emigreren. Maar hij verhuisde naar Amsterdam, waar hij samen met zijn vrouw Trui één van de eerste vegetarische restaurants begon. In 1900 werden zij na de verkoop van het restaurant lid van de christen-anarchistische landbouwkolonie te Blaricum. Luitjes was er de timmerman. Hij werkte ook wel voor de kolonie Walden van Frederik van Eeden. Maar Luitjes kreeg al snel ruzie met de medekolonisten en vertrok spoedig. Door ervaring wijs geworden zag hij niets in landbouwkolonies, maar pleitte voor ambachtelijke coöperaties. Hij begon samen met L. Bolle en G.F. Lindeijer een produktiecoöperatie voor timmer- en meubelmakerswerk. Daarnaast opende hij te Blaricum een vegetarisch pension, dat een groot succes werd. Enige tijd was er tevens een naaktkamp aan verbonden. Al deze ondernemingen waren gebaseerd op zijn eigen anarchistische opvattingen. Hij bleef invloed houden in de 'oude beweging'. Vaak nodigden vrije socialisten hem uit te spreken. Vooral in de Zaanstreek en het Oldambt was hij een geliefd spreker. Tijdens de tweede spoorwegstaking in 1903 was hij vertrouwensman in Arnhem. Een woedende menigte die hem te Blaricum wilde aanvallen vanwege zijn rol in de algemene werkstaking, verjoeg hij van zijn erf met een revolver. Luitjes trok zich enigszins terug uit de beweging. Zakendoen slokte hem meer en meer op. In 1909 nam hij de redactie op zich van Het Volksblad voor de Zaan en Omstreken. Maar zijn opvattingen waren nu sterk in de richting van het sociaal-anarchisme gekomen. Hij zag zelfs heil in organisatie, wetgeving en parlementarisme. Eind 1909 deed hij een poging om de anarchistische beweging onder te brengen in een landelijke federatie. Hij vond dat noodzakelijk om tegenstand te kunnen bieden tegen de oprukkende sociaal-democratie. Medestanders in Groningen probeerden hem opnieuw de redactie van De Arbeider op te dragen. Maar de individueel-anarchist Remko Tamminga wist dit te voorkomen.

Luitjes raakte na 1910 langzamerhand uit de anarchistische beweging. Domela Nieuwenhuis en Gerhard Rijnders vielen hem in De Vrije Socialist fel aan op zijn ideeën omtrent staatspensionering en de tienurige werkdag. Luitjes' inzichten benaderden die van de SDAP dicht. Een enkele maal sprak hij nog voor de vrijdenkersbeweging. Hij werd aannemer en verdiende binnen korte tijd grote sommen geld, zodat hij na de Eerste Wereldoorlog met een woonauto door Europa kon trekken. Hij had intussen twee kinderen geadopteerd bij het Leger des Heils. Hij nam de eersten die hij onder ogen kreeg, daar hij niet op het uiterlijk wilde afgaan. Tjerk Luitjes stierf in 1946 eenzaam in zijn landhuisje te Blaricum aan een overdosis verdovende middelen en werd gecremeerd op Driehuis Westerveld.

Publicaties: 

Theorie en practijk van binnenlandsche kolonisatie (Bussum 1902); Het anarchisme en de algemene werkstaking (Blaricum 1903); zie voor een overzicht van zijn brochures: J. Houkes, Travailleur. Een politieke biografie van de Groninger anarchist Tjerk Luitjes. 1884-1910 (Groningen 1985); 125-126.

Literatuur: 

Vliegen, Dageraad II, 206-208; H. Hendrix, Een week in de kolonie te Blaricum (Amsterdam 1901); H.E. Kaspers, 'Luitjes overleden' in: Socialisme van Onderop!, 1.10.1946; P.J. Meertens, 'Luitjes (Tjerk)' in: Mededelingenblad, mei 1959, 6-8; G. Bruintjes, Socialisme in Groningen 1881-1894 (Amsterdam 1981); F. Dieteren, I. Peeterman, Vrije vrouwen of werkmansvrouwen? Vrouwen in de Sociaal-Democratische Bond (Utrecht 1984); J. Houkes, Travailleur (Groningen 1985); P. Hoekman, J. Houkes, O. Knottnerus (red.), Een eeuw socialisme en arbeidersbeweging in Groningen 1885-1985 (Groningen 1986); M.W.J.L. Boersen, De kolonie van de Internationale Broederschap te Blaricum (Blaricum 1987); J. Houkes, 'Luitjes, Tjerk' in: J.D.R. van Dijk, W.R. Foorthuis (red.), Vierhonderd jaar Groninger veenkoloniën in biografische schetsen (Groningen 1994) 141-144; L. Heyting, De wereld in een dorp. Schilders, schrijvers en wereldverbeteraars in Laren en Blaricum 1880-1920 (Amsterdam 1994).

Portret: 

Tj. Luitjes, uit: Hendrix, Een week in de kolonie te Blaricum (Amsterdam 1901) 36

Auteur: 
Jannes Houkes
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 1 (1986), p. 72-75
Laatst gewijzigd: 

22-05-2002